319 – op weg naar Voocklama

Ik liep over het strand, Kuuksi – Quxi – voor me uit huppelend. Ik liep op het ritme van het nieuwe Rotsvadmijn, het bleef door mijn hoofd zoemen, Kuu Rots Vadmijnkluwz, Ghef Bee Pyc Xie, toen ik het luidop zei leek het of Kuuksi – ik ben het in mijn hoofd altijd zo blijven schrijven – het drievoudig huppeltje van Vadmijnkluwz in die eerste zin meedeed. We maakten er een dansspelletje van, een twee een-twee-drie, een twee drie vier, waarbij we die laatste vier passen hard stampten in het natte zand langs de vloedlijn.

Tot Kuuksi zich omdraaide en stokstijf bleef staan, haar rug gekromd. Ik keek achterom en zag aan het eind van onze voetstappenketting iemand lopen.

We waren nog niet zo'n steenmannetje tegengekomen, ik had nog geen opgang gezien in de rotswand, ik had er ook helemaal niet op gelet. De ondiepe grotten die er af en toe waren, zouden geen bescherming bieden, Graysaflu had ik nauwelijks meer, zou ik Murmerflu moeten nemen? Maar ik wilde het niet, ik wilde zo graag Yima van Yima zijn en huppelen over het strand. Ik nam Kuuksi op de arm en wachtte, mijn andere hand om de spiegelhanger gesloten.

De figuur kwam dichterbij, hij moest wel bijna rennen, zo snel werd hij groter en algauw meende ik hem te herkennen. De roeier, de man van het Dodeneiland. Toen hij eindelijk, hijgend, voor me stond, moest hij eerst wat water drinken voordat hij spreken kon. Ik hield mijn hanger omhoog, schuin voor zijn gezicht, en ik zag het duidelijk weerspiegeld. Ten overvloede sprong Kuuksi op de grond en kringelde om zijn benen.

"Ha beest, heb je het vrouwtje teruggevonden?" En tegen mij: "ik heb haar eerder gezien, op het strand van Barra, overal snuffelend en mauwend, tot ze een keer een trap van iemand kreeg, van een vrouw nog wel …"
Wasijma, dacht ik.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

318 – Queexta (2)

"Kom," zei Qanma. "We gaan nog even aan land. Ik zal je wijzen waar de opgangen zijn." En op mijn vragende blik: "Waar je vanaf het strand omhoog kunt."
Ik volgde haar over de verende loopplank. Ze wees me op een paar steenstapels die op het strand waren gelegd, steenmannetjes noemde Qanma ze. In een rechte lijn daarachter was in de rotsmuur een trap uitgehakt. Het was haast niet te zien, de rotswand was zelf zo grillig en vol lijnen dat de treden er helemaal in wegvielen.

Morgen zou ik weer vertrekken, mijn Queexta vervolgen, maar zou ik veilig zijn? Zouden de wachters me hier durven volgen? Of júist hier, nu ik de Heerlijkheid der Heerlijkheden zou gaan bezoedelen met mijn tegendraadse ideeën? En zou Koyova een bedreiging vormen, nu ik zijn ware aard had ontmaskerd? De verzetters stonden aan de goede kant maar het waren geen geweldloze lieverdjes. Zou er nog ooit een tijd komen dat ik niet op mijn hoede hoefde te zijn?

Na het heerlijke avondmaal waste ik mezelf nog eens helemaal. Mijn kleren waren intussen droog, de smerige geur van de dood was verdwenen. Ik kon weer met een schone plaquette op pad. En met een enorme hoeveelheid extra kennis, waar ik onderweg op kon kauwen. Hoe simpel het was om met een paar letters een hele taal te manipuleren. Hoe belangrijk een naam was. Hoe Queexta was hernoemd tot Inhemren, een naam die uitdrukte wat voor land dit was. In Hemren. In Hem.

Het zou ook weer twee volle dagen lopen zijn naar Voocklama. Ik vroeg aan Qanma wat me daar te wachten zou staan, maar ze wilde het niet vertellen. "Je moet je eigen indrukken vormen en vertrouwen op je eigen waarneming, zonder vooringenomenheid. Wat zegt je schild?"
Ze moest lachen toen ik haar het paneeltje liet zien. "Hoe kom je erop?"
Ik had geen idee. Ik wist niet eens wat ik had afgebeeld. Een vreemd beest met een vreemd ding in zijn poten tegen een achtergrond van vreemde tekentjes. Ik had echt geen idee.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

317 – de andere letter (2)

Het was alsof Qanma al die uitroepen gehoord had. Ze kwam binnen en vroeg meteen: "Heb je de andere geheime letter gevonden? De X?"
Ze sprak het uit als 'ksie.'
Ik knikte. "Waarom is die dan verboden?"
Ze schonk thee in voor ons allebei en kwam op een laag krukje naast mijn bed zitten.
"Is het niet wonderlijk hoe je als jong meisje al wist dat je kat Quxi heette?"
Ik had altijd gedacht dat ik haar zo noemde omdat ze bijna in de waterput was gekukeld, daar op het grote plein in Dunkitaba.

"Quxi betekent: de vrouw op het kruispunt. De letter X staat voor het kruispunt. Het punt waarop je zelf de richting kiest die je wilt gaan. Iets wat volgens de regels van Inhemren natuurlijk niet kan."
Ik dacht na, mijn gedachten nog steeds in Dunkitaba. Een stadje zonder kruispunten. Waar niets te kiezen viel. Wat aan een kant een gevoel van veiligheid gaf, maar aan de andere kant dodelijk was voor iemand die zich om wat voor reden dan ook aan die regels wilde onttrekken. Zoals mijn lieve broer.

En ik zei tegen Qanma: "Ik wist zovéél destijds. Maar zonder het te beseffen. Alles wat ik weergaf op de paneeltjes van mijn schild is uitgekomen. Kijk maar, jij staat er ook op." Ik toonde haar het paneeltje van Qlusewar.
Ze keek me aan, vol verwondering en bewondering.
"Wil je het hebben?" vroeg ik.
"Zullen we ruilen?" vroeg zij.

Ze had zo'n spiegelhanger voor me gemaakt. Er was een gezichtje op aangebracht en aan de achterkant zat een oogje waaraan ik hem – haar – kon ophangen. Ik maakte het paneeltje van Qlusewar los en gebruikte het mooie gevlochten touwtje om het spiegeltje om mijn nek te hangen. Qanma bekeek het paneeltje aandachtig.
"Zie je die kat? Zie je de vorm daarachter? Dat is toch een Q?"
Ze had gelijk. Op de een of andere manier had ik ook dat voorzien.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

VERHASPELCOLUMN 2022

uit de losse vinger

alle verhaspelingen zoals ieder jaar opgetekend uit de mond van sprekers op radio en televisie (met dank voor de ingezonden bijdragen!)

Wat strijkt de tijd voorbij! Het was de wens van mijn verwachting dat ik na twee jaren niet weer de noodklok hoefde te slaan, maar helaas staan ook nu alle alarmbellen weer op rood. Ik ben me alert dat dit irritaties kan opwakkeren, dat het werkt als een lap op een rode stier, en geloof me, ik zie er als een baksteen tegenop, maar het maakt mij zoveel zorgen!

Zo is er nog altijd de pandemie om rekenschap mee te houden. Ik tril soms als een wespennest als ik met mijn mondkapje op een winkel betreed. Ik loop er dan ook niet de vloer plat! Het overgrote merendeel van de mensen is er met de kippen bij om een oordeel te vijlen, terwijl het als een huis boven water staat dat mondkapjes heel wat nood zouden kunnen ledigen. Er wordt mij voor de voeten geschoven dat ik laag verstandelijk beperkt ben, voor de neus geen knip waard, en moraal failliet. Bijna niemand gaat nog op de barrière, en zij die de noodklok slaan worden met rotte vis uitgemaakt.

Verder lijkt de wereld opeens vol van leiders die excellereren in oorlog. Vol gas op de plank vlogen straaljagers van Russische makelaardij naar de grenzen van Europa. Ons land stond op zijn achterste: was dit de wortel aan de bijl van de democratie? Liep de democratie op zijn achterste benen?
Mooi was wel hoe voor Oekraïense vluchtelingen met stel en sprong ruimte werd gemaakt. Met kook en stromend water, met hang- en vliegwerk, werd het onderste uit de kast gehaald om als de wiedeweer koppen met spijkers te slaan. Deze oorlogsvluchtelingen ontwaakten wél iets in ons. Zo'n ellende, daar was menig huishouden opgewassen. Op gastvrijheid werd niet geknibbeld, ieder zette de schouders erachter en de vluchtelingen vlogen ons om de armen.

Toch kwam mijn rechtvaardigheidsgevoel in opspraak. Ik stelde me de vraag af waarom we voor vluchtelingen uit andere landen op onechtelijke gronden de vinger op de knip houden. Ik wil echt niet op alles een slak leggen, maar na de veronthutsende beelden uit Ter Apel dacht ik wel: waarom komen zij niet aan het bod? Waarom krijgen we voor die mensen geen opvang bolgewerkt?
Ze hoeven echt niet meteen een zuurstofroze bedje van alcapahaar, en ik begrijp ook de Nederlanders die van een minima moeten leven, maar we kunnen niet om de feiten heenlopen en maar door blijven gaan met aanpappen en nathouden.

Intussen hebben rap van de tong gesneden politici hier garen bij gespint. We hoeven er niet mysterisch over te doen: het is zo waar als een koe dat de politiek niet overbloeit van liefde. De een loopt onvergelijkt weg, de ander steekt van leer tegen zijn tegenknie, weer een ander roert op de trom en spitst zijn toespraak af op extreem-rechts. Als stemmentrekkerij je enige criteria is, hoef je niet wiskundig ingelegd te zijn of überhaupt iets in je marge te hebben om met de scepter te zwaaien.

Was er dan helemaal geen vreugde in 2022? Zit er niets anders op dan de rit uitzingen en je erin berusten dat het gedaan is met je autonomiteit, dat je in een pan met water op het vuur staat, gelijk de legendarische kikvorst? Dat niemand je nog een handuitreiking of een duwtje in de goede rug zal geven? Natuurlijk wel. Het is zaak om schoonheid en kunst je belangrijkste drijvende veren te laten zijn.
Om niet de hand aan jezelf te leggen maar te zorgen voor de vermeerdering van het goede in de wereld, of je nu een beeldhouder of een verwend fotograaf bent, of je nu goed bent in composeren of in het organiseren van once in a timelife events.
Laat skepticisme niet op het puntje van je lippen liggen, maar verhaal van je fascinaties zonder een slag onder je arm of de hand op de rem. Dan slaat de vlam weer in de pijp. Bewijs jezelf en de wereld de laatste dienst vóór je ter aarde gesteld wordt!

Geplaatst in schrijven, tijdgeest | Getagged | 19 Reacties

316 – de andere letter

"Hoe kan het dat jij deze dingen weet?" vroeg ik aan Qanma.
"Wie zich op Qlusewar terugtrekt, Qluizin wordt of Qluizer, doet dat meestal na het een en ander te hebben meegemaakt. En overleefd. En de strijdlust verloren. Samen te zijn met anderen die de waarheid weten is dan genoeg."
"Kan ik Qluizin worden?"
"Nee," zei Qanma stellig. "Jij moet de waarheid nog ontdekken. En jij bent een Yima, vergeet dat niet."

We hadden het hele eiland rondgelopen en stonden nu weer bij de poort waardoor ik was binnengekomen. Kuuksi scherpte haar nageltjes aan een van de dikke stammen waaruit hij was opgebouwd. In de verte zag ik het volgende eiland liggen. Voocklama. Zou ik ze allemaal moeten bezoeken?
Qanma zag me kijken en zei: "Voocklama. Folker betekent de Sterke onder het Krijgsvolk. Je ziet wat de bedoeling van de Grote Hemren was, met zijn zes wijze mannen. Hij had kerels nodig die zijn macht konden bestendigen en verdedigen. Dus laat je niet betoveren daar."

We liepen naar de eettafels voor het middagmaal. Na het eten merkte ik hoe moe ik nog was.
"Doe maar een slaapje," zei Qanma. "Ik ben buiten aan het werk als je me nodig hebt."
Ik kroop in mijn bedje in de qluis en droomde. Droomde van school, van de dogman, van het Rotsvadmijn en hoe ik elke keer als ik de Q ervoor zette een klap kreeg van iemand die op Tikman leek, die rotjongen die met Mia had willen trouwen. En ik vergat nog iets maar steeds als ik het aan de dogman wilde vragen vergat ik wát ik wilde vragen, iets over het Qro … Rotsvadmijn …

Ik werd wakker met mijn hand om Vulema's munt geklemd. Met slaapogen bekeek ik de achterkant en opeens schrok ik helemaal wakker. Recht overeind zat ik. Dat andere teken! Dat kruisje! De tekens op mijn potjes! En het katje dat haar kopje tegen mijn hand duwde: Quxi!

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

315 – Queexta

Qanma vertelde verder over de Q. Hoe deze letter vanouds – voordat … voordat wat?
"Voordat de regels en de wetten werden opgesteld," zei ze. "Toen leefden er ook al mensen hier. Alleen wisten zij niet dat dit Inhemren was. Zij noemden het Queexta. Dat betekent zoiets als zoektocht. Wat jij nu doet, dat is een Queexta."
Even kreeg ik het wonderlijke gevoel dat ik werd opgenomen in iets veel groters. Alsof ik – net als een geheime letter – een plaats mocht innemen aan het firmament. Toen struikelde ik bijna over Kuuksi.

"De Q is verboden omdat de letter te veel lijkt op een handspiegel. In de spiegel kijken is ijdelheid, daar kan niets goeds van komen. Zo wordt het ons geleerd. Ooit stond hij vooraan in het Rotsvadmijn. Qrotsvadmijn."
"Waar kom jij eigenlijk vandaan?" vroeg ik aan Qanma.
Het duurde even voor ze antwoord gaf.
"Ik ben gevlucht uit Harstamar."
"Je was een Blauwe?"

Ze knikte. Het was alsof ze kromp, haar statigheid opeens vervlogen. "Ik heette Kanma. Ik woonde met mijn ouders bij het Dzikomeer, ik was een rietmeisje zoals jij. We verborgen ooit een vluchtelinge uit Barraspira."
"Uit de Visietunnel?"
Qanma knikte moeizaam. De herinnering was afschuwelijk. Ik legde een hand op haar arm. "Ik begrijp het," zei ik, want dat was ook echt zo. Sommige herinneringen zijn té pijnlijk. Zwijgend liepen we verder langs de ruisende zee.

Ik stelde de eerste de beste vraag die bij me opkwam, over wat we geleerd hadden op school. "Is het waar dat de Rots vanuit de Noordelijke eilanden bevoorraad wordt?" Nu Qlusewar wél zo'n loopplank beek te hebben, kon de rest ook waar zijn, toch?
Qanma richtte zich weer op en lachte. "Het is eerder andersom. Wij gaan aan land in Blynxtera, voor brandhout, voor kruiden, voor vogeleieren …"

"En wie is Thiarck?" vroeg ik.
"Een van de zes wijze mannen, dat weet je toch wel?" En toen ik niet antwoordde: "Weet je wat de naam betekent? 'Machtige onder het Volk.' Degene die de doden thuisbrengt. Het is eerder een functie dan een naam. Degene die nu Thiarck is, kiest zelf zijn opvolger. Je moet er tegen kunnen."
"En goed kunnen trommelen," vulde ik aan.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 4 Reacties

over show-don’t-tell en zintuiglijk schrijven

Op twitter vroeg iemand of "Show don't tell" nu echt een wet van Meden en Perzen was. En nee, dat is het niet. Ik heb er in meerdere artikelen over geschreven. Naar aanleiding van dit stuk kreeg ik de vraag wat nu precies de zin was van het opschrijven welk drankje iemand bestelt of wat voor horloge hij draagt.
Ik antwoordde: "Je kunt het drankje gebruiken om je personage te karakteriseren (vooral als het afwijkt van verwachtingen, een bokser die een mimosa bestelt, ik noem maar wat) en voor de zintuiglijke beleving van de lezer als je iets over de smaak zegt (zout randje op het glas bv). Accessoires kunnen wel handig zijn om setting en milieu weer te geven maar is ook lastig, vaak snel gedateerd, en verschilt erg, zo'n rolex kan zowel van een rijke zakenman zijn als van die bokser van zonet die al veel wedstrijden gewonnen heeft."

Iemand anders vond dat zintuiglijk schrijven de zaak meestal erg ophoudt. De meeste ervaringen – bijvoorbeeld Blote voeten op Bedauwd Gras - zijn hem immers welbekend dus dat brengt hem niet dichter bij het personage.
Dat is een misvatting.

Het gaat erom dat je – wat ik hierboven al schreef – juist die ervaring invoelbaar maakt die de meeste mensen níet zo ervaren. Of die ze niet verwachten bij zo'n personage.
Veel westerse, gezonde mensen zullen bij blote voeten op bedauwd gras een soort van collectief positief gevoel krijgen. Als je personage ook een gezond, westers mens is, hoef je dat dus niet uit te werken. Maar stel dat iemand doodsbang is om met blote voeten op nat gras te lopen? Omdat het voelt alsof hij op slangen loopt? Omdat het hem doet denken aan uren voor straf in de regen staan? Dan is het van belang om de zintuiglijke ervaring zo weer te geven dat we het personage beter begrijpen. Als je sec opschrijft 'hij durft niet op het natte gras te lopen' gebeurt er niets in het hoofd van de lezer.

Laat de lezer zien wat er gebeurt, en zijn eigen conclusie trekken.
Schrijf niet 'ze was zenuwachtig', schrijf 'met trillende vingers probeerde ze het pakje open te maken.'
Zodra je schrijft 'hij was boos' stap je als schrijver zelf op het podium. Je onderbreekt als het ware het toneelstuk en vertelt aan het publiek wat de acteurs bedoelen. Hetzelfde geldt als je kwalificerende woorden gebruikt. Schrijf niet 'zij was mooi' maar vertel alleen hoe zij eruit ziet.

Daarnaast is het van belang om álle zintuigen in te zetten, om per keer zorgvuldig te kiezen wat het meest effectief is. Ik vroeg ooit aan Vincent Bijlo hoe hij als blinde zijn personages beschreef. Natuurlijk gebruikt hij dan de andere zintuigen: hoe klinkt iemands stem (en van welke hoogte komt die), hoe zwaar zijn zijn stappen, hoe ruisen of kraken zijn kleren, en hoe ruikt iemand, of hoe zacht voelen zijn handen aan, hoe glad zijn overhemd.

Door de omgeving te beschrijven vanuit het perspectief-personage, kun je zaken over zijn karakter en milieu duidelijk laten worden. Een drukker beschrijft zwart als inktzwart, een schaatser zegt "zo zwart als ijs" – weet je nog? Dat zwarte, gladde ijs met die mysterieuze koudwaterwereld daaronder? Houd altijd in gedachten welk beeldenreservoir deze persoon tot zijn beschikking heeft. Van Sjoerd Kuyper is deze schitterende vergelijking: "Het was er zo donker als binnenin een dropje."

Stel jezelf de vraag: welk zintuig is mijn belangrijkste bron van informatie? Zien is geloven? Hoor je of iemand liegt? Ruik je zijn angstzweet? Onthoud je de smaak van koekjes? Hoe neem jij waar? (Een musicus neemt anders waar dan een fotograaf.)
Sta erbij stil dat de verschillende manieren van waarnemen – via de verschillende zintuigen –verschillende dingen met ons doen.

• zien
Visuele informatie, de zaken die we zien, verwerken we over het algemeen op een cognitief niveau, dat wil zeggen: met behulp van ons intellect. We nemen beslissingen of ondernemen actie gebaseerd op wat we zien.
• horen
Emoties worden vaak beïnvloed door wat we horen. Denk maar aan een geliefd stuk muziek, iemands stemgeluid, de stoomfluit van een schip. Tijdens een gesprek geeft de toon van iemands stem veel betrouwbaarder de stemming weer dan de woorden alleen. Geluiden kunnen ons doen rillen, huiveren, opspringen. Het huilen van een wolf roept emotionele reacties op.
• ruiken
Dingen die we ruiken roepen vaak sterke herinneringen op. Iedereen kent het verhaal van de madeleines van Proust. Zelf heb ik het bijvoorbeeld met de geur van garages: dan ben ik meteen terug in de fietswerkplaats van mijn opa. Carboleum doet me denken aan schiphuizen, wierook aan Oman, patchouli aan mijn schooltijd. Geur is de manier om je lezers naar een bepaalde streek of tijd te transporteren.
• proeven
Voor proeven geldt dat ook: iedereen kent het verhaal van de madeleines van Proust, over hoe de smaak van die koekjes hem terugbrengt naar zijn jeugd.
• voelen
Voelen, aanraken, tastzin – soms herinneren je handen zich iets wat je zelf al lang vergeten was. De tastzin is het zintuig dat het langst intact lijkt te blijven bij dementerenden.

Het perspectiefpersonage, degene vanuit wiens gezichtspunt we het verhaal meemaken, moet fungeren als ogen, oren en lichaam van de lezer. Wat hij waarneemt, nemen wij waar, waar hij is, daar zijn wij ook. Niet alleen neemt hij de functie van onze zintuigen over, hij wordt ook onze ziel. Hij brengt een bepaalde stemming, bepaalde gevoelens bij ons teweeg. Ook is hij ons bewustzijn: we volgen zijn manier van waarneming. De een neemt vooral ruimtelijk waar (waar bevind ik mij?), een ander neemt thematisch waar (in welke rubriek kan ik wat ik waarneem onderbrengen?), en een derde heeft een meer impressionistische manier van waarnemen (wat valt mij het eerst op? wat springt in mijn oog?).

Stiekem, natuurlijk, is het niet het personage, maar de schrijver die dit alles bewerkstelligt. Hij is iets tussen poppenspeler en acteur in. Hij moet in staat zijn de personages van buitenaf waar te nemen (wat voor indruk maakt dit op een lezer?), maar ook van binnenuit te beleven (hoe ervaart dit personage dit?). Hij doet zowel een beroep op de zintuigen als op de emoties (bang, boos, blij, verdrietig). En altijd moet hij bedenken: vindt mijn personage dit bijzonder?

Dit is een mooie oefening om je te bekwamen in zintuiglijk schrijven:
Uit Pen on Fire / Barbara DeMarco-Barrett.- Orlando : Harcourt, 2004
Beschrijf iets lekkers om te eten voor iemand die het nog nooit geproefd heeft.
Beschrijf een stuk muziek voor iemand die doof is.
Beschrijf een schitterend landschap voor iemand die blind is.

Geplaatst in schrijven | 4 Reacties

314 – geheime letters

"Waarom wilde je mijn gezicht zien in jouw spiegeltje?" vroeg ik.
"Het is een test," antwoordde Qanma. "Als iemand geen weerspiegeling heeft, betekent dat dat diegene niet te vertrouwen is."
Ik vertelde wat me was overkomen met Koyova en vroeg: "Had hij geen spiegelbeeld gehad?"
"Beslist niet," zei Qanma. "Ik raad je aan om er ook eentje te kopen."
"En wat hebben die spiegels te maken met die letter?"
"De Q, bedoel je?" Ze sprak het uit als Kuu, en pas toen besefte ik dat zij Kuuksi waarschijnlijk schreef als Quuksi.
"De Q is de letter van de vrouwen."

"Is het een van die geheime letters?" Bijna woordelijk herinnerde ik me hoe Va het verhaal verteld had, terwijl hij beitelde en ik de stenen polijstte of zijn beitel sleep. Bijna ongewild citeerde ik:
"De Grote Hemren koos uit zijn gevolg zes wijze mannen. Met hen vestigde hij zich op de Rots. De plaat met het Rotsvadmijn bleef achter op de Berg. Zelf nam hij twee kleinere stenen met zich mee. Daarop stonden twee geheime letters. Letters die het volk beter niet kon kennen. Onuitsprekelijke letters.
Pelgrims naar de Berg van Verering hopen altijd een glimp van die letters op te vangen, ze hopen dat de Grote Hemren ze in de Rots heeft gekerfd, of dat ze 's nachts tussen de sterren zullen staan."

Qanma glimlachte, meewarig en cynisch tegelijk. "Zo wordt het ons verteld, en we moeten het wel geloven, voor onze veiligheid en om niet ten onder te gaan aan het besef dat het anders is, of anders moet. Jij bent langs het Brandemeer gekomen, toch? Het spiegelloze meer?"
"Ik heb erin gebaad, het was heerlijk warm."
"Dat bedoel ik," zei Qanma.

Via nog een geitenpaadje kwamen we aan het strand. Heel in de verte zag ik zo'n groot zeilschip als ik ook in Barra had gezien, vast en zeker onderweg naar Gralda. Even probeerde ik me voor te stellen hoe dat zou zijn. Weg uit Inhemren, naar een heel nieuw land en een heel nieuw leven. Maar ik wist dat dat niet mijn weg was.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

fotostudiootje spelen

 

Mijn innerlijke Sissi is dol op goud- en zilververf en ik bleek ook nog een grote tube vol roze parelmoerverf te hebben. En nu ik dat opschrijf schiet me te binnen dat ik ook nog parelmoerpoeder heb, ergens, ooit van kindeke op Sinterklaas gekregen.

Al lang was het mij een doorn in het oog dat al deze glimverven zich zo slecht laten fotograferen of scannen. Het blijft dof, wat je ook probeert. Ik smokkel dan wel met fotosjop: het object schuin fotograferen zodat het wél glimt, en die afbeelding dan rechttrekken, over de doffe heen leggen en weggummen wat niet terzake doet. Rot werk en het resultaat wordt vaak nog niet mooi ook.

Toch maar weer eens sneupen online en viavia kwam ik op een snoezig videolampje. Oplaadbaar met usb-kabel, dimbaar, kleurtoon instelbaar. Je kunt het bovenop je camera monteren maar mijn camera heeft alleen aan de onderkant zo'n schroefgat, dus ik heb er ook een inimini statiefje bij gekocht.

Hop (het was 3 uur 's middags dus nog een uurtje daglicht) mijn mooie fotostudio op tafel (twee archiefdozen en een wasrekje) en experimenteren maar. Ik had wat gelli prints uitgezocht waarvan een gewone foto of scan totaal niet liet zien wat er werkelijk te zien was. Het was even vogelen hoe ik de lamp moest houden en het verschilt geloof ik ook per foto. Hem met de hand vlak tegen de lens aan houden werd geloof ik het mooist, maar hem diagonaal op de print laten schenen werkte ook. Ik zal er nog wel een tijd mee blijven experimenteren maar een verbetering is het absoluut!

Geplaatst in creatief | Getagged , , | 5 Reacties

313 – Klusewar (2)

"Jij weet het nu," zei Qanma. "Alle vrouwen die Thiarchia bezocht hebben, weten het. Wij van de noordelijke eilanden weten het. Er mogen hier geen boten varen van eiland naar eiland, dat zou het contact te makkelijk maken. Alles moet via Blynxtera."

Ik hoorde hoe ze het uitsprak. Zou het net zoiets zijn als Kraeckten San en Kraexten San? Met die vreemde letter die ik voor het eerst had gezien op de kaart die ik in het verzetterskamp bij Harstamar had gekregen, die we niet hadden geleerd, die niet in het Rotsvadmijn voorkwam, maar die wel zweefde op de munten met mijn beeltenis? Ik haalde Vulema's munt uit mijn broekzak en zag ze nu allebei, het kruisje en de O met het staartje. Die dus een vreemd soort K was, die ook niet in het Rotsvadmijn stond, en die ook op de kaart niet voorkwam.

Nieuwsgierig stak Qanma haar hand uit. Ze bekeek de munt zorgvuldig, vergeleek de beeltenis met mij, zag de gelijkenis, en ze zag ook die twee letters. "Hoe kom je hieraan?"
Ik werd zo verschrikkelijk moe van het vertellen van mijn verhaal, elke keer opnieuw, het leek al in marmer gebeiteld. Yima, Vulema, Hebotva, Bo, mijn vlucht, de Zanden, Mia, Barraspira, de Visietunnel, mijn vlucht, mijn reis van daar naar hier, nu. Eindigend bij deze munt op Thiarchia, voor mij het bewijs dat ook Vulema – hoe zei die man het ook weer – haar offer aan de grote Hemren had gebracht.
Qanma keek me bezorgd aan. "Kom," zei ze, "we gaan een stukje lopen."
"Kan ik mijn spullen veilig hier laten?"
"Natuurlijk."

We liepen over een geitenpaadje naar het bredere pad dat achter de hutten langs liep. Er waren moestuintjes, en overal stonden grote tafels waarop de huidjes van de spiegelspinnen werden gerekt en gedroogd. Hier en daar zag ik mensen bezig met het vervaardigen van voorwerpen of sieraden, zoals de hanger die Qanma droeg, of kleine potjes waarin een spiegelende bodem werd aangebracht, zoals het potje van Storma.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen