de hemelwijze circustent en andere verhalen

Zolangzamerhand krijg ik de vlangers onder de knie. Het vergde wel wat doorzettingsvermogen, ik overwoog zelfs om ermee te stoppen maar dan had ik al die verzenddoosjes voor nix aangeschaft, en dat gekleurde karton … Bovendien hoorde ik de monsters uit mijn jeugd al morren: "Jij zet niet door! Jij maakt nooit iets af! Jij hebt geen discipline!"

Dat verzenden is nog wel een dingetje, qua eventuele verkoop. Want ze wegen natuurlijk nix, maar ze moeten wel gepamperd om een reis tussen zware pakketten te overleven. Brievenbuspakje geen optie!

Maar goed. Na uitgebreid experimenteren heb ik besloten me te beperken tot de modellen die ik echt mooi en helder vind, plus die ook een beetje te doen zijn qua plakkerij. Anders leert Frija wel érg veel lelijke woorden.

Het zijn
1 de diamond shaped box 2 (het schatkistje)
2 diamond shaped box 3 (de circustent)
3 vijfhoekige dipiramide (de edelsteen) (HV 13)
4 icosaëder (de twintig facetten) HV 12
5 octaëder (de dubbele piramide)
6 puntige hendecaëder (de hemelwijs)
7 zeshoekdoosje (de zeshoekige planeet)

Ik wilde ze eigenlijk noemen naar hun officiële wiskundige term, maar die had ik / bestond lang niet voor allemaal. De circustent benoemde zichzelf, en de andere namen heb ik verzonnen. (De hemelwijs door een opmerking van schoonzus die vond dat het net een bakhoor brandertje was.)

Geplaatst in heldinne's vlangers | Getagged | 4 Reacties

341 – het Murmermeer

Terwijl de voorhang weer ondoorzichtig werd, zag ik in een flits schild en draagzak voorbij schieten toen de uil opsteeg. Puciva keek door de kijker en zei: "Ja! Daar gaat ze!"
Ik dacht bij alle uilen automatisch aan 'hij' maar misschien had Puciva gelijk.
"Wat goed van je Kuuks! Om haar hierheen te lokken."
Kuuksi keek me zelfgenoegzaam aan, keek de hut rond, zag dat er niets te halen viel, en sloop weer naar buiten.

Het werd al donker. Puciva bleef door de kijker kijken maar kon niet met zekerheid zeggen of de uil het bootje had bereikt. Ik voelde me zó kaal en onbeschermd! Ik vertelde aan Puciva het verhaal van de draagzak, van het schild, en besefte eens te meer hoeveel meer geluk ik had gehad dan hij. Ook aan Mia dacht ik, even, met schuldgevoel. En waar zou Bo nu zijn? Sinds we elkaar waren kwijtgeraakt, toen we op weg naar Barra de Heerweg moesten oversteken, had ik hem niet meer gezien. Maar over hem voelde ik me niet schuldig, hij was een volwassen man die zijn eigen keuzes maakte. Een verzetter die niet bang hoefde te zijn, die niet zoals ik, of Puciva, voor vervolging hoefde te vrezen om zaken die het eigen wezen raakten.

De stemmen in de eethut werden luider. Even later werd de voorhang bij ons losgeknoopt, en Murk zei: "Het is zover. Kom mee naar het Murmermeer."
Even dacht ik dat hij stotterde. Het me- me- meer. Toen begreep ik. Zoals Middelgront het Graysameer had, zo had Morck het Murmermeer. Ik wist nog maar al te goed wat Murmerflu teweegbracht in mij. Ik huiverde. Het verklaarde wel waarom de kwade uilen zich rondom het meertje ophielden.

We stapten naar buiten, de duisternis in. Murk ging voor, de andere man en de twee vrouwen liepen achter ons aan. Door het mulle zand, over de duinen die hier minder hoog waren dan aan de zeekant, naar het meer dat bedrieglijk glad in het sterrenlicht lag, omringd door dat oehoeënde struikgewas van grootuilen. Ook de voorste bomen van het bos zaten vol uilen.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 4 Reacties

340 – de roeiers

We schrokken op toen dezelfde schrille vrouwenstem weer riep: "Murk!" Avondeten, zij wel. Ik stond op om door de kijker te kijken. In de verte, op de zee, zag ik … ik geloofde mijn ogen niet. "Kom eens, kijk jij eens," zei ik tegen Puciva.
Hij schrok eerst, en toen werd zijn gezicht blij. "Thiarck! De mannen! De roeiers van Thiarchia!" En tegen mij: "Dat klopt ook wel, het is weer bijna nieuwe maan, tijd om de dode meisjes weg te halen."
Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Dat was het ook, in onze wereld. Ik vroeg: "Kunnen we ze laten weten dat wij hier zitten?"

Op dat moment klonk er gescharrel bij de voorhang. Kuuksi stoof naar binnen. Ze mauwde en krabbelde aan mijn voeten, kom, kom naar buiten … Ik gluurde door een kier langs de voorhang en zag daar de uil die ons hierheen geleid had, om het eiland heen. Geen idee hoe ik dat zo zeker wist. Hij stond voor de hut als een schildwacht, rechtop en stil, alleen zijn kop draaide af en toe naar de etenshut. Toen wist ik het: een briefje. Ik grabbelde in de draagzak naar papier, pen en inkt en schreef: Puciva en Yima gevangen op Morck, red ons!

Door de kier hield ik het briefje. Uit alle macht probeerde ik mijn gedachten op de uil over te brengen: naar de zee, naar het bootje, ik wilde dat hij mijn gedachten las, dat hij kon zien wat ik me voorstelde. Het koortsachtige gevoel van je brein te delen met een ander wezen – ik zag wat hij zag. Mijn visioen maar dan uitgebreid met schild en draagzak.

"Stop jouw spullen hierbij," zei ik tegen Puciva. Hij had vrijwel niets bij zich. Wat kleren en sandalen, de rest net als ik in een platte buidel om zijn middel. Ik deed het briefje bovenop en knoopte de tas dicht. Toen schoof ik ze door de voorhang. Alles wat ik aan goederen bezat op deze wereld.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

339 – uilentaal

Vlug terug door de voorhang, ik zat nog na te hijgen van haast en opwinding toen er buiten voetstappen klonken. Stemmen hoorden we ook maar verstaan konden we ze niet. De mensen op Morck - misschien waren het alleen deze twee – spraken uilentaal. Zacht murmelend oehoeden ze tegen elkaar en het voorspelde niets goeds.
Toen we niets meer hoorden, keek Puciva opnieuw door de kijker. Pas toen hij Murk weer in beeld had vroeg hij: "En?"
"De goede uilen zitten in de bomen," zei ik.

Of we iets konden met deze wetenschap? Dat hing ervan af wat de uilentest zou inhouden. Die moesten we wel afwachten, er was nu geen enkele mogelijkheid om van het eiland af te komen, zeker niet met Murk en die andere man die wacht liepen.
Puciva bleef door de kijker kijken, we hoorden weer die voetstappen, dat gemurmel, en ook dat ze weer verder gingen. "Ik wil die andere hutjes bekijken," zei Puciva. "Hou jij Murk in de gaten." Ik gaf hem de Hemrond. Toen ik de mannen weer onze richting uit zag komen, riep ik hem terug.

"En?"
"Die twee naast ons zijn bewoond. Aan die kant …" - hij wees naar rechts – "woont denk ik die andere man. En daar …" – links – "rook ik etensgeuren en hoorde ik twee vrouwenstemmen. Luister maar." Doodstil zaten we, ik hoorde het eerst niet omdat de uilen alles overstemden, maar toen hoorde ik de stemmen ook. Maar jammergenoeg ook in oehoe-taal. We schrokken op toen een van de stemmen heel luid riep: "Murk!"
Door de kijker zagen we de mannen stevig doorlopen. Kennelijk was het etenstijd.

"En de andere hutjes?" vroeg ik zacht.
"Leeg," zei Puciva. "Leeg en vervallen. De voorhang zat stijf dichtgeknoopt, maar er zaten overal gaten." Hij gaf me de Hemrond terug en ik stopte hem weer diep in mijn broekzak. Ik was moe, en mijn schouders deden nog steeds pijn. Stond er maar een bed in dit spartaanse onderkomen. We gingen schrijlings op het bankje zitten met de ruggen tegen elkaar aan en dommelden de middag in.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

338 – de uilen op Morck

Ik begon Puciva te vertellen over alles wat ik had meegemaakt met uilen. De goede uilen op Schorre Clif, de uil die Otta had vermoord, de uil die de broer van Gladefam had gedood, de uilen langs de Heerweg, de uil die door Wasijma als boodschapper was gebruikt, de uil die mij had gered toen ik met Bo onderweg was langs de IJshellingen – en hoe had ik niet kunnen zien dat ook deze uil een boodschapper van de vijand was …

Puciva zei: "Zou je hanger ook werken bij uilen?"
Verrast keek ik hem aan. Dat was een idee! Maar dan moesten we wel naar buiten. Puciva stond op en boog zich naar het vreemde kijkinstrument. Hij slaakte een kreet, en even wachtten we stil of er een reactie zou komen. Maar alles bleef stil. Hij wenkte me, fluisterde: "Kijk dan!"
Met de kijker overzag je het hele eiland tot aan de zee in de verte, en lichter en van dichterbij ook, zo leek het. Het krioelde inderdaad van de uilen, zowel in bomen als rond het meertje. Met zoveel waren ze misselijkmakend, haast even erg als de kluwen van grootvorsen. Zo op het oog waren ze allemaal gelijk, kon je aan de buitenkant niet zien wat goede of kwade uilen waren. Toen zag ik Murk lopen, aan de overkant van het meer, en in gezelschap van een andere man met ook zo'n verenmuts op.

"Nu!" fluisterde ik. Ik hield de Hemrond omhoog, zag de dikke wollen stof doorzichtig worden en stapte door de opening. Ik sloop om het hutje heen. Schemerig was het nog steeds, ik kon nu veel moeilijker zien dan binnen, door die kijker. Het meer glansde een beetje, en met de oevers vol uilen leek het wel door heel dicht struikgewas omringd.
Ik hoorde Puciva binnen roepen: "Opschieten, ze de mannen komen hierheen!"
Ik draaide mijn hanger, moest even moeite doen om het meer goed in beeld te krijgen, ik begreep eerst niet wat ik zag want het donkere bewegende struikgewas was weg. Ik bewoog de hanger iets omhoog en naar rechts en zag in de bomen verschillende uilen zitten.
"Kom!" riep Puciva.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

337 – op Morck

Ronde hutjes waren het, halve ronde bollen, bedekt met veren, omringd door een krans van klimopachtige planten, en voorzien van een ingang met een voorhang. Bovenop de middelste hut, die ook iets groter was dan de andere, was een uitsteeksel. Kon de man hiermee het eiland in de gaten houden?
We volgden hem gedwee naar binnen. Hij stak een lamp aan, zei: "Ga zitten."
We deden onze bagage af en gingen zitten, naast elkaar op een houten bankje, als stoute schoolkinderen. Kuuksi sloop achter mijn benen.

De man deed zijn verenmuts af. Zijn hoofd was helemaal kaal, zijn gezicht glad en bleek, zijn ogen ineens niet meer zo fel. Ik moest me bedwingen om niet het paneeltje van Morck los te knopen, ik wist zeker dat ik zo'n gelaat had afgebeeld.
"Ik ben Murk," deelde hij mee. "Nee, ik wil jullie naam nog niet weten. Vanavond is de uilentest. Tot die tijd blijven jullie hier. En dat beest moet weg." Hij deed een greep naar Kuuksi maar die was hem te snel af, ze schoot naar buiten. Als ze maar uit de klauwen van de uilen wist te blijven!

Toen Murk zich even van ons afkeerde om in een vreemde buis te kijken – dat was dus dat ding dat boven het dak uitstak – haalde ik snel de hanger tevoorschijn.
Murk had geen spiegelbeeld. Of wacht, toch wel. Nee, niet. Hij leek wel een kaarsvlam waar iemand steeds zijn hand voor hield. Hij keek op en ik draaide de hanger snel met de spiegelkant naar binnen. "Jullie blijven hier," herhaalde hij. "In die kan zit water, en achter dat kleed is het gemak." Met die woorden verliet hij de hut en knoopte de voorhang dicht.

Geen eten, geen gastvrijheid op Morck. Zou de reis hier dan leegbloeden? Nu ik al zo dichtbij was? In de hut was het warm, bedompt, schemerig. Buiten klonk het oehoeën van de uilen als één groot, gevaarlijk organisme. Maar er waren ook goede uilen. Murk noemde het "geluk" dat we door hen waren uitgekozen maar misschien mocht ik het als een goed teken beschouwen.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 4 Reacties

336 – aankomst op Morck

We wilden afdalen om in de richting van die hutjes te lopen, maar een uil dwong ons met kalme vleugelslag de andere kant uit. We moesten omlopen via het strand, zoveel was duidelijk. Van het eiland zagen we niets zo, de duinerij omringde het helemaal. Toen we het strand van Blynxtera in het oog kregen, zagen we dat er hier geen loopplank was naar het vasteland. De wachters – nu een vage rode vlek in de verte – wachtten blijkbaar nog steeds tot Folker ons aan hen zou uitleveren. Ik rilde toen ik aan hem dacht. Op het oog zo vriendelijk en behulpzaam maar in zijn handelen puur op eigen veiligheid en gewin gericht. Zo'n grijs spiegelbeeld was blijkbaar minstens zo gevaarlijk als helemaal geen.

De uil die met ons meegevlogen was, daalde neer op de duinenrij en oehoede luid. Ik voelde Kuuksi's pootje in mijn nek, blijkbaar gluurde ze voorzichtig naar het enorme beest dat zo'n zwaar geluid voortbracht. Puciva aaide haar en zei: "Blijf maar mooi zitten Kuuks!"
Even later verscheen er een man met een vreemde muts. Kalm daalde hij naar ons af. De uil kwam naast ons staan, hij kwam bij mij tot borsthoogte.
De man bekeek ons, registreerde onze bebloede schouders, keek naar de uil, en die knikte. Ja, ze zijn hier door ons gebracht.

"Jullie hebben geluk," zei de man. Hij bekeek ons van top tot teen.
"Geluk?" vroeg ik bedeesd.
"Dat de goede uilen jullie verkozen. Hoe heb je ze geroepen?"
Ik wilde al vertellen van de straalzaadjes maar Puciva was me voor. "Ik denk dat ze op de grootvorsen afkwamen."
De man knikte bedachtzaam. Zijn blik gleed naar de rode vlek in de verte. "Problemen op Voocklama?"
"Ik word gezocht," zei ik, weer met dat bedeesde stemmetje.
"We zullen vanavond de uilentest doen," zei de man. "Gedonder met wachters moet ik niet hebben hier. Kom."

We liepen achter hem aan de duinen over. Af en toe keek hij om, het was of zijn hoofd kon draaien als een uilenkop, zijn ogen priemend geel.
Het eiland leek een grote duinpan. Hier vooraan stonden wat hutjes op het overwoekerde zand, verderop zagen we een waterplas met een strook bos aan de oostkant.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

335 – weg van Voocklama (2)

En toen opeens mauwde Kuuksi keihard, zo'n mekkermauw, alsof ze een vogeltje zag. Achteraf kan ik er wel om lachen. De lucht werd bijna helemaal verduisterd door een enorme vlucht grootuilen. Een paar landden op het strand, pikten aan de zaadjes die meteen effect hadden. Waar wij dus niets mee opschoten want gericht vliegen was er voorlopig niet bij voor ze. Wel week de kledderige massa grootvorsen achteruit. Meer uilen landden op het strand, het leek of ze fel in discussie gingen, tot er twee op onze schouders landden. Wat waren ze groot en zwaar! Wat deden hun klauwen pijn, zo zonder harnas!

Het vleugelzwaaien was als de wind, en even later zweefden we door de lucht, over de zee. Ik kon alleen maar hopen dat Kuuksi nog in de draagzak zat, dat ze zich buiten het bereik van die klauwen had genesteld. Rondom ons een en al geflapper en ge-oehoe, wat zouden ze met ons doen als we Morck bereikten? Zouden ze ons naar beneden smijten zoals ik ze al zo vaak had zien doen? Maar Hemren zij dank, ze lieten ons zachtjes neer, zoals destijds op Wyda Moor.

Niet dat Morck ook maar in de verste verte leek op Wyda Moor. Hier geen stad, geen mensen ook, zo leek het. Het was er kil en donker, en precies zoals Puciva verteld had: het krioelde er van de uilen. Mijn schouders deden nog pijn van de uilenklauwen, ik wreef erover en mijn hand werd rood. Nu zag ik het bij Puciva ook, rood van het bloed was zijn tuniek op de schouders. En Kuuks? Ik voelde voorzichtig in mijn nek en gelukkig, ze was er nog. Ze mauwde en wriggelde, maar ik wilde haar niet uit de draagzak laten, veel te gevaarlijk met die beestenboel hier.

"En nu?" vroeg ik.
Puciva keek om zich heen. Ik volgde zijn blik. Liep er een pad door de duinen? Op onze hoede waadden we door het mulle zand, het duin op, zodat we iets meer overzicht hadden. Waren dat hutjes in de verte?

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

de puntige hendecaëder

Ik heb op Pinterest een bord 3D-figuren aangemaakt, en dan krijg je steeds meer moois. Ik was weg van zo'n mooie lamp die schaduwpatronen op de muur werpt, van die vorm, en hoe heette die?

Lampverkopers noemen het een diamantvorm, maar als je daar op googelt krijg je heel andere vormen. Ik op Fb, Twitter en Mastodon gevraagd of iemand wist hoe deze vorm heette, de echte wiskundige term dan, zodat ik misschien ergens een template (bouwplaat, patroon) kon vinden.
Intussen probeerde ik zelf een template te maken. Dat leverder verrassende vormen op, maar niet de gewenste!

Wel was er iemand op Fb die bedacht dat het een hendecaëder (elfvlak) zou moeten heten, maar ook die term leverde niet de goede vorm op, niet op Polyhedra.net en ook niet in het Engels.

Intussen was een Mastodonvriendin veel praktischer aan de slag gegaan. Gewoon de vlakken van de lamp uitknippen en naast elkaar leggen. Wonderlijk hoe dan opeens het licht aangaat! Met haar voorbeeld kon ik dan eindelijk een template maken, en het resultaat was geweldig. Ik heb voor haar de eerst 'echte' gemaakt. Ik noem het nu maar de Puntige Hendecaëder en ik weet nu al dat het een van mijn favoriete Vlangervormen gaat worden.

Geplaatst in heldinne's vlangers | Getagged , | 2 Reacties

334 – weg van Voocklama

En opeens wist ik wat Kuuksi bedoelde. Dronken, lachende uilen … Het was onze enige kans. Ik deed de zaadjes in mijn spiegelpotje zodat ze meer voor het grijpen waren, deed ook de Hemrond in mijn broekzak en pakte de buidel weer in, Graysaflu bovenop. Laarzen aan, mantels om, schild vastmaken … "Kom," fluisterde ik tegen Puciva. Ik hield de Hemrond omhoog en - Hemrenzijdank - de tussenmuur was maar dun, Kuuksi glipte voor ons uit de volgende kamer in, wij er achteraan, naar de volgende kamer, en de volgende, tot we het einde van de vleugel bereikt hadden. We gluurden om de hoek van de deur de gang in, er was nog niemand te zien en er was wel een smalle trap naar beneden.

Ik liet twee druppen Graysaflu op mijn tong vallen en zei Puciva hetzelfde te doen. Het was te weinig om helemaal onzichtbaar te worden, maar we werden grijzig en onopvallend, het moest genoeg zijn. Achter de huisjes langs slopen we naar het noordelijke strand. Verbeeldde ik het me, of kon je Morck al zien liggen van hier?

Ik verbeeldde me zelfs dat ik die donkere wemeling kon zien, en een zwaar en diep ge-oehoe kon horen. Kuuksi klauwde aan mijn broekzak tot ik het potje met de zaadjes had gepakt. Toen klom ze bij me omhoog en kroop in de draagzak. Ik streek een stukje zand glad en strooide daar een paar straalzaadjes op uit.

Puciva stond schuin achter me, hij tikte me op mijn rug, ik draaide me om en tegelijk hoorde ik al wat hij bedoelde, een angstwekkend bewegen en kwaken dat het strand naderde, glibberiggroene poten die door het water maaiden en vervolgens het strand op kropen. Kuuksi blies en gromde maar ze was veel te klein om de grootvorsen angst aan te jagen. Ik schudde nog wat straalzaadjes op mijn hand en wierp ze tussen de krioelende lijven. Maar de grootvorsen wilden vlees, geen straalzaad. Als één groot organisme woelden ze naar ons toe. Springen, zoals gewone kikkers of padden, konden ze blijkbaar niet. Puciva ging voor me staan, zijn armen wijd gespreid, alsof hij me zo redden kon van dat zompige sluipbeest dat steeds dichterbij kwam.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen