224 – de wasplaats (2)

Gauw stak ik weer de weg over. Roosma was in diepe slaap, ik kon ongemerkt een flesje Bridawertflu uit de draagzak pakken.
Ik legde aan wasmeisje uit dat ze elke ochtend een drup moest nemen, zolang ze onderweg was. Dankbaar keek ze me aan. Haar kleren waren schoon.

Op de rand van de wasbakken aan de overkant landde geruisloos een enorme grootuil. Zijn gele ogen boorden zich in de mijne. Wasmeisje schrok ervan, kennelijk had ze er nog nooit eentje gezien. "Wees maar voorzichtig," zei ik zacht. "Ze kunnen je redden maar ze kunnen je ook vermoorden." Wat er met Otta was gebeurd zou ik nooit vergeten. "En ze zijn vaak in dienst van iemand," voegde ik eraan toe.
Met onze bundeltjes wasgoed liepen we langzaam terug naar de herberg.
"Ik zie je morgenochtend," zei ik. "Geef me dan die tuniek maar terug."

Ik vond hem de volgende ochtend, netjes opgevouwen, voor de deur van onze kamer. Ik wist niet eens hoe wasmeisje heette, of waar ze vandaan kwam. Alleen haar schild herinnerde ik me vaag, het had geschitterd in het licht van de olielampen, misschien van stukjes glas? Zou ze uit Barrador komen, helemaal in het westen van Registana? Dat ze daar misschien ook in glaswerk uit Mingia handelden? Maar ik had geen tijd om er verder over na te denken, Roosma had me eropuit gestuurd om waswater te halen en daarna voor het ontbijt te zorgen.

Naast haar smetteloze verschijning voelde ik me nu helemaal armoedig en vuil. Het viel haar ook op, we stopten bij een kraam met kleding in allerlei kleuren. Ik was intussen wel gaan houden van paars, en voor zover ik wist was dat geen kleur van betekenis, zoals wit, zwart, rood en blauw dat waren. Achter een gordijn kleedde ik me om en propte de vuile plunje in de draagzak.
Daar liepen we dan weer, in de schaduw, over de kaarsrechte, gegroefde weg. Af en toe ratelde ons een kar voorbij maar Roosma wilde niet meerijden, ze wilde alles zelf lopen.
"Waar denk je dat we uitkomen?" vroeg ik.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

giftige positiviteit – toxic positivity

Het is wonderlijk hoe sommige boeken op precies het juiste moment onder je aandacht komen. Bij mij gebeurde het door een tweet met een boekbespreking in het Algemeen Dagblad.
Het sloot zo aan bij wat ik een paar weken eerder had meegemaakt: een trauma-trigger waarbij ik niet eens precies begreep waarom mij dat zo triggerde. Alleen dat het aansloot bij wat invalidation wordt genoemd, een woord waarvoor de Nederlandse vertaler ook geen Nederlands equivalent weet, hij omschrijft het als: "Valideren is met begrip en compassie erkenning geven aan een ervaring (bijvoorbeeld een emotie) van iemand, zodat die ander zich gezien en erkend voelt […]."
Zelf schreef ik er eerder een blog over.

De meeste mensen denken dat positiviteit alleen maar positief is. Als je maar blij en dankbaar in het leven staat, komt alles vanzelf goed. Het ergst wordt dit gedachtengoed aangehangen in kringen van The Secret: je hebt alle nare dingen die je overkomen aan jezelf te wijten, want je hebt ze gelokt met je boze gedachten. (ook al eens over geschreven, trouwens)

Goodman legt heel goed uit wanneer positiviteit giftig wordt. (Ik heb de Engelse versie gelezen maar er staat een flink inkijkexemplaar van de vertaling bij bol. Paginanummers verwijzen naar de Engelse uitgave.)
Positiviteit wordt giftig als het wordt gebruikt:
• in gesprekken waarin iemand uit is op steun, begrip, validering of compassie, en in plaats daarvan op een gemeenplaats wordt onthaald.
• om mensen zich te laten schamen als ze het gevoel krijgen niet genoeg te doen, niet hard genoeg te werken, of dat hun lastige emoties niet te rechtvaardigen zijn.
• om ervoor te zorgen dat we ons schamen omdat we niet blij of positief genoeg zijn
• om onze werkelijkheid te ontkennen.
• om iemand met legitieme zorgen of vragen te gaslighten of tot zwijgen te brengen.
• om mensen te vertellen dat alles wat verkeerd gaat in hun leven hun eigen schuld is. (p20)

Gezonde positiviteit heeft ruimte voor de realiteit én voor hoop.
Giftige positiviteit ontkent een emotie en dwingt ons die te onderdrukken. De emotie is verkeerd, en als we ons best maar doen, zouden we hem helemaal kunnen uitschakelen.
Giftige positiviteit kapt het gesprek af en zegt in wezen: jouw gevoel klopt niet en hier heb je de reden waarom je wél gelukkig moet zijn. (p18)
De tegenwoordige mode om problemen 'uitdagingen' te noemen is er ook zoeentje.
Gedwongen, geforceerde dankbaarheid kan ook zo giftig zijn. Dat herinner ik me uit mijn jeugd. Klagen was verboden want ik had een leven als een luus op een zere kop, en vond ik het eten niet lekker? Denk eens aan het Jongetje uit het Boekje! Wij hadden vroeger helemaal niks! En je bent niet boos, je bent moe.

Goodman gaat er heel menslievend vanuit dat mensen die reageren met giftige positiviteit het goed bedoelen. Ik weet niet of dat waar is. Dat is immers ook zo makkelijk gezegd: ik wou alleen maar helpen! Maar degene die zich erdoor gekwetst voelt, bedoelt het nooit goed. Nee, die is zo slecht om aan de goede bedoelingen van de ander te twijfelen. Naar het waarom van de gekwetstheid wordt niet gevraagd, juist omdat de kwetser het zo goed bedoelde.
Als we niet weten wat iemand nodig heeft of niet eens de moeite nemen om daarnaar te vragen, helpen we vaak omdat het voor onszelf goed voelt, niet omdat we echt een probleem willen verhelpen. (p145)
Op Goodmans instagram staat deze quote:
When we get so caught up in trying to change how someone is feeling and give the "right" advice, we often forget to listen, we forget to show compassion, we forget to show empathy.

Het boek is zoveel meer dan een uitleg van giftige positiviteit, en een handleiding om je er niet schuldig aan te maken. Het vertelt bijvoorbeeld ook de geschiedenis van de beweging van positief denken zoals die in Amerika tot stand kwam. (Wie had vroeger niet De Kracht van Positief Denken in de kast staan? Bij de biep was het ook altijd uitgeleend. Oh, en google de titel voor de aardigheid eens. De giftig-positieve websites vliegen je om de oren.)

Ik kreeg echt koude rillingen van de volgende passage over eugenetica, vooral in het licht van de huidige pandemie, waarin meer en meer het recht van de gezondste telt, en levens van gehandicapten en chronisch zieken gewoon niet meer meegenomen worden bij overheidsbeleid en maatregelen. Validisme (ableism in het Engels) viert hoogtij, alles vanuit de "positieve" illusie dat gezondheid maakbaar is, of nog erger: een keuze.

Eugenic researchers promised individual and collective happiness through their methods and believed that emotional states other than positivity were bad for evolution. They ignored the current social, political, and economic challenges in favor of a simplistic view of illness and happiness. If you didn’t agree with the philosophy or methods, you were deemed "unscientific" and ultimately ignored or cast aside. The eugenics movement appeared in the United States in the early 1900s, and it was an extremely dark time for people with physical and mental illness or disabilities, who were ultimately blamed for the unhappiness of the entire society.
[…]
Some psychologists at the time believed that the elimination of "feeble-mindedness" would result in an enormous improvement in happiness and achievement in every community. Feeble-mindedness was just another name for anyone mentally or physically ill who couldn’t become the current definition of a contributing, productive, happy member of the current society. This meant locking away, sterilizing, or killing anyone who threatened the happiness of the larger society. The mentally and physically ill were seen as one of the largest threats to happiness during this period, and many believed something had to be done. (p164)

Wie ziek is, heeft dat aan zichzelf te wijten. Gezondheid is iets dat je kunt verdienen door er hard aan te werken. Dit is victim blaming van de bovenste plank. Gezonde mensen zijn gek op gehandicapten die een bijzondere prestatie leveren (inspiration porn) en op kankerpatiënten die hun ziekte 'verslaan.' Alles om de maakbaarheidsillusie in stand te houden.

Ook met betrekking tot politiek neemt Goodman geen blad voor de mond.

We can achieve well-being when certain conditions are met and people are given the space and resources to find meaning in their life, meet their needs, and cope with their environment. Good living conditions, housing, and employment are fundamental to well-being. Instead of focusing on positive thinking as a cure for illness, we would benefit from providing access to a livable wage, housing, safe communities, meaningful relationships, food security, and healthcare. Then, we can focus on improving our thinking. Health doesn’t begin and end in the mind. It exists within our communities and truly flourishes when people feel empowered and equipped to achieve their unique version of health. (p55)

Getting angry and expressing dissatisfaction is often one of the most effective ways to create change within a society. Positive platitudes and the pursuit of happiness are ultimately being used as tools to keep people submissive and quiet. (p170)

Tot slot deze, voor iedereen die zich weleens schuldig maakt aan giftige positiviteit:

Yes, people want to know that things will get better.
And they really want to know that you'll still be there even if they don't
.

(De mensen die afhaken zijn inmiddels niet meer op twee handen te tellen.)

Geplaatst in autobio, recensies, tijdgeest | Getagged , | 10 Reacties

223 – de wasplaats

Bij een kraam met allerlei geneeskrachtige kruiden vroeg ik voorzichtig naar Bridawertflu. Nu ik weer voldoende te eten kreeg, zouden mijn maanstonden vast weer op gang komen. De koopvrouw haalde omzichtig een flesje uit een kist die achter haar stond. "Doe er maar twee," zei ik, en ik betaalde ze met mijn eigen geld.
Onderweg betaalde Roosma mijn eten en veel dienaressigs hoefde ik nog niet te doen. Maar tegen het einde van de middag begonnen we uit te kijken naar een slaapplaats, en zei zei: "Kijk of er een wasplaats bij is."

Ik keek van mijn gevlekte, grofgeweven tuniek naar haar smetteloos witte uitdossing en begreep wat ze bedoelde. Een wasplaats voor de witte rotspelgrims. We vonden inderdaad een mooie herberg met een wasplaats er tegenover. Heel iets anders dan de Hemra van afgelopen nacht, en voor mij geen vooruitgang, want ik werd geacht op de grond te slapen, naast het bed van mijn meesteres. Gelukkig had ik nu mijn dikke mantel!

Ze kleedde zich uit en gaf de kleren en haar hoofddoek aan mij, samen met een stuk echte zeep dat naar rozen geurde. Haar ogen vielen al dicht van moeheid, en ik peuterde Bo's blauwe tuniek uit de draagzak. Wie weet zou het blauw een beetje verbleken.
Met mijn bundeltje stak ik de weg over. Het werd al donker, de wasplaats was met grote olielampen verlicht. Ik zag verder niemand die op een dienares leek, die mooiere kleren waste dan die ze zelf droeg. Wel was er nog zo'n meisje in het wit, haar schild stond achter haar tegen een pilaar geleund. Ze stond er in haar hemd, driftig te schrobben op haar tuniek waar kennelijk een vieze vlek in zat.

Ik ging naast haar staan en zei: "Probeer dit eens."
Met betraande ogen keek ze me aan. "Zeep?" vroeg ze ongelovig.
Ik knikte. "Toe maar."
De vlek zat helemaal onderaan haar tuniek, en toen ze zich weer voorover boog, zag ik dat haar broek ook vies was. Het arme kind. Ik gaf haar de blauwe tuniek en zei: "Trek deze even aan, dan kun je je broek ook wassen. "
Ik liet Roosma's kleren in het water zakken en zei: "Let jij hier even op? Dan haal ik iets voor je."

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

222 – Roosma

De toon was hooghartig en cynisch, maar haar ogen keken van me weg, bang en onzeker. En de mededeling schokte me, het was iets wat ik niet bedacht had, alsof ik geloofde dat de hogere standen immuun waren voor het ongeluk dat gewone mensen trof.
"Hoor je bij een groep?" vroeg ik. Ze moest toch al een hele tijd onderweg zijn, in elk geval helemaal vanaf Nuktatharsta. Hoe hield ze zich zo mooi en schoon?

"Nee," zei ze. "Ik had een dienares, maar die is op de kruising …" Wist ik wat ze bedoelde? Natuurlijk wist ik dat. De Heerweg of de Rondweg.
"En sindsdien reis je alleen?"
"Ik weet niet wie ik kan vertrouwen. Wil jij mijn dienares niet zijn?"
Ik lachte. Ik kon haar moeder zijn. Maar ik zei: "Dat is goed."
"Ik heet Roosma," zei zij.
"Ik heet Yima," zei ik. "Of Yimama, als je dat fijn vindt. Oh, en dit is Kuuksi." Dat nieuwsgierige beest was tussen ons in op het muurtje gesprongen.
Roosma lachte ongelovig. "Reist zij met je mee?"
"Zolang ze het zelf wil, ja."

Ze had haar thee op, ze zei: "Zullen we?"
We stonden op, ze bekeek me van kop tot teen. "Je heb schoenen nodig. En een mantel."
"En een beker," zei ik.
"En een nap en een mes en een lepel," zei zij. Nog maar zo kort op weg en nu al een volleerde reizigster.

Om geen twijfel te laten bestaan over onze relatie, en over ons standsverschil – ik maakte haar voorlopig niet wijzer – betaalde zij al mijn aankopen. Vooral met de warme, grijsvilten mantel was ik blij, al had ik hem overdag niet nodig. Ik vouwde hem zorgvuldig in de draagzak. Roos keek toe. "Als we ergens riet op de kop kunnen tikken, kan ik er eentje voor jou maken," zei ik. Zij had een tas van fijn leer, die heel mooi was maar vast ook erg zwaar.
Ik kreeg ook een paar stevige, leren laarzen. Volgens Roos waren het mannenschoenen maar dat wilde ik juist. Stevig in mijn schoenen staan.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

221 – ontmoeting

Alleen mijn voeten waren koud toen ik wakker werd van het opstaan van de anderen. Vrouwen van alle leeftijden, wat jonge meisjes in het wit, ik keek of ik gelaatstrekken herkende, het zouden dochters kunnen zijn van mijn leeftijdsgenoten in Dunkitaba. Maar ze konden natuurlijk uit heel Registana afkomstig zijn.

Ik overwoog om me bij hen aan te sluiten. Vooral bij de grens zou dat een voordeel kunnen zijn. Maar daar waren we nog lang niet, tegen die tijd zou er wel weer een andere groep zijn.
In de voorhof van de Hemra waren brood en thee te koop. Een beker? Nee, die had ik niet. Wat was ik raar onvoorbereid aan deze reis begonnen.

Ik mocht een beker lenen als ik die maar ter plekke leegdronk. Ik stond daar te schutteren met mijn schild en mijn draagzak en mijn zere voeten. Toen drong zich weer zo'n meisje in het wit naar voren, een meisje met een schild – aan een armband, zoals het hoorde. Ik denk dat ze net zo oud was als Mia. Met haar volle beker bewoog ze zich wat onhandig, haar schild stootte tegen het mijne, een golfje hete thee viel op mijn tenen, "au!" zei ik en "oh, neem me niet kwalijk" zei zij.
Ik zette mijn lege beker terug op de tafel en samen schuifelden we naar het lage muurtje dat de voorhof omringde.

Ik bekeek haar schild, het bevatte mooi gestempeld leerwerk, met hier en daar wat goud-filigrain. "Waar kom je vandaan?" vroeg ik.
"Takasan," zei zij.
Ik zag het dorp nog voor me, we waren er op onze huwelijksreis doorheen gereden op de terugweg naar Dunkitaba. Een verwaaid, armoedig kustdorp, ik verbaasde me over de rijkdom van haar schild. Of zou er in al die maanjaren veel veranderd zijn? Haar kleren waren ook erg mooi, fijn geborduurd linnen, een hoofddoek van zijde …
"Wat kijk je?" vroeg ze.
"Je bent zo mooi," zei ik.
"Ook een Hoge Va krijgt soms twee dochters," zei ze.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 4 Reacties

the body keeps the score*

palm leaf boekje met gelli prints, collage en handgeschreven gedicht

the old me

where is the old you?
you mean the one
that always nodded
in compliance
the one
that never spoke up
while her body
kept the score?
the one
that put
everyone else first
just like she was taught?
no wonder
you loved her so
no wonder
you don't care
to know the new me
that's searching
for a way
to live
in this ancient
new body
that hurts
and keeps
a new score

*titel naar het gelijknamige boek van Bessel van der Kolk

HRB154/22 te koop voor €15,95

Geplaatst in heldinne's reisboekjes | Getagged , | 4 Reacties

220 – de Hemra

Ik geloof dat ik me toen pas realiseerde hoe gevaarlijk dat zou kunnen zijn. Hoe iedereen die belang had bij het in stand houden van die mythe mij zou bestrijden.
De driehoek op mijn linkerarm jeukte en schrijnde. Was ik wel moedig genoeg om een verzetter te zijn? Zelfs het beperkte leven in de weef vervulde me met heimwee.
Maar ik kon niet terug.

Ik liet Kuuksi mijn vingers schoonlikken met haar raspende tongetje en we gingen weer op weg. Mijn eerste doel was Helvarbarra, de stad op de grens met IzwiLamanzi, een heerlijkheid waar ik niets van wist, behalve dan dat de Graysaflu daar uitmondde.

Ik liep nog een tijdje door maar mijn voeten wilden niet meer. Bij een gebouw dat eruitzag als een grote herberg stopte ik. Het bleek een Hemra, een onderkomen met slaapzalen, speciaal voor vrouwelijke pelgrims. Waren er eigenlijk mannelijke pelgrims? Ik herinnerde me dat Fegman, toen we pas in Barraspira waren, uitlegde welke vrouwen in de weef woonden: "Sommigen zijn weduwe, van anderen verblijft de man in de Visietunnel, van weer anderen is de man op pelgrimstocht …." Zou ik ze tegenkomen, die mannelijke pelgrims? Moest ik nu ook bewijzen dat ik een pelgrim was? Nee, het feit dat ik hier alleen over de Heerweg slofte in mijn versleten plunje was genoeg.

Links en rechts van de ingang waren twee slaapzalen en aan het eind van de gang leidde een trap naar nog twee erboven. Boven was alles vol, zei de Hemramoeder. Ik betaalde mijn twee Hem en zocht een bed – een echt bed! – zo dicht mogelijk bij een raamopening. Ik rolde de bedrol uit. Geen deken, ik keek om me heen en zag dat de andere slaapsters een eigen bedekking meegenomen hadden, een wollen sjaal, een mantel … nog meer wat ik moest aanschaffen. Ik durfde Bo's blauwe tuniek niet over me heen te trekken.
Ik bond met de reep stof mijn schild en draagzak aan het bed vast, ging liggen, en sliep. In de nacht vleide Kuuksi zich over mijn arm en schouder.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

popelen!

Na het eerste Australische scharnierboekje had ik zó de smaak te pakken. Ik pópelde 's avonds al om er de volgende dag weer mee aan de slag te gaan. Vandaar het thema: popelen. Ik heb bij elke letter van dat woord woorden gezocht die me blij maken, vanwege de betekenis, vanwege de klank, vanwege het woordbeeld, vanwege de associatie. Groene boekje erbij en pennen maar.
Maar ik werd vooral zo popelig van de gelli prints op deli paper, die zijn echt prachtig geworden. Dus ik heb aan elk katern twee dubbele velletjes deli paper toegevoegd.

Bij het vorige boekje maakte ik de harmonica van (nep)marmerpapier. Dat bleek niet zo goed bestand tegen het vouwbeen. Dus voor dit boekje heb ik de harmonica van gewoon papier gemaakt, en dat beplakt met restjes deli paper prints die overschoten na het uitsnijden van de bladzijden. Echt mooi geworden al zeg ik het zelf.
De ankers zijn overschotjes van de gelli prints (die maak ik op A4, dus dan schieten er mooi twee stroken van 5 centimeter over, wie wat bewaart die heeft wat).

Naast 52 foto's (sorree) heb ik mijn eerste doorbladervideo gemaakt, hij staat op YouTube!

PS het boekje is te koop voor €21,95 (incl. verzendkosten)

Geplaatst in heldinne's reisboekjes | Getagged | 2 Reacties

219 – langs de Heerweg

Toen ik wakker werd was het donker, maar zo te horen nog niet erg laat. Ik klopte mijn kleren af, sjorde draagzak en schild weer op mijn rug, en begaf me op weg. Heel af en toe waren er fonteintjes langs de weg, waar je je waterzak kon vullen. Maar honger had ik ook, bij de geuren van een stalletje met pasteitjes liep het water me in de mond. Ik haalde de munten uit mijn broekzak, die van mij en die van Burman. Ik kon nog wel even vooruit.

Op een bankje naast het stalletje at ik mijn pasteitjes op, terwijl ik keek naar wat er nog voorbijkwam op dit uur. In het licht van de olielampen kon ik wat kleuren onderscheiden: het rood van voorbijmarcherende wachters, een paar Blauwen, een kleine stoet van wat echte pelgrims leken, sommigen in het wit, anderen in vergane kleuren.

Ik dacht aan Vulema, het schoot me te binnen dat zij destijds een vuurglas meegenomen had, dat was een idee, dat moest ik ook zien te kopen. Maar vooral zag ik haar voor me, hoe ze, stralend in het wit, op de ezel zat die haar naar de Heerweg zou brengen. Het rotsvaste geloof dat we hadden gehad, dat Tweede Meisjes op bedevaart naar de Rots gingen om het binnenste van de macht te onderzoeken, om dan terug te keren om te getuigen van de pracht en de grootsheid. Zelfs toen wisten we al dat het verhaal niet klopte, dat de Tweede Meisjes nooit terugkeerden, maar we konden ons niet voorstellen dat je kon twijfelen aan alles. Aan de Grote Hemren, aan de Rots, aan alles. We hielden de mythe zelf mee in stand, simpelweg omdat we niet beter wisten.

Ik besefte opeens, daar, zittend aan de Heerweg met zijn gegroefde, eeuwenoude stenen, dat ik aan dat rotsvaste geloof ging tornen. Dat het niet mijn doel was de mythe te onderzoeken, maar om de mythe te ontmaskeren. Dat het niet waar was, dat niets waar was van wat ze ons vertelden.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

218 – terug naar de Heerweg

Ik besefte dat vluchten makkelijker was toen ik Bo nog bij me had. Hem te beschermen was een motivatie die ontzettend veel kracht schonk. Nu moest ik die kracht uit mezelf halen en ik kon niet eens tot de Grote Hemren bidden.

Weer dacht ik aan Lizma. Zij sprak niet van de Grote Hemren, zij sprak van de Goede Vader.
Al die goede vaders die hun tweede dochters hadden geprobeerd te redden. Mijn grootvader Yiva. De man van Letifam. Daar moest ik hoop uit putten.

Het was al zo goed als donker toen ik eindelijk de Heerweg bereikte. Dit stuk – tussen Harstamar en de grensstad Helvarbarra - was veel drukker dan het stuk ten zuiden van Harstamar. Overal stonden kraampjes, er waren herbergen, er ratelden karren. Veilig voelde ik me niet, en bovendien wilde ik zuinig zijn, ik had nog maar weinig geld over. Eten en water had ik nodig, en laarzen. Maar nu vooral een slaapplaats.
En een verhaal.
Wat was ik, als ik geen Blauwe was, geen echtgenote, geen Tweede Meisje …
Rietmeisje!
Ik moest proberen geld te verdienen onderweg!
En een pelgrim was ik natuurlijk ook, al was verering niet mijn eerste doel.

Ik liep onder de schaduw, en toch zag ik – of liever, voelde ik, als een windvlaag – een grootuil over me heen vliegen. Ook hier? Ik stak de weg over en begaf me achter de huizen, achter de kraampjes. Er was vast wel weer ergens een tuin, of een struik, waar ik slapen kon. Ik hoorde de Helvarderaflu stromen, en aan de overkant het ruisen van de bomen.
Tegen een muurtje liet ik me zakken op de stoffige grond. Wat ik miste was een slaapmatje, bedacht ik. Als ik die eens maken en verkopen kon, ik was vast niet de enige. Langzaam sukkelde ik opzij, trok het schild over me heen, voelde nog net hoe Kuuksi erbij kroop, en sliep.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 4 Reacties