112 – de weef

Na het ontbijt legde Fegman uit waar ik zou kunnen wonen en werken. "En later kunnen de kinderen daar ook naar school," zei hij, alsof het volkomen vanzelfsprekend was dat ik voor altijd in Barraspira zou blijven. Een mens kon zich niet beter wensen, en een vrouw die op dubieuze wijze zonder man was al helemaal niet.

"We noemen het een weef," zei hij. "Dat stamt nog uit de tijd dat zulke vrouwen de kost voornamelijk verdienden met het weven van het witte linnen voor onze kleren. Maar in de loop der tijd werd het ons duidelijk dat alleen wit dragen niet genoeg is. Houvast is nodig, voor jezelf en om elkaar eraan te herinneren. Wapenrusting. Zo dragen zulke vrouwen bij aan hun eigen zielenheil en dat van de stad."
Zulke vrouwen. Met een schok van verdriet dacht ik aan Jonnama. Hoe zou zij het redden zonder mijn broer?

Fegman herhaalde de woorden van Wydfam: "De wapenrusting bewapent ons tegen onreinheid, tegen de verzoekingen van het ronde pad. In een weef wonen vrouwen bij elkaar die om wat voor reden dan ook geen man meer hebben. Sommigen zijn weduwe, van anderen verblijft de man in de Visietunnel, van weer anderen is de man op pelgrimstocht …" Nu keek hij me vragend aan.
Wat moest ik zeggen? Verzinnen dat ik weduwe was? Dat ik een vrome echtgenoot had die onderweg was naar de Rots?

"Mijn man was geen goede vader," zei ik. "Ik moest mijn kinderen redden."
Het was de waarheid.
Fegman keek me streng aan.
"Ja, die zitten er ook af en toe tussen. Maar de weef is geen vluchtoord. Meestal keert zo'n vrouw terug naar waar ze hoort."
Ik hield me maar vast aan het woord 'meestal' en zei niets.
"Ga je spullen maar halen," zei Fegman. "Dan breng ik je."

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 6 Reacties

111 rijkdom

Ik kleedde de kinderen uit, ontdeed mezelf van mijn door en door vuile wollen pak en met ons drieën baadden we ons. Er was zeep, er was badolie, er waren droogdoeken, wat was het heerlijk om je zo schoon te voelen, alsof ook alle ellende verleden tijd was, of ik angst en dood en gruwelijkheid achter me had gelaten. Alsof hier mijn nieuwe leven begon.
Ik diepte mijn prinsessenkleren op uit de draagzak – maar ze waren een bos stinkende kreukels. Pas toen zag ik dat aan de wit geschilderde deur verschillende kledingstukken hingen. Een wit pak met zo'n wijde tuniek, en twee kinderjurkjes, eigenlijk een soort lange tuniekjes. Mia paste het precies, Bo was het veel te lang maar voor de nacht gaf dat niet.

Er werd op de deur geklopt. Dezelfde jonge vrouw bracht een kan thee en een kannetje melk. Daarna schepte ze de badkuip leeg. Wat was het heerlijk om weer zo bediend te worden. Ik moest mezelf eraan herinneren dat dit maar voor één nacht was, en dat ik hierdoor bij Fegman in de schuld stond. Eén nacht van droomloze slaap, in een bed zonder een wriemelend kind naast me.

In de ochtend kregen we nogmaals warm water en schone, witte kleren waarin we de trap naar de eetzaal afdaalden. Het was druk in de herberg. Aan kledij te zien en aan tongval te horen waren het rijke kooplui uit andere heerlijkheden. In Barraspira waren er qua kledij kennelijk maar twee kleuren: zwart en wit. En het rood van de bontkraagmantels. Fegman zat aan een tafel in de hoek en wenkte me. Ik schoof met de kinderen op de zitbank tegen de muur. Brood en fruit stond al op de tafel, Mia strekte meteen haar handje naar zo'n lekker broodje uit, maar Fegman vermaande haar: "Moeten we niet eerst dank zeggen?"
Vragend keek Mia me aan maar ik had ook geen idee.

Fegman legde zijn handen op tafel, palmen naar boven, sloot zijn ogen – ik dacht even aan de schaduw op het schip – en sprak: "Grote Hemren, dank voor onze rijkdom."
En toen wij alleen maar toekeken: "Waar komen jullie vandaan dat je niet dankt voor je rijkdom?"
Gelukkig was het niet echt een vraag. Meer een constatering dat we barbaartjes waren die nodig moesten worden bijgeschaafd.
Bo zat met zijn handjes op tafel te trommelen, ik legde mijn ene hand op die van hem, mijn andere op die van Mia, en zei tegen haar: "Doe maar mee. Grote Hemren, dank voor onze rijkdom."
Fegman glimlachte goedkeurend.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

110 – naar Barraspira

Op de kade stonden mannen om de koopwaar aan land te brengen. Stedman nam afscheid, Fegman zei: "Ik breng je."
Wat kon ik anders dan hem vertrouwen?
Hij nam Mia op de arm – vanwege zijn bontkraag liet ze het toe - en we begonnen aan de klim door de hellende straatjes. Er liepen mensen, mannen in roodfluwelen mantels, vrouwen in witte tunieken van fijn linnen, volgehangen met wapenrusting waarvan de materialen flonkerden in het zonlicht. Mia keek over Fegmans schouder naar me en ik zag dat zij ook haar ogen uitkeek naar al dat moois.

Halverwege liepen we onder iets door dat op een tunnel leek. Een stenen gewelf was over de straat heen opgetrokken, links en rechts liepen twee donkere, overdekte straten waarvan ik het einde niet kon zien. Het voelde even ijskoud. Fegman hield halt en keerde zich naar me om. "Dit is de Visietunnel," sprak hij. "Wie te veel omhoogkijkt, belandt hier, waar omhoog kijken geen optie is." Natuurlijk deed hij het wel, en ik ook. Aan de stenen van het gewelf hingen druppen.
Een eindje naast me viel er een op de grond. Sissend.

Snel vervolgden we onze weg naar een van de hoogste punten van de stad. Je kon daarvandaan de zee zien, de haven, en ook het halfronde lint van de schaduw. De schaduw van de Rondweg. Maar nu keek ik daar niet naar, ik was helemaal buiten adem van de klim. We bleven staan voor een hoog, wit huis. Fegman zette Mia op de grond en zei: "Hier woon ik. Daar aan de overkant kun je overnachten, het zou niet passend zijn als ik je onderdak bood. Er werken veel vrouwen voor me. Ik kan voor jou ook iets opzetten. Tegen een deel van de winst natuurlijk," zei hij met een glimlach. "Ik zal betalen voor jouw eerste nacht in onze mooie stad, Hemren zij geprezen."

Het leek wel of ik terug was in het Palast, zo luxe was de kamer die ons was toegewezen. Er stond een schaal met fruit – een rieten schaal, ik zag meteen dat dat geen vakwerk was – en een schotel met kleine broodjes. Twee grote bedden met dekens van bont, een ledikantje voor Bo, er was zelfs een badcel en niet veel later bracht een in het zwart geklede jonge vrouw twee emmers warm water die ze leegde in de badkuip. Die hadden we zelfs in het Palast niet gehad.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 5 Reacties

109 – het schip

De volgende ochtend zou ik het schip zien. Fegman en Stedman vonden het prima dat we meereisden, ik hoefde er niet eens voor te betalen. Een paar dragers kwamen hen halen, ze namen de grote, zware stapels zeehondenvellen op hun rug. Eentje bood aan om Mia te dragen, maar het kind klemde zich bang aan mij vast. Achteraan de stoet bereikten wij als laatste het strand. Het schip lag een eind verder in zee, de zeilen al gehesen. We werden er met kleine bootjes naartoe geroeid. Hier zaten we niet op de bodem van een vuile boot, hier zaten we op prachtig besneden houten banken, bedekt met donkerrode kussens. Het was een blauw met gouden dag, de wind blies gestaag maar niet koud, Mia en Bo zaten op hun knietjes naar het water te kijken, de leren tuigjes kwamen nogmaals van pas.

Ik zag dat Fegman naar mijn schild keek. "Jouw werk?" vroeg hij.
Ik knikte. "Ik ben rietvlechter."
"Daar hebben we er niet veel van in Barraspira, daar zie ik wel handel in."
Hij sloeg zijn ogen ten hemel en deed ze meteen daarna dicht. Ook Stedman sloot zijn ogen. Ze legden hun handen met de palmen omhoog op hun knieën en murmelden, ik kon het met moeite verstaan: "Grote Hemren, sluit onze ogen voor het Ronde Pad, Grote Hemren, sluit ons de ogen voor het Ronde Pad …"
Een schaduw schoof over het schip, of liever: we voeren onder de schaduw door, de schaduw die ik had gezien in de zandduinen, heimwee overviel me even zó sterk dat ik ook mijn ogen sloot.

In de middag zagen we Barraspira opdoemen, een blinkend witte, ommuurde stad over verschillende hellingen gebouwd. Verbeeldde ik het me, of zag ik ook daar, boven de middelste heuvel, een schaduwstreep? Maar wat leek het een prachtige stad! De kooplui moesten lachen om mijn ademloze verrukking.
"Weet je waar je moet zijn?" vroeg Fegman.
Ik had steeds gedaan alsof Barraspira een welbekende bestemming voor me was, maar dat kon ik nu niet meer volhouden.
"Ik weet wel een herberg voor je."
Het was ook de eerste keer dat ik een echte haven zag, met kademuren om de schepen aan te leggen en over een loopplank aan land te stappen. Zou ik hier mijn nieuwe leven kunnen beginnen? Was ik nu buiten bereik van Hebotva's mannen?

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

108 – Yifam

Ik bleef staan bij een uitstalling van bontrandjes. De vrouw die erachter zat – ze was denk ik even oud als ik – keek me nieuwsgierig aan. Spottend zei ze: "Welkom bij de Tweede Meisjes van Wyda Moor! Zit er iets voor je blij?"
Achter haar lag een bedrol, en aan de achterste balk van het afdak hingen wat kleren. Het was niet veel anders dan de vrouwenzaal op Kraeckten San, alleen nog wat armoediger en nog minder privé. Het vuile werk laten opknappen door de Tweede Meisjes, en dan zelf geestelijk rein door het leven gaan – dacht ik dat toen, of denk ik dat nu?
In elk geval kocht ik twee bontrandjes, voor Mia en Bo om mee te spelen, of wie weet ooit op een jasje te naaien.

Wydfam zat aan tafel met de kleintjes toen ik terugkwam. Ze had brood voor hen in stukjes gesneden met een smeerseltje erop dat misschien wel van zeehonden kwam. Ik wilde het niet weten, ze aten er met smaak van.
"Wil je nog wat, Miafam?"
Miafam? "Miama," verbeterde ik.
Wydfam keek me aan met iets afkeurends in haar blik. "Hoe heet jij dan?" vroeg ze.
"Yima van Rodva," zei ik.
Weer die blik.
"Wat?" zei ik.
"De Heerman van Lopweteka heeft – oh, al duizend manen geleden – besloten dat –va en –ma te veel herinneren aan … " Ze kreeg het woord niet uit haar mond en sloeg haar ogen neer.
"Onze namen eindigen op –man en –fam, dat is … reiner. Ik zou me maar Yifam noemen hier, dat is veiliger."
Weer mijn naam veranderen? Daar ging ik nog even over nadenken.

Terwijl de kinderen hun middagdutje deden, bekeek ik mijn schild nog eens uitgebreid. Het was een beetje geknakt, en er misten twee paneeltjes. Maar wat zou ik veel moois kunnen maken! Het uitklappaneeltje van Wyda Moor was van geëmailleerd koper. Vaag schemerde er een mannengezicht door, ik kon me nauwelijks herinneren dat ik dat met opzet zo gemaakt had. Het gezicht was maar half zichtbaar, kin en mond gingen schuil achter wat wel een bontkraag leek. Daar tegenover, op het schild zelf, zat Lopweteka. Dat was een kleipaneeltje, beschilderd en geglazuurd. Een schip met vele zeilen zag ik. Had ik dat zo gemaakt? Zo'n schip had ik nog nooit gezien.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

107 – zeehondenbont

"Blijf je nog een nacht?" vroeg Wydfam toen de mannen vertrokken waren. "Dan kun je morgen met hen meereizen."
Dat klonk als een goed idee. Zou ik de kinderen even bij haar kunnen laten zodat ik zelf het eiland kon verkennen? Ze wilde er een hem extra voor hebben. Dat snapte ik wel, en ik had het er graag voor over. Ik legde aan Mia uit dat ik weg moest, maar dat ik voor het middagmaal terug zou zijn.
Het gaf me even zo'n vrij gevoel, om zonder de kinderen buiten te zijn. Wel had ik de draagzak meegenomen. Ik zou eigenlijk een kleine tas moeten hebben.

Ik liep door de wirwar van straatjes. Het was ook de eerste keer dat ik glazen ramen zag, met daarachter kleine schatkamertjes van spullen die te koop waren. Alleen winkels met etenswaren hadden dat niet, daar was gewoon een doorgeefluik.
Al die mooie kleine spulletjes, ik merkte hoe mijn hart opsprong, al kromp het ook ineen toen ik tussen een zee van stenen visjes ook stenen babytjes zag. In elk geval kreeg ik een goed idee van waar zo'n wapenrusting uit kon bestaan. Alle mensen die ik tegenkwam droegen zo'n wijde, volgehangen tuniek, het viel wel op dat ik een vreemdeling was, op een gegeven moment voelde ik me toch wat ongemakkelijk, ik sloeg een zijstraatje in en was opeens het stadje uit.
Ik rook het bos en ik rook de zee, en in de verte zag ik de rode mantels van de kooplieden.

Zeehondenbont! Dat wilde ik nog even onderzoeken, en dan terug naar de kinderen. Het pad leidde naar het strand aan de oostkust van Wyda Moor. Er stond een langgerekt afdak van houten palen, bespannen met leer. Werden de vellen daar verkocht?
Op het strand wemelde het van de haveloze jonge vrouwen. Een paar waren een pas gedode zeehond aan het villen, anderen waren bezig vellen schoon te schrapen, sommigen spanden vellen op houten staketsels, weer anderen naaiden kledingstukken, of sneden vellen in mooie bontrandjes. Het stonk er verschrikkelijk, ik zag dat de kooplui doeken voor hun gezicht hadden gebonden. Desondanks basten hun onderhandelende stemmen overal bovenuit.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

106 – wapenrusting

In de eetzaal de volgende morgen zaten twee mannen met prachtige mantels aan. Dieprood fluweel afgezet met wit pluizend bont, ik kon mijn ogen niet afhouden van de schoonheid ervan, en Mia liet zich van de zitbank glijden om er een te gaan aaien.
De vrouw die ons bediende zei: "Kooplui uit Barraspira. Hun zeehondenbont komt van Wyda Moor."
Nu begreep ik wat ik geroken en half gezien had, gisteravond.
"En jij?" vroeg de vrouw. Ze zette brood, kaas en thee op tafel, en een kan melk voor de kinderen.
"Ik ben onderweg naar Barraspira," zei ik.

Ook haar kleding trok mijn aandacht. Ze droeg een wijde, witte tuniek die volgehangen was met kleine idooltjes. Huisjes, rotsjes, stenen visjes, beeldjes van de Grote Hemren, van zijn gezicht, piepkleine plaquettes met de letters van zijn naam. Ze waren van allerlei soorten materiaal gemaakt, allemaal met een lusje om ze ergens op te kunnen naaien of aan te kunnen vastknopen.
Ze zag me kijken en zei: "Dit is onze wapenrusting. Hij bewapent ons tegen onreinheid, tegen de verzoekingen van het ronde pad."

Ik dacht meteen: ze bedoelt de Rondweg. Maar dat zei ik niet, ik zei: "Wie maakt dat?"
"Wij vrouwen van Wyda Moor," zei ze trots. "In Lopweteka maken ze ze ook, maar handelaars komen ook vaak hierheen om ze te kopen, zo krachtig en mooi vinden ze ze daar."
Ik zag dat de tunieken van de kooplieden er ook mee vol hingen. Ik dacht: Zou ik dat ook kunnen? Kleine mooie dingetjes maken en daar de kost mee verdienen?

Een van de mannen riep: "Wydfam!"
De vrouw liep naar hen toe. Hij zei: "Vandaag gaan we vellen uitzoeken. Maak wat te eten en drinken voor ons klaar voor onderweg."
"Goed, Fegman."
Het waren namen die ik nooit eerder had gehoord. Het sprak zo vanzelf dat je naam op –ma eindigde, of op –va als je een man was. Ik had nooit gedacht dat dat ergens anders anders kon zijn.
Het idee van het maken van die idooltjes liet me niet los. Mijn handen jeukten om weer eens iets te maken. Dat hadden ze sinds Taka Haringes niet meer gedaan.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

bui

Het vorige narcismeverhaal is alweer een tijdje geleden. In de tussentijd heb ik weer het nodige meegemaakt. Ik had het al aardig verwerkt en achter me gelaten, dacht ik, tot persoon in kwestie me vandaag openlijk beschuldigde op twitter.
Haar psychiater had nooit gevonden dat ze narcistisch was, tweette ze vol trots.
Nu is het gebrek aan kennis omtrent narcisme bij professionals schrikbarend, dus dat zegt absoluut niets. En in de volgende tweet gebruikte ze de zieligtetrofee: ze was zo moe en dan kwam het eruit en zij was zo van het uitpraten.
Ha bloody Ha.
Leer mij het 'uitpraten' van de narcist kennen. Dat is altijd victim blaming. Dat houdt in dat ik sorry moet zeggen omdat ik zo vreselijk gemeen ben geweest, en dat zij er met hun holier-than-thou-aureooltje van kunnen weglopen.

Zoals ik vorige keer al zei toen het over Rutte ging:
"Ik heb eerlijk sorry gezegd, ik heb eerlijk toegegeven dat ik een fout hebt gemaakt, het zijn bekende zinsneden uit het #Gaslighting-repertoire. Dan laat je het als mishandelde wel uit je hoofd om erop terug te komen. De mishandelaar heeft immers altijd de morele overhand. […]
Een narcist verdient geen tweede kans!"

Maar intussen staan de medestanders op twitter in de rij, kan de narcist er niets aan doen. Altijd weer menen mensen uit de goedheid huns harten het gedrag van de psychopaat te moeten vergoelijken. Er zijn immers "geen sporen, geen bloed, geen lijk. De dode leeft en alles is zoals het moet zijn."
En ben ik weer het kwaaie beest.
Terwijl ik tenminste nog het fatsoen heb om geen namen te noemen.

toevoeging dd 300821
Wat ik hiervan geleerd heb – zo'n nieuw inzicht waardoor je opeens weer wat schellen van de ogen vallen – is dat mijn eigen gedrag in de omgang met zo'n persoon een aanwijzing kan zijn.
Al van jongs af aan leert het kind van de narcist om hem/haar niet boos te maken. (Dit geldt ook voor de echtgenoot.) Het is niet veilig om een eigen mening te hebben, om het met diegene oneens te zijn, om te zeggen dat je iets niet mooi vindt, noem maar op.
Het veiligst is om altijd lief te zijn. Het lichaam verraadt wel wat dat kost, maar dat heb je er graag voor over.

Met bovenstaand persoon deed ik dat ook. Altijd lief zijn, belangstelling tonen, alles liken, altijd meeleven met kwalen en ziektes. Geduldig zijn. Wel het overtroeven zien, de zogenaamde belangstelling waarna altijd het eigen verhaal veel erger en groter was. Voor lief nemen dat er een onbalans was, in de likes.
Gewoon zoals je levenslang gewend bent.
En dan komt het door-de-mand-val-moment. Razendsnel gaat het masker af. Razendsnel kom ik tot inzicht.

En pas later zie ik hoe het werkte. Ik neem me voor beter op te letten. Niet meer dat eeuwige vergoelijken (pappa is moe). Bij de eerste kwetsende opmerking meteen denken: klaar.
When people tell you who they are, believe them.
Nu dit proberen te onthouden. Luister je, instinct?

toevoeging dd 020921
Nog iets wat me te binnen schiet: een narcist zal never nooit excuses aanbieden.
Zij plaatste een verschrikkelijk kwetsende reactie onder een Facebookpost van mij.
Dat zei ik ook: "Dat woord vind ik in deze context wel héél kwetsend."
Een normaal mens zou dan zeggen: "Dat spijt me vreselijk, dat had ik nooit mogen zeggen."
Zij niet. Zij zei: "Haal maar weg." Want sporen uitwissen is hun lievelings. Dus nog een goede raad: Leg alles vast!
Ik heb van het bovenstaande dan ook meteen een screenshot gemaakt. Net op tijd voordat ze het zelf weghaalde.

Geplaatst in autobio | Getagged | 3 Reacties

105 – Wyda Moor

Op het strand van Wyda Moor stond een groepje mensen ons op te wachten. Of liever gezegd: ze wachtten op de uilen. Want zodra wij allemaal op het zand waren neergelaten, hielden de mensen de aan elkaar gebonden pakketten omhoog die ze bij zich hadden. De uilen graaiden ze uit hun handen en verhieven zich met een paar vleugelslagen boven onze hoofden. Even stak het wit scherp af tegen de avondhemel, Mia zwaaide ze nog na, toen verdwenen ze uit zicht.
En nu dan?

Alsof ze ons helemaal niet hadden opgemerkt, liep het groepje mensen terug het land op. We moesten ze maar volgen. Ik installeerde Bo weer in de draagzak, maakte mijn schild vast en nam Mia bij de hand. Kuuksi huppelde voor ons uit, blauw als de nacht.
Waar zouden we slapen vannacht? Zouden we ooit weer ergens wonen? Ik was zo moe. Moe van het zwerven, moe van alles wat we hadden meegemaakt. Mia's voetjes sleepten door het mulle zand van het pad dat we volgden. Het liep tussen bomen en struiken door, het rook hier ook groen, hoewel af en toe een vieze vlaag van iets mijn neus bereikte. Ik zag stellages waar iets op gespannen leek maar kon niet onderscheiden wat.

Na verloop van tijd werd het pad van steen, het werd een weg, een straat met huizen aan weerszijden, het leek meer op een stadje dan op een dorp, totaal anders dan wat ik verwacht had. Een stadje met stenen huizen, met winkeltjes, met zijstraten. Er liepen niet veel mensen meer buiten, maar we kwamen een oude man tegen die vroeg of hij ons helpen kon.
"We zoeken onderdak," zei ik.
"Kom maar mee," zei hij.

Hij leverde ons af bij de herberg. Niet dat ik toen wist wat dat was of hoe dat heette, een groot huis met meerdere kamers waar je kon slapen en iets te eten kon krijgen. Het zou de eerste keer worden dat ik daarvoor met geld betaalde. Wat was ik Rodva dankbaar.
Er stonden twee bedden in de kamer, met ertussen een tafeltje met een lampje erop. Op een kast stond een grote kom met een kan water ernaast en schone doeken. Ik waste de kinderen en mezelf, ik legde Mia op het ene bed en nam Bo bij me op het andere. Kuuksi zat op de vensterbank en keek naar buiten.
We sliepen.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

104 – de grootuilen

Ik pakte de draagzak weer netjes in, zette Bo erin en hees hem om mijn schouders. Ik had Mia een warme doek omgedaan, met daar overheen haar harnasje.
Niet veel later kwam Manuva ons ophalen. Hij had een harnas voor mij bij zich. Hij bekeek mijn uitmonstering en zei: "Dat kan zo niet. Hebotva krijgt een eigen uil. Pauma, haal nog een kinderharnas. Draag je spullen aan de voorkant," zei hij tegen mij. Hij keek misprijzend naar het schild. Het was groot en onhandig, dat begreep ik ook wel, maar achterlaten? Nooit!
Ik liet alles weer op de grond glijden, haalde Bo eruit – hij stribbelde tegen, hij was moe – en stak mijn armen door de banden. Kon ik het schild voor mijn buik houden? Ik knoopte het vast aan de draagzak en hoopte maar dat het goed zou komen.

Manuva maakte het harnas vast om mijn schouders. De banden daarvan waren zo lang dat ze ook om mijn bagage heen geknoopt konden worden. Ik leek wel een kever die op zijn rug lag.
Daar was Pauma alweer met een harnasje voor Bo. Ze maakte het vast en nam hem op de arm.
In het licht van de ondergaande zon liepen we het eiland over, naar de noordelijkste punt. Je kon Wyda Moor zien liggen, een heuvelachtige bruine vlek in de verte.

We stonden op de rand van het klif, ik had Mia's band weer een paar keer om mijn hand gewonden. Manuva blies op zijn handen driemaal een sonore uilenroep. Overzee kwamen ze aangezeild, geluidloos en zo groot! Groter dan Mia waren ze, toen ze naast ons neerdaalden. Hun poten, hun klauwen … groot genoeg om in een keer een wild beest te vangen. Ik moest er mijn kinderen aan toevertrouwen, ik had geen keus.

Pauma zei: "Het komt goed, echt. Ze hebben nog nooit een mens kwaad gedaan."
Hoe kon ze dat weten?
Ze hield Bo omhoog, en de kleinste van de drie uilen zette zich in beweging. Hij graaide het kind uit Pauma's handen, zijn klauwen stevig om de lussen van het harnasje.
"Toe maar," zei ze tegen Mia die zich aan mij vastklemde. "Je gaat vliegen!"
En voor ze wist wat er gebeurde, hing Mia in de lucht.
De grootste uil keek mij aan, zijn ogen opeens bijna menselijk. Niet kwaadaardig. Als een enorme windvlaag vloog hij boven me, ik voelde een schok toen hij me vastgreep, ik deed mijn ogen dicht en gaf me over.

De wind streek langs mijn wangen, ik deed mijn ogen open en zag voor me de andere uilen. Onder me was de zee, ik kon Schorre Clif al niet meer zien. Als ik opzij keek, leek ik het vasteland te zien in de verte. Registana, mijn vaderland dat ik nu waarschijnlijk nooit meer zou terugzien.
Opeens vloog er naast me nog een vogel. Een vreemde blauwe vogel met een lange, glinsterende staart. Een vogel met een kattengezicht.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 6 Reacties