105 – Wyda Moor

Op het strand van Wyda Moor stond een groepje mensen ons op te wachten. Of liever gezegd: ze wachtten op de uilen. Want zodra wij allemaal op het zand waren neergelaten, hielden de mensen de aan elkaar gebonden pakketten omhoog die ze bij zich hadden. De uilen graaiden ze uit hun handen en verhieven zich met een paar vleugelslagen boven onze hoofden. Even stak het wit scherp af tegen de avondhemel, Mia zwaaide ze nog na, toen verdwenen ze uit zicht.
En nu dan?

Alsof ze ons helemaal niet hadden opgemerkt, liep het groepje mensen terug het land op. We moesten ze maar volgen. Ik installeerde Bo weer in de draagzak, maakte mijn schild vast en nam Mia bij de hand. Kuuksi huppelde voor ons uit, blauw als de nacht.
Waar zouden we slapen vannacht? Zouden we ooit weer ergens wonen? Ik was zo moe. Moe van het zwerven, moe van alles wat we hadden meegemaakt. Mia's voetjes sleepten door het mulle zand van het pad dat we volgden. Het liep tussen bomen en struiken door, het rook hier ook groen, hoewel af en toe een vieze vlaag van iets mijn neus bereikte. Ik zag stellages waar iets op gespannen leek maar kon niet onderscheiden wat.

Na verloop van tijd werd het pad van steen, het werd een weg, een straat met huizen aan weerszijden, het leek meer op een stadje dan op een dorp, totaal anders dan wat ik verwacht had. Een stadje met stenen huizen, met winkeltjes, met zijstraten. Er liepen niet veel mensen meer buiten, maar we kwamen een oude man tegen die vroeg of hij ons helpen kon.
"We zoeken onderdak," zei ik.
"Kom maar mee," zei hij.

Hij leverde ons af bij de herberg. Niet dat ik toen wist wat dat was of hoe dat heette, een groot huis met meerdere kamers waar je kon slapen en iets te eten kon krijgen. Het zou de eerste keer worden dat ik daarvoor met geld betaalde. Wat was ik Rodva dankbaar.
Er stonden twee bedden in de kamer, met ertussen een tafeltje met een lampje erop. Op een kast stond een grote kom met een kan water ernaast en schone doeken. Ik waste de kinderen en mezelf, ik legde Mia op het ene bed en nam Bo bij me op het andere. Kuuksi zat op de vensterbank en keek naar buiten.
We sliepen.

Dit bericht is geplaatst in feuilleton met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *