293 – op weg naar Barra

Ik liep tot ik niet meer kon, het gekras van mijn ijzertjes verraderlijk hard in de doodstille, koude nacht. De maan verzilverde de ijshellingen, ik was naar het zuiden afgedwaald, dat moest anders, maar ik kon niet meer. Ik kon ook niet stoppen, het was te koud. Moeizaam strompelde ik verder, het terrein werd wat heuveliger en in de verte meende ik bomen te zien. Ik verbeeldde me zelfs dat ik ze rook, een kruidige geur die me aan Burman en Gladefam deed denken, heel in het begin van onze vlucht uit Barraspira.

Tegen het ochtendgloren had ik ze bereikt. Een bos kon je het niet noemen maar her en der staken grote pijnbomen omhoog uit de rotsige grond. In de beschutting van een kleine, met keien bedekte heuvel lukte het me een vuurtje te maken met behulp van de tondeldoos. De ijshellingen kon ik niet zien, dus konden ze mij ook niet zien vanaf het pad, toch? Of kon ik toch beter … en toen ontdekte ik dat de fles met Graysaflu niet meer aan mijn draagzak hing. Hij moest eraf geraakt zijn toen ik mijn spullen door de spleet duwde. Ik schrok verschrikkelijk. Er zat nog een piepklein flesje bij mijn vooraad flu's, maar dat was nog genoeg voor hooguit een of twee keer.

Hoe moest ik nu ooit Barra bereiken? Zouden ze niet gewoon op me wachten daar? Moest ik wachten op Bo, of alleen mijn pad kiezen? Ik wist het niet meer. Ik liet me door slaap overmannen en schoof zo een droom over de Visietunnel binnen, een vorig leven leek het wel, zo lang was ik voor mijn gevoel al onderweg terwijl het in werkelijkheid misschien twee, hooguit drie manen geleden was.

Ik werd wakker van de zon recht in mijn gezicht, en van gekriebel. De Kuuksivogel zwierde haar lange staart over mijn neus en wangen. Moeizaam kwam ik overeind en schudde de restanten van de droom uit mijn hoofd. Als ik uit de Visietunnel kon ontsnappen, moest ik nu ook weer verder kunnen.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 4 Reacties

292 – zo snel mogelijk hier vandaan

Geluidloos zweefde de witte uil naar me toe, hij landde naast me. Meteen was ik wakker, en met de tegenwoordigheid van geest die je opdoet als vervolgde, grabbelde ik in mijn buidel naar de straalzaadjes en hield de uil mijn hand voor. Het werkte! Een voor een pikte hij ze voorzichtig uit mijn hand, en ik zag het licht in zijn ogen doffer worden, hij wiebelde op zijn klauwenpoten en kukelde toen zo achterover van de vensterbank, zijn vleugels licht gespreid zodat hij zacht neerkwam en zacht koerend als een duif een beetje rondwaggelde. De poortwachters liepen naar hem toe, ik hoorde ze mompelen, wat heeft dat beest …

Vlug rende ik de gang door, naar beneden, naar de poorthal, die werd verlicht door twee toortsen. Nu zag ik in het metselwerk tegenover de poort een vage boogvorm. Alsof ook daar een poort was geweest. Achter me vermaakten de wachters zich met de dronken uil, ik haalde mijn hemrond tevoorschijn en hield hem om hoog, mijn hele wezen een grote bede om hulp, van wie? Alleen maar Help mij, Help mij.

Heel langzaam, en met veel te veel lawaai, draaide wat eens een deur was geweest naar buiten open. Gekraak, gebolder van vallende stenen, een spleet die veel te smal was om mij door te laten, help mij, help mij, wanhopig hield ik de hemrond hoger en hoger, de wachters kwamen op het geluid af, help toch, help!

Een blauwe bliksemflits, een vogel met een kattengezicht, met een wreed bekje en wrede klauwen, viel hen aan, om en om, klauwde en beet in hun gezichten, een worsteling met geschreeuw en gekrijs, in de gangen boven beweging, roepen, rennen, en al die tijd schoof tergend langzaam de stenen deur verder open, ik gooide schild en draagzak door de spleet en perste toen mezelf er zijwaarts doorheen.

Achter me schoven de stenen die niet gevallen waren weer op hun plek. Ik bond mijn ijzertjes onder en maakte me uit de voeten. Zo snel mogelijk zo ver mogelijk hier vandaan!

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 1 reactie

291 – gevangen?

(met excuses aan de lezers: van de hitte helemaal vergeten dat het woensdag is!)
(wel 2 nieuwe afleveringen geschreven vandaag)

Ik zag hoe hij zich bukte en iets opraapte: een witte veer. En nog een, en nog een. Ik plukte aan de zoom van mijn mantel. Nog meer veertjes. Terwijl de wachter richting de poort liep, sloop ik verder de andere kant uit, voorbij wat blijkbaar een gelagkamer was, in deze half ondergrondse herberg. Niet alleen wachters zag ik, er waren ook vrouwen en opeens zag ik Wasijma! Mijn hart stond haast stil. Ik voelde me zo verschrikkelijk verraden. Had ik ook op Schorre Clif voor slachtoffers gezorgd door alles aan Wasijma te vertellen?
En hoe kwam ik hier ooit vandaan?

In een kleine nis van waaruit ik de deur van de gelagkamer kon zien, liet ik me op de grond zakken. De wachter kwam terug, zijn handen vol veertjes. "Ze moet er zijn!" hoorde ik hem roepen. Meer wachters troepten naar buiten en opnieuw hoorde ik Wasijma's stem: "Ze heeft Graysaflu!"

De ene helft van de troep liep richting poort, de andere helft kwam mijn kant uit. Ze voelden langs de muren, in de nissen, ik moest iets anders bedenken, wat zou jij doen, Kuuks? Uit het raam springen natuurlijk. Dat durfde ik niet, maar ik durfde wel te gaan zitten op zo'n brede rotsvensterbank, met mijn benen naar buiten. De twee groepen kwamen weer bij elkaar, ik hoorde ze overleggen. "Ze kan nergens heen. We vinden haar morgen, en anders roepen we die uil opnieuw op. Wie houdt de wacht?"
Ze verdwenen in verschillende kamers. Twee wachters posteerden zich voor de deur van de gelagkamer, twee anderen liepen opnieuw naar beneden, naar de poort, ik kon ze zien als ik me gevaarlijk ver voorover boog. Waarom daar? Zou daar dan toch een uitgang zijn?

Ik nam nog een slok Graysaflu en gaf me een kort moment over aan de slaap, zo schuin op die vensterbank, leunend tegen schild en draagzak, mijn benen bungelend over de rand. Het was koud en doodstil, de sterren straalden onbarmhartig.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 3 Reacties

290 – geland of gevangen?

Mijn uil had zijn opdracht volbracht, ik grabbelde in mijn draagzak naar een schrijfstift om een briefje aan Pauma te schrijven. Van Yima voor Pauma, dank! Meer wist ik niet te schrijven, mijn gedachten waren bij Bo.

Natuurlijk kon Pauma niet weten dat we nu samen op weg waren, het was al heel wat dat ze op de een of andere manier gehoord had dat ik in gevaar was. Zouden er inmiddels op de eilanden ook verzetters zijn?
Ik boog voor de uil, hij neeg zijn bijna witte kop ten afscheid en koos het luchtruim in zuidelijke richting.

De avondzon piepte nog net over de muur van de binnenplaats. Voorzichtig kwam ik overeind. Ik was nog helemaal heel, dat gaf me moed. Ik zag een poort, die werd geflankeerd door twee blauwe beelden van de Goede Vader. Ik kwam terecht in een hal die deed denken aan het hoofd van de Goede Vader, zo hoog en rond, met openingen waardoor in de nacht sterrenlicht naar binnen kon schijnen.
Links en rechts waren trappen die toegang gaven tot gangen met lichtjes aan de wand. In de buitenmuren zat geen enkel venster, al het licht moest overdag via de binnenplaats naar binnen stromen.

Het maakte me ook een beetje bang: zat ik hier gevangen? Ik voelde in mijn broekzak naar de Hemrond. Hij zat er nog, maar ik wist dat zijn sterkte afgenomen was. Zo geruisloos mogelijk sloop ik door de gang tot ik geroezemoes hoorde. Luide stemmen, gerinkel, gelach. Een deur ging open, iemand keek de gang in. Ik drukte me tegen de muur en nam zo stil als ik kon een slok Graysaflu.
Degene die de gang in keek riep naar binnen: "Niemand te zien!" en in antwoord op commentaar van binnen: "Mij te koud!"
Maar even later liep hij toch de gang in. Een wachter, zijn vuurrode mantel oplichtend als een vlam.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

289 – over de Heerweg

"Pauma? Wie is dat?"
Ach natuurlijk, Bo was toen nog veel te klein om het zich te herinneren, die spectaculaire vlucht van Schorre Clif naar Wyda Moor. Bo en Mia elk met hun eigen kinderharnasje, ik alleen. Wat een vertrouwen had ik gehad, moest ik wel hebben, geloven wat Pauma zei: "Ze hebben nog nooit iemand kwaad gedaan." Ik had het geborduurde schildpaneeltje van Schorre Clif, met de vogel die leek op Pauma's zusje, aan haar gegeven.

Er was geen tijd om het verhaal te vertellen, ik kon alleen maar zeggen: "Deze uil moet te vertrouwen zijn."
Ik had geen harnas, ik keek naar de grote, scherpe klauwen, zou het goedkomen nu ik zoveel dikker gekleed was? En zou hij Bo daarna ophalen? Had ik de vragen gedacht of ook uitgesproken? De uil knikte ja, schudde nee.
"Ga," zei Bo. "Ik kom er wel."

Als een enorme windvlaag vloog de uil boven me, ik voelde dezelfde schok als destijds toen hij me vastgreep, ik deed mijn ogen dicht en gaf me over. De ijswind streek langs mijn wangen, ik deed mijn ogen open en zag beneden me de witglinsterende strook van de ijshellingen, het schaduwlint van de Heerweg, rondcirkelende grootuilen die, zo zag ik nu, veel donkerder van kleur waren dan de grootuilen van Schorre Clif.

Een heel eind verder daalde mijn uil, op een soort natuurlijke binnenplaats van een gebouw dat deels in de rotsige grond verdween. Dankzij mijn bont en mijn draagzak landde ik vrij zacht. Ik zat even totaal verwezen op de grond, tot ik een andere vogel in het oog kreeg. Een blauwe vogel met een lange glinsterende staart en het gezicht van Kuuksi. Ze keek naar mij met een uitdrukking die ik niet kon duiden, het was of ze me iets wilde vertellen maar ik kon het niet verstaan. Het leek of mijn uil haar wilde wegjagen, groot en dreigend liep hij naar haar toe. Met een waarschuwende krijs als van een pauw vloog ze weg, naar het oosten, naar Bo, hoopte ik.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

288 – een boodschap

"Weet jij waarom Signada zo gevaarlijk is?" vroeg ik aan Bo. Fluisterend, omdat ik nu al bang was dat iemand ons kon horen. Clarma had het niet geweten, of tenminste geen antwoord gegeven op mijn vraag.
"Ik heb gehoord dat de gifboom daar staat," fluisterde hij terug.

Als een steen uit een katapult werd ik teruggeworpen naar Kraeckten San, naar de legende die Horva zo smakelijk had opgedist, over de vrouw die het leven liet omdat ze zich niet aan de geboden hield. Ik had die gifboom met eigen ogen aanschouwd - een wanstaltig groeisel dat als een wrede hand naar de lucht klauwde - toen Jadva en ik uit alle macht naar de veiligheid van Taka Haringes roeiden, Bo op de bodem van de boot, beschermd door de kleine Jadva die zich opeens een grote broer voelde.

Weer trok Bo me terug naar het heden. "We moeten ze nu maar afdoen," zei hij. We lieten ons zakken op een grote kei en bonden de ijzertjes af. Nu moesten we nog voorzichtiger lopen, we mochten geen benen breken of zelfs maar onze enkels verzwikken.

Toen gebeurde het. Schijnbaar vanuit het niets – of in elk geval vanuit het zuiden, niet vanuit de richting van de Heerweg – landde opeens, volkomen geruisloos, een grootuil aan onze voeten. Wij waren onzichtbaar maar hij zag ons, zijn ogen ter hoogte van de onze keken ons aan alsof er een mens in zijn draaikop zat.
De angst sloeg me om het hart, ik had gezien wat ze konden aanrichten, hoe ze zonder pardon een mensenleven oppakten en het als een zinloze zak botten lieten neervallen.

Bo fluisterde: "Een briefje."
"Wat?"
"Een briefje, kijk dan!"
Maar het was geen briefje, het was een dunne potscherf met tekentjes erop. Een absurde hoop welde in me op. Voorzichtig schoof ik het scherfje onder zijn grote klauw vandaan en las voor: "Voor Yima van Pauma."

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

287 – lopen en hopen (2)

De grond was nog steeds hobbelig en glad, maar met de ijzertjes en ons verlangen om warm te worden haalden we toch een behoorlijk tempo. Op een gegeven moment hoorden we opnieuw het nu al bekende geluid van een regiment wachters op het reguliere pad. Tegen de zonbeschenen ijshellingen staken ze af als een schaduwspel. Gauw namen we weer een slok Graysaflu. Op hetzelfde moment stopte de stoet, was de wereld even doodstil zonder het gestamp en gerinkel, een stem schoot uit: "Ik zag iets! Daar beneden!"

Iemand maakte zich los uit de stoet en stapte naar de kant van de weg, zijn hele gestalte nu zichtbaar voor ons. We bewogen niet, we ademden nauwelijks, we verdwenen voor ons gevoel veel langzamer dan anders … maar de wachter keek tegen de zon in, hij zag ons niet. De stoet formeerde zich en verder marcheerden ze weer, net als wij richting Heerweg.
Geschrokken waren we wel, het leger zou er eerder zijn dan wij, ze zouden ons opwachten daar en hoe onzichtbaar we ook waren, ze zouden een manier vinden om oms te grazen te nemen, daar was ik zeker van. En Bo ook, hij pakte mijn hand en beloofde: "We vinden er iets op, Yimama, ik weet het zeker."

Het duurde niet lang voor we in de verte de schaduw van de Heerweg ontwaarden. Konden we niet beter wachten op de nacht? Maar het was zo verschrikkelijk koud. Ik smachtte naar onderdak, naar warmte, mijn lijf bracht me terug naar de woestijn waar ik het warme zand als een deken over me heen trok. Bo's stem bracht me terug in deze wereld: "Doorlopen! Stilstaan is gevaarlijk!"
Gebouwtjes zagen we opdoemen, vast en zeker herbergen, en ook iets wat op een verzameling tenten leek, zag ik hoopvol. Maar Bo zei: "Dat is een legerkamp."

Onze ijzertjes krasten op de stenen. Als we binnen gehoorsafstand van de Heerweg waren, moesten we ze afdoen. Steeds dichterbij kwam het zwarte lint van de schaduw, het leek wel een rookspoor dat over de ijshellingen verdween in de richting van Signada.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

Vluchtstofgoud – Dien L. de Boer

Ik vind het lastig, een recensie schrijven van een dichtbundel. Ik heb geen "verstand" van poëzie, ik ben ook geen kenner. Maar ik weet wat ik mooi vind, wat werkt voor mij. Er zijn verschillende redenen waarom een gedicht mij aanspreekt. Het kan zijn omdat het iets verwoordt wat in mijn ziel om woorden zocht – dat zijn vaak de gedichten die ik in mijn boekjes gebruik -, het kan zijn dat het me een beeld voor ogen tovert dat ik niet eerder zo, of zo helder, gezien heb. En soms is het gewoon – nou ja, gewoon – de taal, een enkele zin, een strofe, die me naar adem doet happen van bewondering.

In Vluchtstofgoud staan ze allemaal, en dat is best wonderlijk, want deze bundel is eigenlijk een autobiografie in gedichten, heel persoonlijke poëzie die probeert te vangen hoe het is om op te groeien in een Gronings dorp, daarna je vleugels uit te slaan in grote steden, hoe daar een depressie toeslaat, wat de liefde vermag, en hoe rijk het Friese platteland is voor een dichter.

Om met het laatste te beginnen, een paar van de mooie zinnen die ik heb onderstreept:
• een vader die zich omgrenst met de krant
• het pikkedonker waar de vooruitgang vlamde in de affakkeling van het gas
• de remsloffen van het hogeland
• afdalen in de geheime dienst van de ziel
• het voorbeeld dat ik moest ontvolgen
• deze infrastructuur van tederheid
• het ei van de droom breekt open

Gedichten die mijn gevoel verwoorden:
• dreams, berlijn, waarin het schrijven in een dagboek leidt tot het besef "dat aan iets maken, observeren vooraf gaat"
• eilandenrijk, over een kind dat wegwandelt uit de archipel van het gezin "als een waddeneiland met wenselijk landverlies en winst aan de oostzijde"
• niet de zon, dat je in poëzie niet over de maan moet beginnen, maar dat toch doen: "dat ik het maans bleek te verstaan"

Gedichten met heldere beelden (of zelfs een kort filmpje):
• oma slochteren, die van de affakkeling van het gas en de gadobus die door het pikkedonker rijdt
• handscape, over de oude handen van de moeder
• kind, over een jongen die antieke scherven opdiept uit de vaart
met de prachtige slotzin:
"ik wist niet – voor hij bestond – dat geluk
hem nodig had om te worden opgediept."

Wat een prachtige en rijke bundel weer!
(over de eerste bundel van Dien L. de Boer schreef ik hier)

Geplaatst in gedichten, recensies | Getagged , | Een reactie plaatsen

286 – lopen en hopen

"Ben jij daar langs gekomen op je paard?" vroeg ik.
"Ik volgde de Rondweg," zei Bo. "Ik ben er in de nacht héél hard overheen gegaloppeerd." Ik hoorde aan zijn stem dat zijn gezicht straalde. Ik hoorde mijn kleine Bo die zo graag een held wilde zijn. Maar intussen was dat nu geen optie. We moesten een manier vinden om zelf over de Heerweg heen te galopperen, want iets zei me dat grootuilen weleens door de mist van Graysaflu heen konden kijken.

Ditmaal vonden we geen holletje voor de nacht. We bouwden een muurtje van keien om ons te beschutten tegen de ijswind, kropen weer diep in onze mantels, met mijn schild over ons heen. Ik knoopte alle paneeltjes los zodat het groter was, en het gaf me een gevoel van grote bescherming. Ik moest denken aan hoe we eronder geschuild hadden op Langen San, toen ik ook daar werd vervolgd. Aan Valma en Pydva dacht ik, en aan alle mensen die me hadden geholpen op deze lange reis, en zo werd het een droom en sliep ik, onder het schild, stijf tegen mijn grote zoon aan.

Zodra we wakker werden – heel vroeg was het nog, de zon piepte maar net boven de horizon uit – wist ik het: vandaag moesten we de Heerweg oversteken. Er was niets om een vuurtje mee te maken, dus we gingen maar meteen op weg, hard stampend om wat warmte in onze voeten te krijgen. Grote kans dat er bij de Heerweg wel herbergen zouden zijn, met warm eten, warm water, warme bedden … maar waarschijnlijk niet veilig genoeg voor ons.

"Zou er nog een kamp zijn ergens?" vroeg ik aan Bo.
"Als we geluk hebben," zei hij. "Alle verzetters weten van de toegenomen activiteit in MancuKundalu, misschien zijn er meer van die kampjes als waar jij en Clarma …"
We konden alleen maar hopen. En lopen.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

285 – de weg naar het westen (2)

De eerste horde die we te nemen hadden was de Heerweg. We moesten hem kruisen, morgen of overmorgen. Grote kans dat er daar extra naar ons uitgekeken zou worden, of zelfs dat we zouden worden opgewacht. Reden temeer om nu in elk geval niet terug te keren naar het pad. We bonden de ijzertjes onder onze laarzen, namen onze bepakking weer op, Bo hielp me met mijn schild en vroeg hoe het kwam dat de buitenkant zo beschadigd was. Ik vertelde nu hoe we Roosma uit de tunnel van de Graysaflu hadden getrokken, het arme prinsesje zonder benen.
"Moeten we nu ook Graysaflu nemen?"

We kropen ons hol uit en keken om de kei heen naar het noorden. De ijshellingen glinsterden in het ochtendlicht maar het pad konden we niet zien. Zou dat betekenen dat we van daar ook niet gezien konden worden? We waagden het erop, het was zo lastig en onwerkelijk om met iemand te lopen die onzichtbaar was. En de waterzak hing aan mijn draagzak, we konden zo een slok nemen.
Evenwijdig aan de ijshellingen vervolgden we onze weg, moeizaam lopend over het ongelijke gesteente, onze schoenijzers krassend over rots en ijs. Het voelde nu niet zo koud, maar dat kwam misschien van de zon en van onze inspanningen.

We keken de zon alweer bijna in het gezicht toen we opnieuw gerinkel en gestamp hoorden. Nu zagen we ze ook, helmen en speren die blikkerden in het zonlicht, een leger dat oostwaarts liep. Vlug namen we elk een slok Graysaflu. Zou het dezelfde groep zijn als gisteravond? Patrouilleerden ze tussen Helvarderaflu en Heerweg? Waarom waren ze er zo zeker van dat we op weg waren naar Barra? Maar natuurlijk wisten ze dat, van Wasijma. Ze zouden ons zeker bij de Heerweg opwachten. Zacht vertelde ik aan Bo over de bewaking bij de laatste kruising met de Rondweg, daar waar Wasijma en ik de Heerweg verlaten hadden. Al die grootuilen op die pilaren, ik kreeg er nog de rillingen van.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen