103 – het vogelmeisje

Hoe moest het zijn om moeder te zijn van een vogel? Waarom moest er ter ere van de Grote Hemren zoveel geleden worden? Zou ik mijn kinderen iets anders kunnen leren?
Mijn kinderen. Ik gaf Mia een kus op haar gladde witte haar.

Over de wijde rotsvlakte, die bezaaid was met bloemetjes en kleurig mos, liepen we terug naar Pauma's huis. Ze keek steeds om zich heen of ze haar zus ook zag, maar dat gebeurde niet. Wel wees ze me een paar keer op andere vogels met gezichten, een keer een grote meeuw die vlak boven ons vloog, en een keer een klein, zwart gespikkeld vogeltje dat voor ons langs hipte. In DunKitaba had ik niet veel vogels gezien, ik kende maar een paar soortnamen. En hoe moesten ze eten, die vogels met een gezicht? Ze konden niet pikken met hun snavel. En konden ze nog praten met hun meisjesmond?

Het antwoord op al mijn vragen kreeg ik bij het avondeten. Gevogelte in een heerlijke saus, met brood erbij. We aten binnen, de avond werd al kil, maar buiten stond een wijde schotel met stukjes vis en brood. En daar hipte op een gegeven moment een prachtig blauw vogeltje naartoe, met het gezicht van Pauma. Op de rand van de schaal boog ze haar kopje naar het voedsel. Toen ze genoeg gegeten had, hipte ze naar de ingang van de hut en liet een blij trillertje horen. Een dankjewel-trillertje. Ik keek van het Pauma-vogel-gezicht naar het gezicht van de moeder. Dat verried niets. Ze had Bo op schoot en voerde hem, hij smulde. De vader zat er met de rug naartoe.

Na het eten bracht Pauma ons terug naar het gastenverblijf. Het vogelgekrijs nam eindelijk af.
Ik wilde haar wat geld geven, maar ze zei: "Dat hoeft niet, we hebben er hier toch niks aan."
Ik liet haar mijn schild bekijken, wilde ze daar een paneeltje van?
Bewonderend bekeek ze het, met ogen en handen. Zonder twijfel wezen haar vingers het paneeltje van Schorre Clif aan. Nu zag ik het ook: de vogel met het mensengezicht leek op Pauma-zusje. Voorzichtig sneed ik het borduurwerkje los van de rieten ondergrond. De pauw met het kattengezicht hadden we niet gezien, bedacht ik.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 5 Reacties

102 – naar de kliffen

Mia kreeg het meteen omgeknoopt. Het zat niet prettig, dat zag ik wel, maar toen we bij de kust kwamen was ik er maar al te blij mee. Overal steile kliffen die loodrecht oprezen uit de zee. Overal stonden dikke palen in de grond, met een of meerdere touwen erom die verdwenen over de rand van het klif. Pauma ging op haar buik liggen vlakbij zo'n paal, we volgden haar voorbeeld, Mia en ik. Ik sloeg de leren riem nog een keer extra om mijn hand.

Daar heel in de diepte dobberde een boot op de golven. Twee jonge vrouwen probeerden hem met roeispanen op zijn plek te houden. Aan de touwen hingen meisjes van ongeveer mijn leeftijd of iets jonger. Met lasso's probeerden ze vogels te vangen, of ze raapten eieren, die ze dan vervolgens, zonder ze te breken, naar de boot brachten. Omlaag en omhoog klommen ze, ik moest denken aan de salamanders die thuis over de omwal kropen. Ik had zoveel vragen! Waarom doen zij dat? Waarom dragen ze geen harnas zoals Mia? Maar het vogelgekrijs overstemde alles.

Het leek allemaal goed te gaan, al was een van de meisjes langzamer en onhandiger dan de anderen. Gefascineerd bleef ik toekijken hoe ze de gevangen vogels meteen de nek omdraaiden, hoe ze met één hand naar beneden klommen als ze in de andere een of twee eieren hadden. Waarom hadden ze geen zak mee daarvoor?

Een hoge golf spoelde de boot verder weg van het klif, net op het moment dat het onhandige meisje met haar ei beneden was. Mia slaakte een kreet die boven de vogels uit klonk – het meisje werd door dezelfde golf tegen het klif gebeukt, en viel in zee. Tegen de tijd dat de boot weer op zijn plek lag, was ze onder water verdwenen.

We schoven alle drie achteruit en gingen rechtop zitten. Ik nam de trillende Mia op schoot.
Pauma riep in mijn oor: "Het zijn Tweede Meisjes. Wie het 12 manen volhoudt, mag een vogel worden. Wie het niet volhoudt … dat heb je gezien."
Een vogel worden?
Had ik het dan toch goed gezien, die ochtend?
"Mijn zusje is een vogel!" riep Pauma in mijn oor.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

101 – per grootuilbericht

"Deze heb ik vanmorgen ontvangen," zei Manuva. En op mijn vragende blik: "Per grootuilbericht."
Hij vervolgde: "Jij bent Yima van Hebotva, dat is Hebotva – hij wees op Bo – en wie is het meisje?"
"Miama. Een weeskind van Middelgront."
"Er staat een prijs op jouw hoofd. Je moet zo snel mogelijk het land uit. Als je eenmaal in Barraspira bent, krijgen ze in elk geval geen officiële medewerking meer. Vanavond gaan jullie per grootuil naar Wyda Moor, we willen hier geen invasie van wachters. Wij van Schorre Clif hebben niet zoveel op met de Heerva van Registana. Vandaag geniet je onze gastvrijheid. Pauma zal je begeleiden."
Hij riep het meisje, dat buiten was blijven wachten.

Zo begon de wonderlijkste dag van mijn reis tot dan toe. Eerst verkenden we het dorp. Ieder hutje was verschillend gedecoreerd met raadselachtige motieven in donkere veertjes op de witte, roze of lichtblauwe achtergrond. Soms meende ik er de tekens in te herkennen die achterop mijn munt stonden, die nu in mijn huid gebrand waren. Ik wilde Pauma er wel naar vragen maar het lukte me niet me verstaanbaar te maken. Voor de hutten zaten vooral mannen, dat verbaasde mij ook. Ze zaten te roken, of ze waren ambachtelijk bezig met hout of koper. Hoe ze dat in vredesnaam hierboven kregen? Dat riep ik in Pauma's oor.
"Vanmiddag!" riep ze terug.

We wandelden rond tot het tijd was voor het middagmaal. Pauma nam me mee naar haar huis. Haar vader zat voor de ingang iets te maken van leren banden. "Harnas voor de grootuil!" riep Pauma. Niet dat ik dat begreep. Ik knikte maar. We voegden ons bij hem. Uit de hut kwamen heerlijke geuren van gebakken eieren met veel kruiden.
Na het eten lieten we Bo achter onder de hoede van Pauma's moeder. Wilde Mia ook een slaapje doen? Meteen pakte ze mijn hand. Dat was duidelijk.
"Dan nemen we een kinderharnasje voor haar mee," zei Pauma.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 3 Reacties

100 – yimama

Ik bedacht hoe wonderlijk het was dat ik op het paneeltje van mijn schild dat Schorre Clif moest voorstellen een rots met vogels had geborduurd, met op de voorgrond twee vreemde vogels: eentje met een vrouwengezicht, en de andere een pauw met een kattenhoofd. Opeens miste ik Kuuksi, ik riep zacht haar naam. Ze kwam langs de voorhang van de tent naar binnen geslopen en ging zich zo uitgebreid zitten wassen dat ze zich vast alweer aan een vogeltje tegoed had gedaan.

Ik werd wakker doordat Mia me zacht over mijn hoofd aaide. "Yimama," zei ze, "Yimama!" Het klonk ongerust, arm kind, precies zo had ze haar moeder geaaid.
Ik kwam overeind. "Dag Miama van me, heb je lekker geslapen?"
En alsof wij een teken hadden gegeven begon buiten weer het gekrijs van de vogels, we kwamen er nauwelijks bovenuit met onze stemmen. Het ochtendlicht piepte door kleine kiertjes in de tent. Niet veel later werd onze voorhang opzij geschoven, een jonge vrouw bracht ons een ontbijt van brood, eieren en thee. Ook kregen we water om ons te wassen.
"Dankjewel!" riep ik.
Ze knikte.

Toen we naar buiten stapten, ik met Bo op de arm, stond de zon alweer een stuk hoger. De veren hutten straalden in het licht, de kleuren schemerden voor mijn ogen. Hetzelfde meisje stond ons op te wachten om ons naar Manuva te brengen. Daar ging ik tenminste van uit, ik kon niet verstaan wat ze zei. We volgden het rondlopende pad. Overal waren vogels, niet alleen in de lucht, ook naast en op het pad wandelden ze, grote vreemde vogels met magnifieke veren. Sommige leken een menselijk gezicht te hebben, ik schoof het maar op het felle licht en het gebrek aan slaap van de laatste tijd, het had ook geen zin om het meisje ernaar te vragen.

Manuva zat voor zijn hut. Hij stond op en wenkte ons naar binnen. Wonderlijk hoe we opeens een 'wij' en een 'ons' geworden waren, zo vanzelfsprekend hoorde Mia er al bij.
Binnen was het gelukkig iets stiller. Er stond een lage tafel, waar hij achter ging zitten. Hij wees me dat ik ook moest gaan zitten. Ik zette Bo naast me, Mia ging achter hem zitten als steuntje in zijn rug. Broertje, noemde ze Bo maar steeds.
Op de tafel lagen een paar potscherven met tekentjes erop.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

99 – het verendorp

"Normaal slapen we op het strand en dan gaan we de volgende ochtend naar boven," zei Jadva. "Maar jij moet onderdak hebben met die kleintjes."
Er liep een pad naar het dorpje midden op het eiland. Een stenen poort gaf toegang naar de weg die er rond omheen liep. Erin hing een bel van koper. Jad keek zijn vader vragend aan, en op diens knik begon hij de bel enthousiast te luiden. Het geluid kwam maar nauwelijks boven het vogelgekrijs uit. Zou het hier 's nachts wel stil zijn?

Uit de hut die in het verlengde van het rechte pad lag, kwam een grote man. Hij droeg een donkerrood pak, en had een tooi van veren op zijn hoofd.
"Manuva!" zei Jadva, en boog zijn hoofd.
"Welkom Jadva. Wat brengt jou hier zo laat?" Zijn stem klonk hees.
"Dit is Yima van Rodva, met haar kinderen. Ze is op doorreis naar Lopweteka, maar de schipper die haar brengen zou, heeft haar hier achtergelaten. Ze kunnen natuurlijk niet op het strand slapen."
Manuva bekeek ons en dacht er duidelijk het zijne van. Maar de zon ging onder, hij had geen keus en ik had geen keus. Op doorreis naar Lopweteka, ik herinnerde me dat Valma me dat had aangeraden. Wat leek het al lang geleden dat ik op Langen San was. Hoe zou ik hier ooit weer vandaan komen?
Maar de kinderen waren moe, we moesten eerst slapen.

"Kom," zei Manuva.
Ik was blij dat Jadva en Jad met ons meeliepen. We volgden een klein eindje het pad rondom het dorp. Het was straalsgewijs opgebouwd, met paadjes die als spaken van wielen naar het buitenste pad liepen. De grond was rotsachtig, maar overal staken bloemetjes uit spleten.
In het laatste licht wees Manuva ons een kleiner huisje, een gastenverblijf zoals hij zelf zei. Het was bedekt met roze veren. Van binnen leek het echt een tent, van grijze wollen stof over stokken gedrapeerd. Op de grond lag een dik, wollen kleed, met in de hoek een stapel dekens.

Toen ik eenmaal lag, met aan elke kant een slapend kind, viel het me op dat het nu vrijwel stil was. Een enkel duifje hoorde ik nog koeren, maar verder alleen het geraas van de zee, daar beneden. Jadva en zoon waren teruggegaan naar het strand, ze durfden in de nacht hun boot niet achter te laten.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 6 Reacties

98 – Schorre Clif 3

De verbazing in hun ogen was groot. "Stijma!" riep Jadva, en "Bo!" riep Jad.
"En wie hebben we hier?" vroeg Jadva toen ze het strand bereikt hadden, Jadva met een stapel stof in zijn handen en Jad met een grote jutezak op zijn rug waarin ik kluwens wol vermoedde.
"Dit is Mia," zei ik.
"Broertje," zei Mia.
"Zusje, zal je bedoelen," zei Jad.
"Ja, Mia is nu het zusje van Bo. Zijn grote zus," zei ik, en ze straalde. "En mijn naam is Yima," zei ik.
"Dat vermoedde ik al," zei Jadva. "We komen net van Middelgront. Het spijt me dat ik je aan Gruva heb overgeleverd, ik wist niet het er zo aan toeging daar. Normaal gaat het alleen over handel. Hij vertelde vol trots dat hij een slechte vrouw had uitgeleverd. Hoe kom je hier dan terecht?"
Ik legde uit hoe het gegaan was met Mia.

"Schorre Clif is een raar eiland," zei Jadva, "maar wel relatief veilig. Er is maar één opgang en die wordt 's nachts bewaakt."
Toen zag hij de resten van de meeuw. Hij legde de stapel stof op de grond en haalde stukken brood en kaas uit zijn tas. "Voor de klim eerst wat eten."
Ik brak wat stukjes brood en kaas in een nap voor Mia, gaf Bo wat in zijn mondje, en at toen zelf, gretig. Gelukkig at Mia ondanks alles ook met smaak.

De klim naar boven was afschuwelijk gevaarlijk. De trap was zo smal dat het onmogeljk was een kind op de arm te nemen. Mia moest zelf lopen, en de treden waren soms veel te hoog voor haar. Dan legde Jadva zijn koopwaar een tree hoger en trok haar omhoog. Kuuksi bleef aan de buitenkant van het meisje lopen, duwde haar af en toe tegen de rotswand aan. Het gekrijs van de vogels leek alleen maar luider te worden. Af en toe passeerden we er eentje die in een nisje of op een uitstekend randje zat, ik kende hun namen niet, ze leken wel allemaal verschillend, heel kleurrijk ook, en op sommige richels groeiden roze bloemetjes of kleurig mos.

Jad klom voor aan onze stoet, hij juichte toen hij boven was. Het was één vogelwemeling daarboven, mensen zag ik nog nergens, huizen of hutjes ook niet, of toch! Daar in het midden!
Qua constructie leken ze op de hutjes van de Hemrenva's, maar deze waren groter, en bedekt met veren in alle kleuren, die oplichtten in de ondergaande zon.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

97 – Schorre Clif 2

Intussen was Bo haast net zo hard aan het krijsen – en stinken – als de vogels. Ik haakte mijn schild los, liet de draagzak op het strand glijden en pakte hem op, nat en vies, en bang ook, arm kereltje. Ik verschoonde hem en gaf hem wat water. Daarna liet ik Mia uit zijn kopje drinken. Maar te eten hadden we niets. We moesten aan de klim beginnen. Ik bekeek de kliffenmuur of ik een pad kon ontwaren, een trap moest het haast wel zijn.

En daar zag ik Kuuksi naar beneden rennen, was ze al boven geweest? En wat had ze in haar bek? Een vogel die bijna even groot was als zijzelf, hoe had ze dat klaargespeeld? Ze legde het beest voor me op het zand. Een grote meeuw was het. Ik had er altijd een vreselijke hekel aan gehad om kippen te slachten, meestal had Ma dat gedaan en in het Palast werd natuurlijk voor me gekookt. Dus ik plukte de veren van het beest en hakte het onbeholpen in stukken met mijn rietvlechtersmes. Kuuksi zette overal haar klauwtjes in en slobberde van het bloed en de ingewanden. Mia keek onbewogen toe.

Ik keek om me heen, waar zou ik een vuurtje van kunnen maken? En hoe ging ik het doen zonder pan? Er lag wel wat zeewier op het strand, en een paar half vergane planken. Niet echt iets om een fatsoenlijk kookvuurtje mee te maken. Ik kon wel janken, zo hulpeloos voelde ik me. Ik richtte me op en keek over zee. Rotiva was al uit zicht, maar vanuit het zuiden zag ik, heel in de verte, weer een bootje aankomen. Was het goed volk of waren het wachters?
Opeens schoot me mijn zeeoor te binnen. Hij zat in een zijvakje van de draagzak.
"Bij Bo blijven," zei ik tegen Mia.
Ze keek me verschrikt aan. Het kapothakken van die vogel was al erg genoeg, ging ik nu ook nog weg?

Ik deed mijn lange broek uit, en het jakje met de capuchon. Ik liep een klein eindje de golven in, liet me op mijn knieën zakken en hield mijn hoofd opzij onder water, mijn zeeoor over mijn echte oor. En daar hoorde ik het geplons van roeispanen en – oh opluchting – een vader en zoon die overlegden of ze alle eieren mee naar huis zouden nemen of dat ze er straks meteen een paar gingen opeten. Jadva en Jad!
Gauw trok ik mijn kleren aan en bleef naast de kinderen en de zeer voldane kat op de uitkijk staan.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 4 Reacties

96 – Schorre Clif

We hoorden Schorre Clif voor we het zagen, een enorm gekrijs van duizenden vogels vulde de lucht. Niet veel later verschenen de hoge kliffen waaraan het eiland zijn naam dankte.
"Er is maar één opgang," zei Rotiva. We voeren om het eiland heen, over een gelukkig kalme zee. Anders kon je hier zo tegen de kliffen gesmeten worden. Aan de oostkant, daar waar alleen de Naamloze Zee is, waar verder geen landen liggen – voor zover ik wist – daar was een inham met een klein strandje. Ook hier was het gekrijs oorverdovend, en de scherpe, vieze geur van vogelpoep vulde mijn neusgaten. De kleine Mia, die vol vertrouwen tegen me aan geleund zat, wees naar de lucht die ook vol vogels was.

Rotiva roeide de boot zo dicht mogelijk naar het strand. Hij stapte het water in en hield de boot vast terwijl ik van boord stapte. Zelf tilde hij zijn dochter eruit, en bracht haar met grote stappen naar het strand. Ik volgde. Naast mij zwom een mager beestje dat eenmaal aan land zich uitschudde en tot mijn grote vreugde Kuuksi bleek. Geen idee hoe ze het elke keer flikte, maar ze gaf me zo'n gevoel van kracht en onverzettelijkheid, van slimheid en ook van vertrouwen dat het ooit goed zou komen met ons, met ons kleine, nu uitgebreide familietje.

"Zo," zei Rotiva tegen Mia, "jij blijft nu bij tante Yima. Zij wordt je nieuwe Ma."
Ik wilde zeggen dat ik Stijma heette, maar opeens dacht ik: Ik ga nooit liegen tegen dit kind. Ik ga haar niet volproppen met verhaaltjes waar ik zelf niet in geloof. Misschien gaat ze me Ma noemen, dat is aan haar. Ik ben Yima van Rodva! Dat Bo's naam niet klopte was van later zorg.
"Va weg? Va komt morgen weer?"
Ik pakte haar handje en zei: "Nee, Va komt niet weer terug."
Ik keek Rotiva aan, hem uitdagend om het uit te leggen. Maar laf keek hij van me weg. Zonder nog een woord te zeggen plonsde hij terug naar de boot. Zonder nog te zwaaien roeide hij weg, de Naamloze Zee op. Ik wenste dat hij erin verzuipen zou.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

95 – broertje

Een zachte stem klonk vanaf het bed. "Neem Mia mee."
"Natuurlijk niet, hoe kom je erbij," zei Rotiva.
"Ik kan niet … het komt niet goed met mij …"
Ik knielde bij haar neer en voelde haar voorhoofd. Het gloeide. Ze tilde de deken op waaronder ze lag en draaide zich een beetje op haar zij. Ze bloedde verschrikkelijk.
"Er moet een genezer komen!" zei ik, denkend aan Metyva met zijn tas vol kruiden.
"Wij hebben geen genezer. Op Middelgront wordt niemand ziek. Leven en dood zijn in de handen van de grote Hemren," zei Rotiva, alsof het een lesje betrof, of nog een extra gebod.
Hij keek op zijn vrouw neer, letterlijk en figuurlijk.
Toen pakte hij het kind op en zei tegen mij: "Kom, we gaan."
"Maar je vrouw …"
"Ga," fluisterde Jirma. "Pas op mijn meisje."
Ik streek haar nog een keer over het voorhoofd. Woorden waren verder zinloos. Met moeite kwam ik overeind, de draagzak was nu veel zwaarder.
Mia, op de arm van haar vader, keek verbaasd naar Bo, die daar zo prinsheerlijk zat. "Kindje!" zei ze. "Broertje!"
De vrouw op het bed snikte. Zo had ze gehoopt op een broertje voor Miama.
Rotiva duwde mij voor zich uit, de deur uit, het pad op naar het westen van het eiland, daar waar aan de overkant Takasan lag, een verwaaid kustdorp waar we op huwelijksreis doorheen gereden waren.

Zoals mannen bij ons stranddispensatie kregen om te handelen in producten van de eilanden, zo hadden op Middelgront een paar mannen dispensatie om naar het vasteland te gaan. Dat was een eer. Wie het privilege misbruikte, werd ter dood gebracht. In het Graysameer gegooid, dus.
Dit alles werd mij zakelijk meegedeeld. Dat het meisje zulke dingen moest horen, maakte kennelijk niets uit. Ik vergat bijna om aan mezelf te denken, zo vreselijk vond ik het. Kon dit de bedoeling zijn van de grote Hemren? Was dat een Goede Vader?
Maar toen we tussen de bomen door Rotiva's boot op het strand zagen liggen, sloeg de werkelijkheid mij om het hart. Ik had weinig illusies over wat ze in DunKitaba met mij zouden doen. En met Bo?
Toen we de boot bereikt hadden, zei Rotiva: "Je hebt een keus. Als je Mia meeneemt, breng ik je naar Schorre Clif."
Verbijsterd keek ik hem aan. Gaf hij zijn dochter aan mij? Hoe moest hij dat uitleggen op Middelgront? Of had hij andere plannen?
Hij ging het me niet vertellen.
"Zeg het maar."
Rotiva zette Mia op de grond. Ze pakte als vanzelfsprekend mijn hand. Mijn hand die niet meer doorzichtig was. Rotiva duwde de boot het water in. Wij trokken onze laarsjes uit en volgden hem. Ik tilde Mia in de boot en klom toen zelf aan boord, Bo nog steeds op mijn rug.
Rotiva pakte de roeispanen. "En?"
Ik knikte. "Ja, dat is goed."

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 5 Reacties

94 – het offer

"Rotiva en Jirma, jullie hebben vandaag de zware maar prachtige opdracht om een offer te brengen aan de Grote Hemren. Besef dat jullie dat doen voor hem, maar ook voor de voorspoed van ons allen. Opgelost in het water van ons Graysameer zal jullie tweede meisje onmiddellijk worden opgenomen in zijn heerlijkheid. Laat de tranen die jullie plengen tranen van vreugde zijn."
Ze knielden neer aan het einde van de steiger en lieten het spartelende bundeltje zakken in het water. Ik wilde het uitschreeuwen, maar hield me stil zoals iedereen.

Kuuksi gaf me een kopje. Even was de aandacht van iedereen, ook van Gruva, bij de verwijdende kringen op het water. Vlug sloop ik achter haar aan, terug naar het magazijn. Gelukkig, de draagzak lag nog naast mijn bed. Ik zette Bo erin en hees hem op mijn rug. Ik hing het schild aan mijn armband. Daar waren de zware voetstappen van Gruva al. "Wat moet dat?"
"Me klaarmaken voor de reis?" zei ik onschuldig.
"Meekomen."

Waar alle mensen zo gauw gebleven waren, ik had geen idee. Terug in hun huizen, aan het werk op de kleine akkers die ik hier en daar tussen de bomen had gezien? Het was onvoorstelbaar stil en doods. We liepen langs het meer en ik huiverde bij de gedachte aan wat er daar op de bodem moest liggen. Ik vroeg me zelfs even cynisch af of het niet humaner was, wat ze hier deden. Meteen maar opruimen, zo'n nutteloos mens, in plaats van haar als ze volwassen was het dorp uit jagen, de woestijn in.

We stopten aan de overkant van het meer bij een huis. Gruva klopte op de deur. De ondoorzichtige man deed open, en noodde ons binnen toen hij Gruva zag.
In de hoek van de kamer lag zijn vrouw op een bed. Een klein meisje zat bij haar, ze aaide haar moeder onbeholpen over het haar.
"Jirma en Rotiva, Middelgront dankt julle voor jullie offer."
Geen van beiden zeiden ze iets terug.
Gruva schraapte zijn keel. "Dit hier – dat was ik – is Yima van Hebotva van DunKitaba. Een jonge hoge Ma die haar familie ontvlucht is. In Takasan wacht een escorte om haar terug te brengen. Jij hebt de beste boot, Rotiva. En vanwege jouw offer van vandaag leek het me ook een eervolle taak om haar weg te brengen."
Niet dat Rotiva er iets over in te brengen had. Hij knikte.

Gruva keek mij aan met een triomfantelijke blik, duidelijk met zichzelf ingenomen dat er vanaf zijn eiland zo'n belangrijke missie zou worden volbracht. En met iets van walging ook, voor een vrouw die zoiets krankzinnigs had gedaan. Maar niemand zei verder iets, dus met een kort "goede reis" verliet hij het huis. Geen oog voor de pas bevallen vrouw die daar in een hoek lag, nog nauwelijks bevattend wat er was gebeurd. Dit was toch erger, bedacht ik. De moeders van DunKitaba konden tenminste nog de hoop houden dat hun dochters nog leefden, ergens. Zou mijn moeder dat hopen? Of haatte ze me, nu ik de dood van Rodva op mijn geweten had?

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties