306 – Thiarchia (2)

De mannen – zes in totaal, allemaal in vale, zwarte kleding – gingen eerst stug door met waar ze mee bezig waren: de beenderen op de zwarte doek leggen. Schedels bovenaan, daaronder iets wat voor een skelet moest doorgaan. Steeds liepen ze terug naar de boot om een armvol botten op te halen. Soms vonden ze iets anders: een reep stof, of iets waardevollers, een munt of een sieraad. Daarvan werd een apart stapeltje gemaakt. Het leek of ze mij totaal niet opmerkten, maar misschien was dit zo'n belangrijk ritueel dat het door niets verstoord mocht worden.

Moeizaam kwam ik overeind en liep maar gewoon naar ze toe. Ze keken op noch om. Op het kleed lagen zeven doden. Zeven dode Tweede Meisjes? Meisjes die wél naar Signada waren gegaan, zoals het hoorde? Er laaide een woede in me op die ik zonder Murmerflu nog niet eerder had gevoeld. Wie had het recht om onschuldige mensen te vermoorden?
Het was of de mannen het voelden.
Een van hen stapte naar me toe en zei: "Kom."
Ik liep met hem mee naar het massieve, vierkante bouwsel waarvan de stenen deur openstond. Koude graflucht ademde naar buiten.

Koud en duister was het binnen. Het enige licht in de vierkante ruimte kwam door de openstaande deur, en van twee flambouwen aan de muur. In het midden was een diepe put waarvan het houten, halfvergane deksel openstond. Ik kan het niet anders noemen, een rond gat van een paar voet doorsnee, waarvan de diepte niet te peilen was. Ik was doodsbang en tegelijk zonder vrees. Ik liep om de put heen en bleef staan in het midden van de tegenover liggende muur.
Het zwarte laken met zijn gruwelijke inhoud werd de ruimte binnengedragen en opnieuw op de grond uitgelegd. Het trommelen begon opnieuw, de trommelaar moest op het dak staan. Op de maat ervan gooide de mannen de botten in de put tot alleen de schedels nog op het kleed lagen.
Opnieuw werd het doodstil.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

305 – Thiarchia

De mannen met de stok liepen weg, voorafgegaan door de grootuil. Het lege net sleepte door het zand. Twee anderen kwamen aanlopen met een groot zwart laken, dat ze uitspreidden over de lading. Even stond de boot onbemand. Wat me bezielde, hoe ik erop kwam, ik zal het nooit weten. De vreemde lokroep van die trage trommelslagen misschien. Ik nam wat bijna mijn laatste slokje Graysaflu was en stapte in de boot. Met mijn voeten maakte ik wat ruimte en voegde me bij de lugubere lading, onder de zwarte doek die stonk naar dood en verderf, een lucht die mijn lichaam zich maar al te goed herinnerde van de Visietunnel.

Even later voelde ik hoe de boot werd opgetild en naar het water gedragen. Ik hoorde het geklots van voeten in zee, ik voelde het gewiebel toen roeiers aan boord stapten, een stapte op mijn hand en ik wist mijn kreet niet te slaken. Op de maat van de doffe trommelslagen begonnen ze te roeien. Het duurde niet lang of ik voelde hoe de boot aan land schuurde. De roeiers sprongen eruit en trokken hem verder een strand op. Het trommelen stopte. Ik hield een hand voor ogen en zag hem. Het kleine slokje Graysaflu was uitgewerkt. Moest ik me dood houden? Moest ik het doek van me afslaan en maar laten gebeuren wat er gebeuren moest?

Ik hoorde een geluid als van een gong, en even laten het openschuren van een wat een zware, stenen deur moest zijn. Voorzichtig rolde ik onder de zwarte doek uit en liet me uit de boot vallen. Voor zover het ging schoof ik er een beetje onder. Door de spleten van mijn schild zag ik voeten. Een stem gaf een commando en ik hoorde het gewapper van de zwarte doek. De stank werd weer erger, ik moest bijna overgeven, ik hield het niet meer. Ik kwam overeind. Ik zat naast de boot op het koude zand, bepakt en bezakt, en alles om me heen ademde dood.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

304 – op het strand van Barra

Bij een pomp vulde ik mijn waterzak, en terwijl ik om me heen keek zag ik een wachter. En nog een. Opeens leek het ervan te wemelen, zag ik overal rode mantels. Ik moest weg hier! Ik rende mijn neus achterna, mijn neus die de zee rook ver voordat ik hem zag. Daar was het strand. Er lagen boten, er werd vis te koop aangeboden, vrouwen zaten netten te repareren, hoe kwam ik hier vandaan?

Nergens zag ik wat ik had verwacht (of liever geleerd): de verende loopplanken die moesten leiden naar het eerste van de eilanden, Thiarchia. Dat klopte dan alvast niet, ik herinner me hoe ik dat zakelijk registreerde, alsof ik nu echt was begonnen met het opstellen van de bewijslast. Even dacht ik aan Va's model van de Rots, met de latjes en de plantjes. Toen thuis nog veilig was. Of leek.

Wel lag een eind verder op zee een groot schip, zo'n zelfde schip als waarmee ik met de kinderen naar Barraspira was gevaren. Een man met een roeiboot sprak me aan: "Moet u naar Gralda?"
Ik schudde mijn hoofd. Ik moest naar Thiarchia, dat wist ik zeker. En tegelijk wist ik ook zeker dat ik dat niet hardop moest zeggen. En dat ik hier weg moest, en snel ook.

Toen hoorde ik een vreemd getrommel. Een langzame mars was het, op de maat waarvan twee mannen naar een grote zwarte roeiboot liepen. Tussen hen in, aan een lange stok, hing een groot, fijnmazig net. Daar bovenop zat een grootuil. Iedereen op het strand leek versteend, zelfs de vogels waren stil, alleen het monotone, dreigende getrommel ging door. Ik zag de trommelaar niet, het geluid leek haast van over het water te komen.

Toen de mannen de zwarte boot hadden bereikt, elk aan een kant, het net boven de boot, liet de grootuil het net los. Met een akelig geluid, alsof holle houten stokken op elkaar werden geslagen, viel de inhoud in de boot. Botten. Skeletten. Voetje voor voetje, diep in mijn mantel gedoken, schuifelde ik dichterbij tot ik het met eigen ogen zag. Beenderen. Schedels. Flarden van ooit witte stof. De grootuil cirkelde erboven rond, ik voelde de zucht van zijn vleugelslag.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 5 Reacties

novembervers 2

doormodderen

niemand hulp vragen
die schuld weegt immers te zwaar
soeverein zinken
 
 
 
 
 
 

lees alles over #novembervers in de Heldenreis Nieuwsbrief van november!

Geplaatst in schrijfveerhaiku | Getagged | Een reactie plaatsen

303 – Barra (2)

Deze keer had ik Kuuksi niet nodig om me te vertellen wat ik moest doen. Ik klopte zacht op de deur van de kamer naast me. Toen er geen antwoord kwam, deed ik hem voorzichtig open. Het bed was beslapen, en, belangrijker: er was een raam. Of tenminste een opening met luiken ervoor. Ik sloeg mijn mantel om, nam draagzak en schild op mijn rug en sloop opnieuw naar de kamer ernaast. Ik opende een luik op een kiertje. Ik zag de haveloze straat, de voorkant van de herberg, de houder waar de vorige avond de fakkel in had gezeten. Daar kon ik mijn voet op zetten en dan naar beneden springen. Maar dan moest ik mijn bagage afdoen.

Ik gooide de draagzak uit het raam, aarzelde even – nee, het schild wilde ik beslist bij me houden. Ik hoorde voetstappen … zo snel ik kon klom ik over de vensterbank, liet me zakken tot mijn voet de steun vond, en sprong op de grond. Net voordat de man mijn draagzak wilde inspecteren, pakte ik hem op. De man keek me verbijsterd aan maar liep door.
Ik keek door de openstaande deur van de herberg de eetzaal in. Vlak om de hoek van de ingang had een gast net een mandje brood en een bord gedroogde vis gekregen. Terwijl hij naar de waard gebaarde om meer thee, gapte ik vliegensvlug wat weg en maakte me uit de voeten.

Barra was een havenstad, een handelsstad, maar verfomfaaider en armoediger dan je zou verwachten van een stad die in contact stond met Gralda, en met de noordelijke eilanden. Triest, was het woord dat me te binnen schoot. De zon scheen wel maar toch leek het schemerig, terwijl hier toch geen sprake was van een schaduw, niet van de Heerweg en niet van de Rondweg. Straten waren ongeplaveid, hoe dichter naar de kust, hoe zanderiger. De huizen waren vierkant en laag, van dikke steenblokken, met afwerende kleine vensteropeningen, de meeste met de luiken dicht.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

novembervers 1

zoeken en dichten
voorlezen en uitpakken
alles in jouw naam
 
 
 
 
 
 

lees alles over #novembervers in de Heldenreis Nieuwsbrief van november!

Geplaatst in schrijfveerhaiku | Getagged | Een reactie plaatsen

302 – Barra

Het werd donker en ik hoorde het geklop van de paardehoeven niet meer. Ik waagde het erop. Doodvoorzichtig liet ik me van tak tot tak naar beneden zakken. Mijn handen raakten geschaafd en bebloed. Ik zag ze, maar ik durfde mijn flesje niet opnieuw aan te spreken. Zittend tegen de stam, mijn schild als dekplaat, sliep ik in.

De ochtendzon wees mij de weg naar het noorden, waar ik al gauw weer de IJshellingen zag opdoemen. Mijn maag knorde maar ik had niets te eten, alle proviand zat op het paard. Naar de grote weg gaan was geen optie, ik wist nu zeker dat ik ergens werd opgewacht. Platenbloed dan maar, en nog een straalzaadje.

In het donker bereikte ik Barra, een havenstad die me even deed denken aan Ulfardasan, al was hier geen rivier. Een stad zonder muren, met boten en huizen aan het strand. Maar die had ik toen nog niet gezien. Ik keek rond om te zien of er ergens een herberg was. Er was een gebouw in een achterafstraatje waar een fakkel brandde en waar door luiken licht scheen. Ik moest het erop wagen. Als Stijma van Liduva bracht ik mijn eerste nacht in Barra door, in een benauwde, raamloze kamer met een bed dat zo vies rook dat ik mijn eigen bedrol erop uitspreidde.

Gelegenheid om me te wassen was er niet, zag ik, toen ik hongerig wakker werd. Voorzichtig opende ik mijn deur. Geuren van brood, van vis, van sterke thee. Het water liep me in de mond. Durfde ik tijdens het ontbijt mijn bagage te laten staan? Ik boog me nog wat verder over de railing van de overloop. Ik slaakte nog net geen kreet van schrik – daar zat ze, welgedaan en luidruchtig flirtend met de wachters aan haar tafel: Wasijma.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

goede bedoelingen (2)

Er was weer eens #metoo ophef: een hoogleraar die zijn handen niet thuis kon houden en meer wangedrag vertoonde. Zijn verdediging:
"Het is nooit mijn intentie geweest om mensen te kwetsen of te beschadigen. Het spijt mij zeer dat mensen gedragingen van mij als negatief hebben ervaren."

De nardar wordt bijna moe en/of cynisch van het uitslaan. Het is zó gemakkelijk gezegd: "ik heb het niet zo bedoeld" of "ik bedoelde het goed" en vervolgens ligt de bal in het kamp van het slachtoffer, zal die zo slecht zijn om aan deze goede bedoelingen te twijfelen? Het is geraffineerde manipulatie, net zoals wanneer zo iemand zegt: "Ik dacht dat wij een speciale band hadden" of "... goede vrienden waren."
De bedoeling is om bij het slachtoffer gewetenswroeging te veroorzaken, zodat het niet meer gaat over het wangedrag van de dader maar over de harteloosheid van het slachtoffer.

Iemand kwam met een fantastisch stuk, uit 2017 alweer, dat gaat over het gevaar van die Goede Bedoelingen. In conflicten, zo luidt de leefregel, moet je er altijd vanuit gaan dat iemand het Goed Bedoelde (assume good intentions). Zodra je dan met je conflict naar iemand toestapt, kan diegene meteen beginnen met het minimaliseren ervan. "Hij bedoelde het vast niet zo."
Het slachtoffer kan dan dus nergens meer terecht.

Stel je voor dat Fred op Alicia's voet gaat staan. Gebeurt dat 1 keertje, en is het per ongeluk, dan is er niets aan de hand. Maar stel dat Fred elke dag op Alicia's voet gaat staan. Ze wordt voorzichtig, ze zorgt dat ze niemand in de weg staat, ze moet gewoon wat beter opletten. Het blijft gebeuren! Schoenen geruïneerd, tenen gebroken … Maar ja, Fred bedoelde het niet zo, dus ze mag zijn gevoelens niet kwetsen.

Dat is het hele punt. Het draait nu om de gekwetste gevoelens van de dader, en het slachtoffer is schuldig. Hoe erg je ook gekwetst bent, je moet aardig blijven en glimlachen want anders is het zielig voor die arme dader met die goede bedoelingen. DARVO ten top. En giftige positiviteit.

Lees het hele artikel. Laat ook jouw nardar uitslaan als mensen met Goede Bedoelingen schermen nadat ze jou gekwetst hebben.

En lees voor een saillant voorbeeld de gastcolumn van Aurora op Het Verdwenen Zelf.



Geplaatst in autobio, tijdgeest | Getagged , , , | 2 Reacties

301 – Koyova (3)

Tegen de avond kwamen we in de buurt van Barra. Het terrein werd vlakker. In de niet meer zo verre verte blikkerden de uitlopers van de laatste IJshellingen en daar liep ook de officiële weg. Het leek niet veilig om hier nog te stoppen maar het was mijn enige kans. Ik tikte hem op zijn rug, riep dat ik moest plassen, deed alsof ik buikkramp had, verdween achter de bomen, hurkte neer en nam een slokje Graysaflu uit het flesje in mijn broekzak. Ik kon mezelf wel slaan omdat ik hem vertrouwd had. Omdat ik zo naïef was geweest te denken dat zo'n driehoekje iemand tot een beter mens transformeerde. Goede en slechte drijfveren waren overal, en mijn lichaam had zo genoten van het zijne. Kuuksi zou me gewaarschuwd hebben, daar was ik zeker van. Hemren, wat miste ik dat beest.

Ik hoorde Koyova roepen: "Yima! Alles goed? Waar blijf je?"
Ik moest weg. Hij moest me niet vinden, dan wist hij meteen dat ik hem doorhad. Onze voorraad Graysaflu zat op het paard maar hij zou wel vermoeden dat ik zelf ook nog wat had. Wat zou Kuuksi doen? Ik keek omhoog. Het was een stevige pijnboom met grote zijtakken. Het was bijna niet te doen met bepakking, maar ik kon mijn spullen niet laten liggen, dan zou hij ze zeker vinden. Met de grootste moeite hees ik mezelf op de eerste tak, de tweede, de derde, hoger en hoger tot ik kon zitten, schrijlings op een tak, leunend tegen de stam.

Ik hoorde hoe hij mijn kant opkwam, even later zag ik hem onder me lopen, stilstaan, rondkijken, grommen in zichzelf. Hij liep terug, kwam even later te paard opnieuw voorbij, riep nog een paar keer mijn naam, aanvankelijk nog alsof hij lief en bezorgd was, maar algauw scheldend, rotwijf waar zit je. Op dat moment wist ik dat ik zelfs Murmerflu zou nemen om aan hem te ontkomen.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

300 – Koyova (2)

Op de ochtend van de derde dag vroeg Koyova: "Zal ik met je mee reizen?"
Ik blies in mijn thee, de kom in beide handen, en schudde mijn hoofd. Want dit wist ik zeker: naar de Rots moest ik alleen. Het was mijn taak en mijn lot.
Ik geloof niet dat hij het begreep. "We zijn toch verzetters? We helpen elkaar …"
Ik wilde geen hulp, ik wilde geen bescherming, hoe prettig dat ook had gevoeld, de afgelopen dagen.
"Goed dan," zei hij onverschillig en zelfs een beetje gepikeerd. "Wil je vanaf hier lopen of mag ik je nog naar Barra brengen?"

Ik keek hem aan, zijn stoere lichaam alweer een herinnering. Er was iets in zijn blik wat me niet beviel. Ik grabbelde in een zijvak van de draagzak naar mijn flesje leeswater en deed, voor hij iets kon vragen, bij ons allebei een drup in de thee.
"Wat is dat?"
"Versterkt de smaak," verzon ik.

Als damp uit een theekom rezen flarden van Koyova's gedachten in mijn hoofd. Heel bewust probeerde ik er niet op te reageren, zodat hij niet te weten kwam wat ik nu wist. Dat hij me naar Barra wilde brengen om me uit te leveren. Dat hij dat als verzetter voor zichzelf goedpraatte door mij als gevaar voor de hele gemeenschap af te schilderen. Maar dat hij eigenlijk uit was op een beloning.

Ik goot de rest van mijn thee op de grond en dacht uit alle macht aan de Goede Vader, aan Kuuksi, aan lieve dingen. Wat kon ik als reden verzinnen om het laatste eind te lopen? En wilde ik dat?
We pakten de kommen en messen in, en stegen weer op. Aan hem merkte ik niet dat hij mijn gedachten had gelezen. Misschien werkte het alleen als je met je hele wezen wilde weten wat er in de ander omging, zoals ik destijds bij tante Wizma.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 4 Reacties