31 – Vulema 4

Een Dienaar die speciaal uit Nuktatharsta kwam om Tweede Meisjes te zegenen voor ze aan hun tocht begonnen nam Vulema's handen in de zijne en bleef met gesloten ogen staan tot er tromgeroffel klonk vanuit het Palast. Bovenop het dak stonden de drie trommelaars.

Kalm en deinend zetten de kamelen zich in gang, de ezel balkte en Vulema's vader gaf het beest een klap met een zweepje waarop het nog koppiger weigerde te gaan lopen. Mannen uit het publiek bemoeiden zich ermee, alle aandacht ging ernaar uit. Ik realiseerde me opeens dat ik haar bij de hekken nogmaals zou kunnen zien. Ik rende het dorp door. In de werkplaats van Va wachtte ik tot de stoet voorbij kwam. Hij kwam naast me staan, een hand op mijn schouder.

Vulema keek naar me, een hand aan haar koordje. Ik zwaaide even met het kwastje in de hals van mijn tuniek, ze glimlachte, we begrepen elkaar. Toen de stofwolk in de verte verdwenen was, gingen we naar binnen. 's Avonds maakte ik voor mezelf ook zo'n koordje van gevlochten borduurgaren, en deed de andere wondermunt eraan. De munt met mijn beeltenis. Op de achterkant stond het ROTSVADMIJN, dat was bij onze munten ook zo, alleen dwarrelden hier in het midden nog wat onbegrijpelijke tekentjes.

*

Net als bij het vertrek van de Tweede Meisjes werden we ook geacht toe te kijken bij het vertrek van een misdadiger. Het was immers een voorbeeld en een waarschuwing om je aan de regels van de Grote Hemren te houden.

Als iemand in Dunkitaba een misdaad had gepleegd, dan werd hij door twee gewapende wachters op kamelen de woestijn in gebracht, waarbij de ernst van het vergrijp de afstand bepaalde. Wie levend terugkwam – misdadigers kregen geen water of brood mee – had zijn straf voldaan, wie niet levend terugkwam, had blijkbaar zijn verdiende loon gekregen.

Als de tijd was verstreken waarop iemand redelijkerwijs terugverwacht kon worden, werd er door dezelfde wachters een zoektocht ondernomen. Soms kwamen ze terug met een dode, meestal niet. Familieleden die wilden gaan zoeken, moesten dat stiekem doen. Iemand met een heksleutel omkopen en hopen dat diegene hen niet verraden zou. De kans daarop was trouwens klein, hij was immers zelf ook schuldig aan het onterecht doorlaten van een dorpsgenoot.

Dit bericht is geplaatst in feuilleton met de tags . Bookmark de permalink.

2 Reacties op 31 – Vulema 4

  1. Elly van doorn schreef:

    Ik heb me altijd afgevraagd hoe de menselijke offers aan de goden in zuid amerika konden plaatsvinden. Dat daar zomaar in meegegaan kon worden. Wat beschrijf jij dit realistisch en voorstelbaar. Ik zie het allemaal voor me.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *