Twintig Facetten

droom
eeuwenoude symboliek
verwering herinnering
mensenleven lichtjaren
onderweg luisteren

wie ik ben
mijn pad

Het patroon voor deze Vlanger – de Twintig Facetten – had ik uitgeprint op Tyvek. Aan de voorkant maakte ik een gelliprint in turquoise en donkerrood. Vervolgens liet ik er de warmtepen op los en tekende wat roodglimmende figuurtjes op de verf. Ik knipte wat piepkleine plaatjes uit, en zocht mooie woorden.

Intussen bedacht ik a) dat de goudkleurige touwtjes hier niet zo mooi bij stonden en in de overige borduurgarenvoorraad (nog van ons moeder) zat ook niets bijpassends, dus heb ik mij getracteerd op een fijne voorraad borduurgaren en b) dat ik iets met kraaltjes wilde doen.

Het werd nog een heel geklooi. Tyvek plakt minder goed dan papier en het is ook veel dunner en slapper dan het stevige papier dat ik normaal gebruik. En hoe maakt men eigenlijk een kraaltje vast?

Het eindresultaat is wel mooi maar Tyvek ga ik niet weer gebruiken. Een ander nadeel van de Twintig Facetten is dat hij heel scheef en briek lijkt als je hem niet symmetrisch fotografeert.
Kortom: weer heel wat geleerd!

Geplaatst in heldinne's vlangers | Getagged | 4 Reacties

349 – roeien naar Rowerda

Zonder ritueel of eerbied gooiden ze ook de gehavende resten van de verslagen grootuilen overboord. Ik wriggelde onder de zitplanken vandaan en kwam overeind.
"Kun je roeien?" vroeg Puciva. "Ik bedoel: ben je gewond?"
Ik schudde mijn hoofd.
"Ga jij maar naast Askeva," zei Thiarck.

Met Kuuksi en de uil nu op de bodem van de boot roeiden we in het koude licht van de beginnende dageraad in de richting van Rowerda. Koud en nat en moe en geschokt waren we, de mannen ook, een ritueel van Hemren weet hoe lang was verstoord op een manier die ze nooit hadden kunnen voorzien. Alles en iedereen kende zijn plaats en zijn taak in Inhemren, tot en met de uilen. Rituelen stonden vast, werden nooit bevraagd of doorbroken of zelfs afgeschaft, nee, alles moest voorgoed zo blijven als het was. Wat had ik in gang gezet?

Ook zonder trommelen waren we als roeiers goed op elkaar afgestemd. Heel in de verte zagen we Rowerda al liggen. Wat stond ons daar te wachten? Wat stond mij daar te wachten?
Af en toe pauzeerden we even, om een slok water te drinken of een hap brood te nemen. Er was niet veel, en Puciva en ik hadden helemaal geen eten gehad. Ik haalde het flesje platenbloed tevoorschijn. Veel zat er niet meer in, maar wel voor ons allevier een drup zodat we met hernieuwde energie aan het laatste stuk begonnen.

Het was alweer bijna donker toen we Rowerda eindelijk bereikten. We roeiden door tot vlakbij het strand. Ik hees de draagzak op mijn rug, riep: "Kom Kuuks!" en ze klom omhoog en nestelde zich in mijn nek. Met het schild in mijn hand stapte ik overboord en waadde naar het droge zand, gevolgd door de kalme vleugelslag van de grootuil. Terwijl de mannen de boot het land op trokken, knoopte ik het paneeltje van Rowerda los. Ik schrok van wat ik zag: een enorme, kronkelende slang, die iets in zijn bek hield wat zowel een blad als een wapen kon zijn.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

van garen en kralen en woorden

Ik ben nog steeds aan het experimenteren met #HeldinnesVlangers. Het nieuwste project was een grote Hemelwijs. Die oogt een stuk forser dan de gewone, waarvan het patroon op 1 A4tje past. Op een groter formaat heb ik meer ruimte voor collage, voor wat grotere afbeeldingen ook.

Inmiddels heb ik ook 100 kleuren borduurgaren aangeschaft (voor minder dan een tientje) en ben ik eens in mijn kralendoos gedoken op zoek naar kraaltjes met een flinke opening. Ik heb hier al een dikkerd (van hout) gebruikt. Ook heb ik via Marktplaats een jaargang Happinezzen gescoord. Ik blijf het een naar blad vinden maar ze grossieren wel in mooie woorden en dito typografie.

Ook een van de eerste Schatkistjes is inmiddels van woorden voorzien.


een schatkamer
in de wildernis
meegebrachte schatten
acceptatie
het moment
nu gelukkig

De grote Hemelwijs is ongeveer 16-17 cm hoog (de gewone ongeveer 11-12).


woorden:
droom
inzicht
idee
de oproep
wil

Geplaatst in heldinne's vlangers | Getagged , | Een reactie plaatsen

348 – de aanval (2)

Toen daalde, temidden van het verwarrende geweld, een goede uil op het zitplankje boven mijn borst. Doordringend boorden zijn (haar?) ogen in de mijne. Hij moest niet mijn gedachten lezen, maar ik de hare. Het was als een klik in mijn hoofd, alsof je een kijker zo kon verstellen dat je niet naar buiten maar naar binnen keek. Ik zag de rode massa van wachters op het strand. En ze wachtten niet bij Voocklama, ze wachtten bij Morck. En ze hadden lange planken bij zich.

Alsof het woorden waren, zo hoorde ik wat de uil dacht. "Dood de wachters!"
Had Murk zo de kwade uilen aangestuurd?
Ik schreeuwde, en mijn stem was zo luid als mijn gedachten. Ik liet mijn blik in die wemeling van kop naar kop gaan, jij! Jij! Jij! Dood de wachters!
Dit alles ging veel en veel sneller dan ik het nu kan opschrijven. In een oogwenk steeg de hele meute op en als één moordzuchtig beest bewogen ze zich naar de kust.

Ik wilde onder de planken vandaan schuiven maar de man die op me lag maakte dat onmogelijk. Puciva en Thiarck leken niet zwaar gewond. Wel gehavend en bebloed maar ze konden nog staan en zitten. Ook de andere roeier leek min of meer ongedeerd. De goede uil zat nog op het plankje en tot mijn grote opluchting ging Kuuksi naast hem zitten, ze leek zelf ook wel een uiltje zo, er zaten ook allemaal veertjes in haar vacht. Voorzichtig haalde ik mijn armen onder het plankje door en aaide ze, de beesten die ons gered hadden. Want zo zelfzuchtig denk je dan ook. Er waren twee goede mannen omgekomen maar 'wij' waren gered.

De mannen tilden de dode van mijn benen en terwijl ze gezamenlijk de spreuk van Thiarchia herhaalden: "Wij danken u voor uw offer aan de Grote Hemren," wierpen ze hem in zee.

2 Reacties

347 – de aanval

De vergetelheid van de slaap, zo verlokkend en zo gevaarlijk. Ik schrok wakker van gekrijs, geschreeuw, een warreling van vleugels en klauwen en handen met messen en knuppels en roeispanen. Het leek wel of alle uilen van Morck zich nu op ons stortten, of ze nu door de smaak van mensenvlees wild op zoek waren naar meer, meer, meer … De mannen doken weg, Kuuksi beet in poten, ik was daar op de bodem van de boot nog het veiligst, ik verschoof nog wat zodat ik onder de zitplanken lag. Het was nog donker maar niet meer helemaal nacht, doodvoorzichtig trok ik de hanger tevoorschijn en liet hem over de wilde wemeling glijden. Was er niet één goede uil bij? Waren het allemaal haatschepsels die nu zonder leider waren?

Ik doordacht het niet allemaal zo op dat moment, maar het werd me duidelijk dat de kwade uilen dus altijd op bevelen hadden gereageerd. Bevelen, opdrachten, die kennelijk vanuit heel Inhemren bij Murk binnenkwamen, die dan vervolgens de uilen uitzond. Naar de Heerweg, naar Barraspira, naar waar hun dodelijke acties maar gewenst waren.

En de goede uilen? Werden zij door niemand geleid? Ik had de uil gevraagd om de boot te waarschuwen, ik had het steviger gedacht dan uitgesproken, bijna als een gebed.
Met alles wat ik in me had probeerde ik het opnieuw. Help! Help! De uilen in de bomen, de uilen op Schorre Clif, ook de uil van de botten op Thiarchia … Help! Help!

Intussen ging het gevecht door, een van de mannen was al overboord geslagen, meteen doken de uilen op hem, alsof ze watervogels waren die prooi uit zee aan hun klauwen sloegen. Een ander viel neer, over mijn benen, zijn gezicht een uiteengereten massa, in zijn schokkende handen nog zijn bebloede mes.
Help! Help! Ik wilde schreeuwen maar mijn stem was stom. Alleen Puciva en Thiarck zag ik nog en waar was Kuuksi?

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

346 – de roeiers

Op de zee zagen we een lichtje. Een boot die zoetjesaan dichterbij kwam, met de grootuil ernaast als een groot zeil. Was dit dan ook de uil die ik op het strand van Barra had gezien? De uil die het net met botten in zijn klauwen hield? Ik wilde roepen en zwaaien maar hield me stil, stil voor de brommende dreiging van de kwade uilen achter de duinen.

De boot voer onze kant uit tot hij vastliep op het strand. Ik hees de draagzak over mijn schouders, wat een pijn deed dat! Kuuksi klom bij mijn benen op en nestelde zich in mijn nek. Puciva nam het schild. Zo waadden we naar de boot. Thiarck herkende ik, en de andere drie mannen ook. Kennelijk was er nu iemand anders op het eiland achtergebleven. Puciva kreeg van ze allemaal zo'n mannenschouderklop, hij kromp even ineen van de pijn maar ik zag dat hij het ook fijn vond om weer bij zijn kameraden te zijn. Ik werd door sterke armen aan boord gehesen. De uil vloog nog even boven ons en keerde toen terug naar Morck.

"Waren jullie al ver?" vroeg Puciva, toen we weer voeren. Thiarck aan het roer, vier roeiers. En ik, in het midden op de grond, ik rook door alles heen toch de bestemming van deze boot, net zoals toen ik er als verstekeling op meevoer.
"Nee, we hadden het briefje ontvangen, we hebben gewacht. Maar nu moeten we opschieten, morgen is het nieuwe maan en het is al laat." En op mijn vragende blik: "We varen alleen bij donker. Eigenlijk mag niemand ons zien. daarom hebben we ook geen zeil. Ze mogen ons alleen horen. De dodenboot." Hij trok met zijn benen een trommel naar zich toe en begon het ritme aan te geven waarop de roeiers hun slagen konden maken.
Ik voelde hoe ik ondanks de honger langzaam in slaap zakte.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 7 Reacties

345 – schoonwassen

Het was verschrikkelijk om te zien, die twee bebloede monsters op dat stille strand onder de sterren. Slokken Murmerflu binnenkrijgen was nog heel iets anders dan een paar drupjes. Puciva pakte Kuuksi op, ze stribbelde niet tegen. Samen liepen ze de zee in tot het water tot Puciva's middel reikte. Met de kat in zijn nek liet hij zich voorzichtig zakken, ging zelfs even kopje onder. Toen ze weer het strand op kwamen, zag ik dat het voorbij was. Kuuksi sprong op de grond en ging zich onverschillig zitten wassen. Maar Puciva was geschokt, dat zag ik. Hij keek me aan alsof hij uit een gruwelijke nachtmerrie was ontwaakt.

En ik zei hetzelfde als wat Burman tegen mij had gezegd, destijds in het bos. "Hard zijn, Puciva. Als jij het niet gedaan had, had ik het gedaan." Of dat waar was? In elk geval had íemand het moeten doen. Anders was Puciva gedood, en ik gevangen gezet.

Ik voelde de kop van onze uil tegen mijn elleboog. Hij keek me vragend aan. Ik zei: "Ja, ga de boot maar waarschuwen." Want met deze bebloede, pijnlijke schouders nog eens per grootuil te reizen leek me geen goed idee. Wel keek ik steeds achterom en omhoog. Hoe lang zouden de boosaardige uilen zich nog vermaken met lijkenpikken?

Puciva liet zich zakken op het zand. In verbijstering bekeek hij zijn handen. "We hebben het allemaal in ons," hoorde ik hem zacht zeggen, meer tegen zichzelf dan tegen mij. Het was zo, ik wist het. En iedereen vond altijd zijn eigen strijd gerechtvaardigd. Of was zo verblind en verduisterd door de machthebbers dat rechtvaardigen niet eens meer noodzakelijk was. Het was plicht. Feit. Gewetenloosheid is heel comfortabel.

"Jij bent niet op Rowerda geweest, toch?" vroeg ik aan Puciva, om hem af te leiden.
Hij stond op en klopte het zand van zijn natte pak. "Nee," zei hij. "Als de mannen erheen gaan, blijf ik achter op Thiarchia om het fort te bewaken."

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 6 Reacties

344 – moordzucht

Met een plons en een schreeuw vielen ze in het water, Puciva en Kuuksi. Kuuksi kon zwemmen en Puciva Hemrenzijdank ook. De mensen op de oever stonden doodstil, verbijsterd over wat kennelijk nog niet eerder was voorgekomen. Te oordelen naar de staat van de steiger gebeurde het ook niet vaak dat hier mensen landden. Puciva waadde naar de kant, Kuuksi op zijn schouder. Er was iets vreselijks in zijn blik dat ik meteen herkende. Moordzucht.

Aan mijn eigen moordzuchtige handen dacht ik, hoe ze Sisifam hadden gewurgd in de Visietunnel, hoe ze zonder pardon de Blauwe in het bos hadden neergestoken. Moest ik hem tegenhouden? Wat zou er met de uilen gebeuren als hier geen mensen meer woonden? Ik was er inmiddels van overtuigd dat Murk degene was die de uilen aanstuurde, die de opdrachten van de machthebbers vervulde. Puciva leek een reus. Met een paar enorme stappen was hij bij het rijtje mensen dat angstig – zelf van achteren zag ik het aan hun houding – afwachtte wat er gebeuren zou.

Murk slaakte een kreet, een woest en schor en luid oehoe! dat de menigte grootuilen rondom het meer deed opvliegen. Als een wolk smerige vliegen stegen ze op en daalden op en rond ons neer. Oh, de tegenwoordigheid van geest in doodsangst! Ik peuterde straalzaadjes uit mijn doorweekte buidel en gooide ze tussen de menigte uilen. Die werden daardoor zo afgeleid dat ze even vergaten wat ze hier kwamen doen. Maar Puciva kon ik niet tegenhouden. En Kuuksi ook niet. Samen beëindigden ze vier levens terwijl ik machteloos stond te roepen: kom! Kom mee! We moesten naar het strand, naar de boot!

Ik rende voor ze uit, ik wilde het niet meer zien, de slachtpartij, het bloed, en al die uilen die zich tegoed deden aan zaadjes en mensenvlees. De uilen in de bomen zaten roerloos. Dwars over het eiland renden we, over de duinen, naar het strand, waar onze uil naast mijn spullen zat te wachten. Toen Puciva en Kuuksi het strand bereikten, zei ik: "Ga je wassen. Ga in zee en was het van je af."

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

343 – de uilentest (2)

"Nu de man," zei Murk.
Het was donker en toch zag ik wat ik zag. Dat Murk een gebaar maakte. Dat hij met zijn linkerhand een cirkel beschreef. Ik hoorde wat ik hoorde. Dat het oehoeën van de grootuilen rond het meer luider werd. Ik weet nog hoe ik mijn handen hief, palmen omhoog, en bad tot de Grote Hemren om Puciva te sparen. Koud en nat en machteloos zat ik daar, te wachten tot er weer een mens het leven zou verliezen om mij.

Net zo langzaam als ik liep hij de steiger op, die meteen begon te kraken onder zijn gewicht. Ik zag hoe een uil opvloog uit de bomen en probeerde te landen tussen het gepeupel langs het meer. Woest werd hij weggepikt tot hij met een halflamme vleugel weer opvloog naar zijn boom.
Verder slofte Puciva over de heen en weer zwaaiende steiger, tot die afbrak – en op hetzelfde moment schoot een duistergrijs diertje de steiger over en sprong op Puciva's schouders. Samen vielen ze in het water maar Puciva hield zich staande.

Ik hoorde Murk vloeken – dat klonk in uilentaal precies zo. Hij maakte nogmaals dat gebaar met zijn linkerhand. Ik volgde Puciva, was hij bijna bij het diepe? Ja! Een enorme grootuil maakte zich los uit de menigte rond het Murmermeer en greep hem in zijn wrede klauwen. Langzaam, statig, steeg hij op, als om ons te laten zien hoe wreed en sterk hij was. En dat was een fout. Kuuksi schoot langs Puciva's hoofd en beet zo hard ze kon in de klauwen van de grootuil, eerst aan de ene, toen aan de andere kant. Ze beet en beet en klauwde, de uil steeg niet meer maar schreeuwde – ik zat daar met mijn handpalmen naar de hemel en kon niet anders denken dan: help … help …

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 3 Reacties

342 – de uilentest

Er liep een smalle, half verrotte steiger het meer in. Ik dacht aan het zusje van Mia dat in het Graysameer verdronken werd. Wat stond ons te wachten? Onze kleine stoet hield halt aan het begin van de steiger. Murk draaide zich om. Zijn felle uilenogen lichtten op in het donker. Hij zei: "De uilentest is een test voor de uilen en onderdeel van hun training. Eén voor een lopen jullie de steiger op. Loop door tot het einde, loop dan nog door. Een uil zal jullie precies op tijd oppikken."

"Een goede uil of een kwade?" vroeg ik bedeesd – was het Murk die zo'n uitwerking had of speelde ik bewust toneel? Ik weet het niet meer.
"Dat is de test," zei Murk. "Zorg ervoor dat je geen water binnenkrijgt, dat kan dodelijk zijn."
Ha, dacht ik, dodelijk voor wie?

Ze gingen met zijn vieren op een rijtje achter ons staan. Puciva en ik stonden naast elkaar. De uilen maakten minder lawaai dan eerder op de dag, het was alsof ook zij gespannen afwachtten.
"De vrouw gaat eerst," zei Murk. Ik voelde een vinger priemen in mijn rug. Ik kneep heel even in Puciva's hand en zette mijn eerste stappen op de wiebelige steiger. Doodsangst en duisternis bromden in mijn oren. Voetje voor voetje schuifelde ik voorzichtig naar het einde terwijl de steiger steeds meer wiebelde en zwaaide en me tenslotte mijn evenwicht deed verliezen. Ik viel in het water maar het was hier gelukkig heel ondiep.
"Doorlopen!" riep Murk.

Ik liep door, waadde door, het werd dieper, de bodem liep schuin af, waar eindigde dit? Opeens verloor ik de grond onder mijn voeten, ik schreeuwde, en op hetzelfde moment voelde ik de klauwen in mijn schouders, het deed zo'n pijn! Omhoog ging ik, niet hoger dan de bomen, en de uil liet mij zacht neer, terug op de oever bij de anderen.

Een van de vrouwen oehoede vriendelijk tegen me, sloeg me een warme doek om en gebaarde dat ik moest gaan zitten. Achter het rijtje van vier zat ik, en Puciva stond voor hen, zijn rug naar ons toe.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 4 Reacties