200 – naar Harstamar

Ik liep verder over de Heerweg, dat besef was zo wonderlijk. Dat Vulema hier langsgegaan was, net als alle Tweede Meisjes uit Dunkitaba en de rest van Registana. Ik wist niet of de regels van Barraspira voor heel Lopweteka golden. Maar zelfs daarvandaan gingen sommige Tweede Meisjes deze weg. Ik liep hier nu als een Blauwe, terwijl ik nog steeds geen idee had wat dat inhield. Het redwerk, waar je beslist lid van moest zijn.

Een kar ratelde langszij, het paard stopte vlak voor me, de voerman vroeg: "Wilt u mee?"
De beleefdheid waarmee ze me aanspraken!
"Graag," zei ik. Ik klom erbij in de kar, Kuuksi sprong me achterna, en daar gingen we. Langzamerhand werd het rustiger langs de weg, we lieten de bebouwing achter ons. Als ik omhoog keek zag ik de Schaduw, met links en rechts de sterrenhemel. Hoe ver zou het zijn naar Harstamar?

Toch begreep ik iets niet. Als het waar was wat de blauwe vrouw in het bos ons had verteld, dat het redwerk een keten van verzetsgroepen was, waarom werd ik dan met zoveel ontzag behandeld? Klopte het wel, van die bewoners in het vrije westen? Aan welke kant stonden de blauwen werkelijk?
Kuuksi had zich opgekruld aan mijn voeten en ik begon te knikkebollen.

Na een paar uur maakte de voerman me wakker.
"Wilt u naar het hoofdkwartier?"
Ik keek om me heen. In de lichte nacht zag ik aan de rechterkant aan het eind van een soort oprijlaan een hoge stadspoort van licht gesteente, zo breed dat de kar er makkelijk doorheen kon rijden. Zo snel ik kon, ontkreukelde ik mezelf en klom uit de kar.
"Hoeveel ben ik u schuldig?"
Hij keek me verbaasd aan, alsof een Blauwe normaal niet betaalde. Ik drukte gauw een munt in zijn hand en liep zo vastberaden mogelijk richting de poort, tussen de zuilengalerijen door die de oprijlaan flankeerden. Ik hoorde hoe de kar omkeerde en aan de terugweg begon.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 4 Reacties

199 – een geborduurd nummer

Ze legde mijn broek en hemd en mismaakte hoofddoek op het bed. De blauwe tuniek hield ze omhoog bij de schouders. Aan de binnenkant van de halsopening was een teken geborduurd met donkerblauw garen. Een nummer, zag ik, toen ze dichterbij kwam.
"Ik ken dat nummer," zei de meid. "Wij wassen hier voor meer mensen."
Ik besloot zo dicht mogelijk bij de waarheid te blijven. "Ik heb het gestolen, afgelopen nacht. Ik was overvallen, ik had het zo koud."
"Bent u dan geen Blauwe?"
"Natuurlijk wel!" zei ik zo koninklijk mogelijk. "Er is een gevangenisuitbraak geweest in Barraspira, je hebt geen idee wat voor volk er door het bos loopt, er is zelfs een Blauwe vermoord."
Ze leek me te geloven, maar echt veilig voelde ik me niet.
"Ik moet verslag doen in Harstamar," zei ik. "Sfogman verwacht mij."
Dat leek indruk te maken. Ze liet me alleen zodat ik me kon aankleden. Ik peuterde het borduursel uit de tuniek. Buiten was het alweer donker, zag ik door de half openstaande luiken. Wat moest ik doen? Hier overnachten? Naar beneden gaan durfde ik ook nauwelijks, al deden geuren van vlees en stoofpotten me watertanden.
"Mauw!"
Kuuksi op de vensterbank, hoe was ze daar in Hemrensnaam gekomen? Ik keek uit het raam, mijn kamer keek uit op de tuin en lag vlak naast de muur eromheen. Kuuksi deed me voor hoe je op de muur kon springen, als je tenminsten een kat was. Maar gelijk had ze wel. Ik legde een paar Hem op het bed en klom uit het raam. Voorzichtig liet ik me zakken tot ik met een zwaai van mijn benen de muur bereikte, ik wiebelde even vervaarlijk heen en weer en sprong er toen aan de buitenkant af.
De avond was vol gepraat, geratel van karren, etensgeuren. Marktkraampjes waren open, ik kon sandalen kopen en een nieuwe (blauwe) doek voor om mijn hoofd. Wat had ik nog meer nodig? Een tas, een waterzak, een kom, een mes. Wat pasteitjes kocht ik, en de waterzak kon ik vullen bij een pomp.
En nu?

PS
Na een goede raad van Ferrara heb ik besloten vanaf nu een aflevering van het feuilleton te plaatsen op maandag, woensdag, vrijdag en zondag. Dat geeft wat lucht in deze tijden van Sinterklaasgedichten en verhaspelcolumns, en dan kan ik ook weer wat makkelijker een creatief blogje of een boekrecensie plaatsen. Tot woensdag dus!

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 6 Reacties

198 – de herberg

"Ik ben overvallen en beroofd," zei ik, mijn toon even die van Yima de prinses.
Hij stak me een hand toe en trok me overeind. "Kom maar mee, dan kunt u zich wassen en ook wat eten."
Via een achterpoort gingen we de herberg binnen. Er zaten al wat reizigers aan het ontbijt, ik rook brood, thee, fruit, kaas … Maar de herbergier sluisde me door naar een dienstmeid, die me voorging een smalle trap op naar een gang met deuren waarvan er al verschillende open stonden. Een van de kamers was al in orde gemaakt.
"Ik zal water halen. Wilt u uw kleren gewassen hebben?"
Ik dacht aan mijn verrukking, zoveel maanjaren geleden in Barraspira, de luxe en vooral het schoon zijn. "Heel graag," zei ik.

Het was maar een eenvoudige herberg maar wat was ik er blij mee. Piekeren over wat het hier betekende om een Blauwe te zijn schoof ik voor me uit. Eerst wassen, de geur van zeep, de zachtheid van badolie op mijn uitgedroogde huid, en dan een lange witte jurk van grof linnen, en houten kleppers aan mijn voeten die nog steeds een beetje rood waren.
De meid kwam terug om het vuile water en mijn vieze kleren op te halen. Ze vroeg: "Zal ik het ontbijt hier brengen?"
"Heel graag," zei ik weer.

Er zijn van die maaltijden die je eeuwig bijblijven. Dit was er zoeen: het knapperige brood, de sappige bessen, de harde, zoute kaas, de zoete thee … En ik had geld. Ik kon ervoor betalen en ik zou geen honger meer lijden. Voorlopig, tenminste.
Na het eten liet ik me zakken op het bed. Ik moet heel lang geslapen hebben, toen er op de deur geklopt werd begon het alweer te schemeren.
"De was is droog," zei de meid. "Maar ik heb een vraag." Ze keek een beetje schichtig achterom de gang in en deed toen de deur achter zich dicht.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 3 Reacties

197 – afscheid

Gladefam pakte mijn handen. "Wees voorzichtig. We zijn niet voor niets ontkomen, jij en ik. We hebben een taak te vervullen."
Toen ze het zei wist ik dat het waar was. Hoewel ik nog steeds niet verder kon denken dan Mia en Bo, plantten haar woorden een zaadje.

Ik keek ze na tot ze oplosten in het donker. In mijn linker broekzak voelde ik het pakketje met de Hemrond, ik wist niet zeker of ik het per ongeluk of met opzet gehouden had. Nu was ik weer alleen. Nee hoor, zei Kuuksi, ze draaide een rondje om mijn benen. Mijn waakpoes. Ik besloot om eerst aan de rechterkant van de Heerweg te blijven, om achter de gebouwen langs te lopen, als een dief in de nacht – en ik wist ook meteen wat ik stelen moest. Schoenen, een lange tuniek, en iets om mijn haren te bedekken. En eten, zeurde mijn maag. Al lag er maar een oud brood ergens.

In het donker waren alle kleuren leeggebloed. Aan een waslijn achter wat waarschijnlijk een herberg was, hing een vale, lange bloes. Ik griste hem van de lijn, hield hem even voor me langs, hij was groot genoeg. Gauw sjorde ik mijn vieze rode mannentuniek over mijn hoofd en trok het ding aan, het rook naar wierook. Ik wilde de rode bloes wegsmijten maar bedacht me. Ik scheurde de mouwen eraf, trok een zijnaad los en ik had een hoofdbedekking.
Brood vond ik niet, en op een gegeven moment kon ik niet meer. Achter een stekelstruik ging ik liggen, Kuuksi kroop tegen me aan, en we sliepen.

Ik werd wakker doordat iemand me schopte en riep: "Zeg smerige zwerfster, oprotten, het is hier een fatsoenlijke … " en toen stil viel. "Neem me niet kwalijk, ik had niet gezien …"
Slaapdronken en verbaasd keek ik hem aan, een dikke, welvarende herbergier, zo schatte ik hem in. Ik keek naar mezelf en zag dat ik een blauwe tuniek droeg.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

196 – de Heerweg

Vol ongeloof aanschouwde ik nu de grote afgeplatte keien met sporen van karrewielen, in de verte geflankeerd door zuilengalerijen langs de kant, en bouwsels die waarschijnlijk herbergen waren of winkeltjes, en marktkraampjes waar je overdag hopelijk etenswaren kon kopen. Op allevier de hoeken van de kruising stonden wachthuisjes. Ik kon niet zien of ze bemand waren. Was het veilig om via de Heerweg naar Harstamar te lopen?

Achter ons de uitlopers van het bos, voor ons, ten westen van de Heerweg, een kale, licht golvende steppe die in het maanlicht wel een zee leek. We waren hongerig en moe, we moesten slapen – of konden we juist beter van de nacht profiteren? Kuuksi was al een stukje op weg, ze was al buiten de Schaduw van de Rondweg, ze ging zitten en wachtte.

"Ik wil eigenlijk niet mee," zei Burman.
Ik schrok. Ik had me zo'n stuk veiliger gevoeld met hem erbij!
"Ik wil naar Ukufila," zei Burman. "Als tweede Otta ergens is, dan daar. Of in elk geval is de kans het grootst dat ze daar iets van haar weten. Dus ik wil de Rondweg blijven volgen."
We keken omhoog. De Schaduwen leken te bewegen, soms was de ene onder, dan de andere.

"Mag ik met je mee?" vroeg Gladefam. "Geruman en ik hebben geprobeerd ons kleine zusje uit Barraspira te smokkelen. Ik weet niet of het gelukt is, we werden al opgepakt voor we haar aan iemand konden geven. Geruman verzette zich en in het gevecht dat uitbrak griste iemand haar uit mijn handen. Maar ik heb het mijn broer beloofd …"

Ik weet niet of Burman er blij mee was. Hij zei kortaf: "Goed." Het was ook niet iets wat je kon weigeren. "Heb je geld?" vroeg hij aan mij.
Ik graaide in mijn broekzak en liet hem mijn handvol munten zien. Hij gaf me er nog een handje bij en kuste me op mijn wang. "Dankjewel voor alles, Yimama."
"Oh jongen, jíj bedankt. Jij hebt mij gered!"
Hij keek verlegen weg. Voegde er dan aan toe: "Groet Mia en Bo van mij."

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

195 – de Heerweg

We namen alle drie een drup. In mijn mond voelde het als een grote slok van een zoete, bittere, zure, prikkelende drank, de prikkeling zette zich voort in mijn hoofd en naar mijn armen. Ik wilde ook de boom in rauzen, of wegrennen, of schreeuwen! Even dansten we alsof het feest was, we moesten lachen, we beseften dat we hier van moesten profiteren om zo ver mogelijk te komen. We volgden de Schaduw, steeds verder bij de rivier vandaan. Het bos werd nog dunner en op een gegeven moment zagen we – het schemerde al - in de verte de Schaduw van de Heerweg.

Ik weet nog goed hoeveel indruk het op me maakte toen we de kruising bereikten. Het was midden in de nacht, de kruisende Schaduwen ontnamen ons het zicht op de sterrenhemel. Hier moest je kiezen: de Rondweg of de Heerweg. Er waren geen uilen – of misschien zagen we ze gewoon niet door de dubbele Schaduw. Hier was een kruising, hier kon je een besluit nemen: die kant uit of die kant uit. Ik dacht aan wat Va me vroeger vertelde, als ik bij hem in de werkplaats zat om zijn beitels te slijpen.
"Hebotva de Eerste bouwde Dunkitaba zo, dat er geen kruispunten waren. Geen vraagtekens, geen keuze, geen twijfel."

De Rondweg was geen echte weg geweest. Ik bedoel: we volgden de Schaduw, maar op de grond zag je niets: geen plaveisel, geen verhoogde zijkanten, geen zuilen of bomen of huizen. Niets.
Maar de Heerweg die daar in het maanlicht lag, was tot mijn verbazing een echte, kaarsrechte weg. Omdat hij in het zuiden pas begon in de hoofdstad van Registana, Nuktatharsta, dachten we – leerden wij in Dunkitaba – dat het geen echte weg was. We konden ons geen echte weg voorstellen. Wegen in de woestijn waaien immers altijd weg. Misschien was het ook om ons bang te maken, zodat we het niet in ons hoofd haalden om de Tweede Meisjes te volgen.
Op mijn huwelijksreis was ik wel in Nuktatharsta geweest, maar behalve het officiële begin, op het grote plein van de stad, had ik niets van de Heerweg gezien.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

194 – waterplatenbloed (2)

Nu was het zaak om eerst de Schaduw weer te bereiken. Het bos was aan deze kant van de rivier een stuk armetieriger. Voorbode van het lege kwartier? Ik was mijn konijnevellen kwijtgeraakt maar mijn voeten voelden minder kwetsbaar, alsof het plantenbloed er een beschermend laagje overheen had gelegd.
"Wacht even," zei ik. Voorzichtig liet ik me weer bij de oever neerglijden. Met een hand aan de boomwortel en een voet op de waterplaat, slaagde ik erin om het Murmerfluflesje te vullen met het bloed uit de stengel. Ik drukte de stop goed aan, stak het in mijn broekzak en klom weer omhoog.
Ik liet mijn hand aan de anderen zien. Er was alleen nog een rond litteken overgebleven.

We moesten vaak rusten onderweg, de rivieravonturen hadden veel energie gekost en er was aan deze kant minder te eten, er waren minder beekjes. Steeds als we zaten, pakte Burman zijn mes en om het uiteinde van zijn staf tot een scherpe punt te snijden. Vissen spietsen, een konijntje misschien wel … We verzonnen de heerlijkste maaltijden en het kostte steeds meer moeite om op te staan en verder te gaan.

"Kunnen we dat plantenbloed ook drinken?" vroeg Burman, toen we eindelijk de Schaduw bereikt hadden.
Het was een idee. Mijn voeten voelden beduidend beter dan de rest van mijn lichaam en mijn hand voelde haast blij! Ik haalde het flesje tevoorschijn, maakte het open en riep Kuuksi. Ze zat boven in een boom, vogeltjes kwetterden verontrust, ze kwam met tegenzin naar beneden.
"Ruik eens?"

Haar neusje boven de opening. Als ze iets vies vond of het niet vertrouwde, liet ze dat duidelijk merken. Nu wilde ze haar tong erin steken, maar de opening was te smal. Ik deed een piepklein drupje op mijn vinger, en haar ruwe tongetje wilde niet meer stoppen met likken. Ik keek in haar ogen, ze keek terug en ik kreeg het gevoel dat er een mens verstopt zat in dat hoofdje, zoveel wijsheid en begrip. Toen rausde ze weer helemaal poes de boom in.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

193 – waterplatenbloed

De helgaviaal liep nog stug door maar het ging steeds langzamer. Als het geen menseneters waren, waarom volgde hij ons dan? Zou het het bloed uit de stengels zijn?
"We moeten de platen omkeren," zei ik tegen Gladefam. "Niet met de stengel in het water, bedoel ik."
Het kostte moeite, ze waren zo zwaar en onhandig, maar het lukte. We duwden ze van de oever het water in en stapten op de rooddooraderde onderkant, die een beetje bol stond en ook niet zo'n mooi opstaand randje had. Kuuksi sprong me na en zette haar klauwtjes in het blad. We waren helemaal aan de stroming overgeleverd, want peddelen met onze armen durfden we niet aan.

Door de ondiepe stukken ging het goed, al dreven we meteen nog veel verder af, ik zag Burman meehollen op de kant. Sommige stukken moesten we weer slepen, we kregen water aan onze handen en voetzolen, die doof en ijskoud werden. In het diepe stuk werden we meegesleept, het spatte en bruiste en ik voelde hoe de wilskracht uit me vloeide. Heel even liet ik me drijven, onder een hoge, blauwe, zonnige hemel … die opeens vol grootuilen was! Weg hier!

De stroming boog af, bereikte een steile oever, ik kon me vastklampen aan een boomwortel. Kuuksi sprong over me heen aan land, ik gooide de laarzen en het mes achter haar aan. Burman stak me zijn staf toe. Ik kon hem nauwelijks vasthouden, zo krachteloos waren mijn handen.
Even verderop spoelde Gladefam aan. "Houd vast!" schreeuwde Burman. Het water bruiste en de lucht was vol zware oehoegeluiden. Ik kon me maar nauwelijks staande houden op het blad, het wiebelde in de stroming en het bloed kwam nu niet alleen uit de steel, maar ook uit de aderen.

Het druppelde over mijn voeten en ik voelde hoe de koude gevoelloosheid week. Met mijn linkerhand hield ik Burmans stok vast, de andere – de hand met het gat - doopte ik in het open gat van de stengel. De kracht keerde terug! Zie je het, Gladefam? Ik hield mijn hand omhoog en kon niet geloven wat ik zag: het gat trok dicht!

Met rode handen en voeten bereikten we uiteindelijk de oever. Zo snel we konden renden we het bos aan de overkant in. Het was niet veilig om langs de oever terug te lopen naar de Rondweg.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 4 Reacties

192 – waterplaten (2)

"Jullie nemen elk een blad," besliste Burman. "Voor mij is het niet erg als ik water binnenkrijg. Denk ik."
"Maar kun je dan zwemmen?" vroeg ik verbaasd.
"We kregen zwemles op school. In de haven," zei hij.
Daar had Bo me nooit van verteld.

Ik keek het water over. In het midden was een breed, diep stuk. Verder was het ondiep, en zand- of grindbanken staken boven water uit. We zouden sommige stukjes moeten lopen, zou dat kwaad kunnen?
"Ik ga eerst," zei Burman. "Dan weet ik hoe de stroming is, en waar jullie ongeveer uitkomen."
"En als er helgavialen opduiken?"
"Ik denk niet dat ze mensen eten," zei Gladefam. "Ze verdedigen alleen hun territorium."
Hoe dan ook, we moesten het er op wagen. We waren al veel te lang uit de schaduw, ik keek steeds omhoog of er geen grootuilen vlogen.

Burman deed zijn laarzen uit en gaf ze aan mij. "Houd ze droog en pas goed op het mes!" Ook haalde hij de Hemrond uit zijn zak. Met een gevoel van afgrijzen nam ik het viezige pakketje aan en legde het alvast op mijn plaat. Kuuksi kwam er nieuwsgierig aan snuffelen. Toen keek ze de kant uit waar we vandaan gekomen waren en zette al haar stekels op. In het rode spoor dat de bladeren hadden getrokken toen we ze achter ons aan sleepten, kwam de helgaviaal ons achterna. Hij liep moeilijk op die doorzakkende poten maar kwam toch akelig snel dichterbij.

Burman wachtte niet langer en stapte de rivier in met zijn herdersstaf. Hij zwom stukjes, liep over de zandbanken, tot hij bij de snelle, diepe middenstroom kwam. Hemren zegene de greep, er was geen keus. Het duurde akelig lang voor we, een heel eind verderop, zijn hoofd weer zagen verschijnen, en zijn lichaam, en een wandelende Burman die uiteindelijk veilig de andere oever had bereikt.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

191 – de helgaviaal

Bij het eerste sneetje begon de stengel te bloeden, het water in de poel kleurde donkkerrood en begon te kolken, opeens kwam een enorme bek het water uit, zoveel tanden! Het beest van mijn paneeltje! We deinsden allemaal net op tijd achteruit, maar ik slaagde erin het blad niet los te laten, de stengel brak en ik sleepte het met me mee de kant op.

"Dat is één," zei Burman verbeten, het mes opnieuw in de aanslag. Van de helgaviaal staken alleen de ogen boven het water uit, hij gluurde vals en vraatzuchtig naar ons. Wij zaten doodstil, maar Kuuksi niet. Zij sprong dwaas heen en weer, alsof ze een slang zag, een beest dat ze niet kende maar wel wilde onderzoeken. De ogen van de helgaviaal draaiden haar kant uit en vlug haakte Burman nog een blad naar zich toe. Net voor de grote bek toehapte hadden we het op de kant gesleept. Nu nog maar een!

Opeens bedacht ik iets. Zou het helpen om hem het flesje Murmerflu – intussen half leeg – in de bek te gooien? Was het dan mijn moordlust of de zijne?
"Ik kan me niet voorstellen dat de flu's op dieren werken," zei Gladefam. "Dan zouden hier toch allemaal willoze vissen ronddrijven."
Moest ik het dan zelf nemen? Genoeg moorddadigheid opwekken om zo'n beest aan te kunnen? Mijn handen kromden zich toen ik het voorstelde. Hoe slecht ook, het was een gevoel van kracht dat heel prettig was.

Maar Burman en Gladefam zeiden tegelijk: "Nee." Gladefam pakte me vast en graaide het flesje uit mijn broekzak.
"Geef het maar aan het beest, dan ben jij het kwijt," zei ze.
"Maar als ik het nog nodig heb?"
"Het is niet de goede manier," zei ze.
Burman knikte instemmend. Hij stak zijn stok in het water en toen de grote bek opnieuw, als een enorme fontein, boven water spoot, klaar om toe te happen, wilde Gladefam het flesje erin gooien.
"Wacht!" riep ik. "Laten we het flesje bewaren!"
Met een paar ferme armbewegingen schudde ze het leeg. Ik weet niet of alles in de bek van het beest terecht kwam, er gebeurde in elk geval niets, hij merkte het niet eens. Ik voelde me slap en opgelucht, als na een erge ziekte.

Kuuksi was intussen verder gewandeld, nog een stuk naar het zuiden waar de rivier nog slomer en wijder kabbelde. Wij volgden, de twee platen achter ons aan slepend.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 3 Reacties