233 – vlak voor de brug

Als Roosma zei: "Dit is mijn dienares," werd er naar mij niet eens omgekeken.
Af en toe verscheen er, vlak na zo'n inspectie, een vaag iemand die kleine kaartjes uitreikte, met de Rondweg erop getekend. "Spring van de brug," zei hij of zij – half doorzichtig – zacht en verdween weer, als een mistflard.

In de laatste Hemra waar we overnachtten, vlak voor de brug, hing er een onmiskenbare spanning. Niemand wist wie te vertrouwen was, niemand kende de waarheid, zelfs ik niet, als verzetter was ik een beginneling. Het zong rond, zelf toen we sliepen … spring van de brug, spring van de brug … Toen het eerste grijze daglicht naar binnen sijpelde, groef ik mijn kruispuntpotje op uit de draagzak. Het bergje verdeelde zich in vieren en sloot vervolgens twee van de armen. Rechtdoor en rechtsaf bleven open. Het gaf geen uitsluitsel. Voor mezelf stond het vast: rechtdoor. Maar voor Roosma? Zou het in elk geval betekenen dat het veilig was om van de brug te springen?

Handenklappend kwam de Hemramoeder de slaapzaal binnen. "Wakker worden! Opstaan! Er is warme pap in de eetzaal!"
Toen iedereen wakker was, vervolgde ze: "Vandaag is de grote dag. Vandaag gaan jullie de Brug van Schaamte over. Maak jezelf en je familie niet te schande. Steek de heilige rivier over, dwaal niet af van het rechte pad, houd steeds je einddoel in gedachten: het aanschouwen van de Grote Hemren in zijn heerlijkheid, om later met kleurrijke woorden te getuigen van de schoonheid van de Rots en de Vaders die daar wonen."

Ik luisterde met neergeslagen ogen, ik voelde hoe bang haar woorden me maakten.
Het bleef stil terwijl de vrouwen en meisjes zich klaarmaakten voor de nieuwe dag. Niemand durfde iets te zeggen. Ook bij het ontbijt was het onheilspellend rustig.
Toen we langzamerhand allemaal naar buiten druppelden, stonden daar verschillende mannen klaar die zich als begeleider aanboden. Waren het spionnen? Waren het verzetters?
Roosma zei koninklijk: "Nee, dankuwel," en we liep samen de voorhof van de Hemra uit.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

232 – naar HarstaMarkaz

We gingen weer op pad. Het was opvallend hoe de meeste reizigers – lopend, te paard of kameel – naar het noorden gingen. Maar een heel enkele keer kwam ons een kar tegemoet, meestal volgeladen met goederen, in kisten of zakken. Als er al een mens naar het zuiden liep, dan was het een wachter, of een man die op een pelgrim leek. Vrouwen reisden allemaal naar het noorden en ik dacht er achteraan: hun dood tegemoet.

Natuurlijk kon ik dat niet weten, maar de gedachte bleef bij me. Ik probeerde te blijven genieten van het nieuwe, het mooie dat ik zag, de majesteitelijke bergen in de verte, de warme wollen kleding die te koop werd aangeboden … het idee van de rieten slaapmatjes kon ik wel laten varen, het werd veel te koud om nog aan buiten slapen te denken. Ik probeerde Roosma niets te laten merken van mijn bange gedachten, in die zin was het alsof ik opnieuw een kind had.

Maar Roosma was niet gek, ze zei: "Als jij straks liever de Rondweg neemt …"
"Natuurlijk niet," zei ik direct, en vol overtuiging. Ik kon alleen maar hopen dat Vulema iemand als mij was tegengekomen, iemand die op haar paste. Had ze genoeg geld bij zich gehad? Anders waren de problemen al veel eerder begonnen. Misschien was ze ook in een groep opgenomen, stelde ik mezelf gerust.
Roosma kneep even in mijn hand.

De dagen erna verliepen zonder veel bijzonderheden. Ik heb een paar keer een aantekening gemaakt, over het weer, over de afstanden die we aflegden, over de drukte in herbergen of Hemra's. Niets dat iets weergeeft van de sfeer, van de zwaarte van zo'n route, kaarsrecht naar het noorden maar steeds bergopwaarts, geen respijt behalve een enkele rustpauze, waarop ik vaak uitkeek of ik Wasmeisje zag.

Iets anders wat me bijstaat, is hoe de stemming veranderde naarmate we dichter bij HarstaMarkaz kwamen. Er patrouilleerden meer wachters. Zodra we ergens gingen zitten om even te rusten of iets te eten, werden we gecontroleerd. Roosma had een soort natuurlijke autoriteit vanwege haar afkomst. Ik besefte dat ik dat nooit had kunnen aanleren. Na al die jaren vroeg ik me nog steeds af waarom ze mij als Jonge Hoge Ma hadden uitgezocht.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

wat als de bom

Het blauwe Australische scharnierboekje lag er al een tijdje, wachtend op inhoud. Ik was al wel begonnen met het uitknippen van rondjes en bollen. Toen werd het oorlog. Toen postte iemand deze mooie tekst op Twitter. En die zette ik weer in bollen.

if we are all
going to be destroyed
by an atomic bomb,
let that bomb
when it comes
find us doing
sensible and human things—
praying, working, teaching,
reading, listening to music,
bathing the children, playing tennis,
chatting to our friends
over a pint and a game of darts—
not huddled together
like frightened sheep
and thinking about bombs.
they may break our bodies
(a microbe can do that)
but they need not
dominate our minds
C.S. Lewis
— “On Living in an Atomic Age” (1948) in Present Concerns: Journalistic Essays (1948)

HRB 155/22 te koop voor €17,95

Geplaatst in heldinne's reisboekjes | Getagged | 6 Reacties

231 – vragen

Wie Rots zei moest ook Pyc zeggen. Ik vervolgde: "Er zijn mensen" – hoe had Blufam het ook weer geformuleerd – "die het niet eens zijn met … die niet geloven in de Grote Hemren, die er tegen zijn dat Tweede Meisjes … die opkomen voor ons, voor vrouwen … Hoe kunnen we weten dat het echt waar is wat ze ons vertellen? Wie heeft dat bedacht?"
Ik zag dat Roosma net zo verbijsterd was als ik destijds. En voor haar was het moeilijker. Veel meer dan ik was zij slachtoffer van het systeem, veel meer dan ik had zij het geloof nodig, om dit vol te kunnen houden.

Zwijgend liep ze naast me voort. Ik voelde de vragen branden in haar lijf maar er kwam niets. Ze vroeg: "Hoe ver is het naar HarstaMarkaz?"
"Ik zal straks weer even op de kaart kijken."
We liepen door tot we honger kregen. Met een stuk brood, een homp kaas en een beker hete thee liepen we aan de linkerkant de weg af, onder de schaduw vandaan, zodat we wat zonnewarmte konden vangen. Ik haalde de kaart tevoorschijn en schatte met mijn vingers de afstand.
"Ik denk wel vijf dagen," zei ik. "Dat is de laatste keer dat we de Helvarderaflu zullen zien."
"Tot we bij de bron komen," zei Roosma. "Als de Grote Hemren het wil." Ze keek me uitdagend aan, zou ik er iets van zeggen?

Ik zei niets. De Helvarderaflu ontsprong op de Berg van Verering, dat was een vaststaand gegeven. Of je – of iemand – de Berg kon bereiken, was iets heel anders.
"En wat is dit?" vroeg Roosma. Haar wijsvinger volgde een vage krul op de kaart. Ik zag hem nu ook pas. Het was de Rondweg. We hadden hem gekruist vlak voor HelvarBarra, we zouden hem een heel eind naar het noorden pas weer kruisen.
"Maar kijk," zei Roosma. "Hier houdt hij op." Haar vinger was gestopt in HarstaMarkaz.
"Of hij begint daar," zei ik. Was het mogelijk? Zou de Rondweg ontspringen uit de Helvarderaflu?

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

230 – over de grens

Mijn eigen brandmerk schrijnde. Waarom, waarom zo'n teken, als het blijkbaar algemeen bekend was? Omdat de verzetters boven alles eerlijk wilden zijn, onder eigen naam en met open vizier? Maar tot welke prijs?

Doodsbang, met neergeslagen ogen, ging ik Roosma voor door de moddergeul. Ik voelde iets trekken aan de draagzak, ik dacht dat zij mij vasthield, maar eenmaal veilig aan de overkant zag ik Kuuksi, die eraf sprong en driftig haar pootjes begon te wassen. Er stonden wat mensen met waterkruiken en doeken langs de weg, daar kon je je voeten laten schoonmaken.
"Welkom in Izwi Lamanzi," zei het tandeloze wijfje dat ons bediende. Ik had het gevoel dat ze mij extra scherp aankeek, maar dat kon mijn angstige verbeelding zijn. Grootuilen zeilden nog steeds onder de schaduw door, die trokken zich van geen grens iets aan.

Het was wonderlijk hoe abrupt het landschap veranderde. De vlakten van Lopweteka maakten plaats voor heuvels, en daarachter staken bergen hun grillige koppen op. Het lopen zou zwaarder worden, en hoe hoger we kwamen hoe kouder het zou zijn.
Ik gaf Roosma haar sandalen en zei: "Ik zou nu maar laarzen aantrekken." Mijn handen en mijn stem trilden nog na.
Terwijl ze op een kei ging zitten om van schoeisel te wisselen vroeg Roosma: "Waarom deed je dat?"
"Ik wilde niet dat je zou zien …" begon ik. Ik hoorde nog de klap en het gekraak van brekende botten.
"Waarom deden ze zijn mouw omhoog?" Ze was oplettend genoeg.

Mijn eerste neiging was om te zeggen: "Dat weet ik niet." Om haar te sparen? Of mezelf?
Ze stopte haar sandalen in haar tas en we gingen weer op weg. Ik dacht weer aan het open vizier van de verzetters, ik zei: "Om te zien of hij een bepaald brandmerk had."
De weg liep nu al omhoog, we raakten allebei buiten adem, we moesten ons tempo aanpassen.
"Wat voor brandmerk?"
"Van de verzetters." Nu had ik het gezegd.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

229 – de grens

Helvarbarra was een ommuurde stad, ingeklemd tussen Heerweg en Helvarderaflu. De muren en torens oogden minder rijk en feestelijk dan die van Barraspira, eerder streng en oorlogszuchtig. Maar dat moest misschien ook, voor een grensstad aan de Heerweg. De bewaking bij de grens was in elk geval indrukwekkend. Ook hier weer die zuilengalerijen langs de weg, en bovenop sommige bogen zaten grootuilen, hun klauwen enorm, scherp afstekend tegen het witte marmer. Hun koppen draaiden constant, alsof ze alles en iedereen in de gaten hielden.

De daadwerkelijke grens tussen Lopweteka en Izwi Lamanzi werd aangegeven door een onderbreking van de Heerweg. Het plaveisel hield op, er was een soort modderige geul ontstaan, zelfs de schaduw was even onderbroken. Karren konden niet zomaar doorrijden, er moest gesjouwd worden. Paarden, ezels, kamelen liepen soppend door de modder, mensen konden het best hun schoeisel uitdoen en op blote voeten naar de overkant gaan. Het doel was natuurlijk om oponthoud te veroorzaken, zodat de wachters aan beide kanten van de grens goed in zich konden opnemen wie er overstak.

Ik hielp Roosma met het uittrekken van haar mooie sandaaltjes – ik was blij dat ik wist dat ze ook laarzen bij zich had – en knoopte ze vast aan mijn draagzak. Daarna deed ik mijn eigen laarzen uit en rolde mijn broekspijpen op. Intussen werden we voorbijgelopen door een man met een soort herdersstaf. Hij liep al blootsvoets en stapte zonder de wachters een blik waardig te keuren de modder in. Als een geruisloze windvlaag zeilde een grootuil naar hem toe en greep hem bij de schouders. Met wijd gespreide vleugels bleef het beest zitten tot twee wachters de man vastgrepen.

Een van hen stroopte de linkermouw van de man op. Van een afstand kon ik het niet zien, maar ik kon wel raden dat ze op zoek waren naar een driehoek. Die ze kennelijk vonden, ze gaven de uil een commando, het beest steeg op met de grote man in zijn klauwen. Ik hield mijn hand voor Roosma's ogen, maar zelf bleef ik kijken hoe de man van grote hoogte als een slappe pop op de zuilengalerij klapte.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 1 reactie

228 – leren schrijven

Nu was het niet ver meer naar de grens. Vlak voor Helvarbarra vonden we onderdak in een mooie herberg. We hadden een kamer met twee bedden voor ons samen en we konden de was laten doen. Leunend tegen mijn bedrol haalde ik de perkamentblaadjes, de pen en het flesje met inkt tevoorschijn. Ik had geen idee wat ik zou moeten schrijven, ik kende de letters immers alleen voor namen. Het enige wat me te binnen schoot was de scherf die ik in de Visietunnel had ontvangen. HEBOTVA. BURMAN. En ik dacht aan de jongens, Bo en Burman, die op school op leisteen hadden leren schrijven.

Ik doopte de punt van de rietpen in de inkt en probeer YIMA te schrijven.
Roosma schoot in de lach. "Wat doe jij nou?"
Verschrikt keek ik op. Druppels inkt vielen op mijn tuniek en gleden van het perkament af.
"Je houdt de pen helemaal verkeerd vast, het is geen beitel. Veeg hem eens af?"
Vies was ik toch al, ik veegde hem langs mijn mouw en gaf hem aan Roosma. Ze deed het mij voor, ik probeerde het na te doen maar het leek nergens op.
"Kom eens naast me zitten." Met haar hand om de mijne vouwde ze mijn vingers op de juiste manier om de pen.

"En nu de letters. Doe het eerst maar zonder inkt." Met haar wijsvinger tekende ze het hele rotsvandmijn op haar bovenbeen. Toen ze het een keer had doorgenomen zeiden we het plotseling, tegelijk, als de schoolkinderen die we ooit waren, in zijn geheel op: ROTS VAD MIJN KLUWZ GHEFB PYC, ROTS VAD MIJN KLUWZ GHEFB PYC …
"Nu met inkt. En niet zo diep indopen!"

Het zou nog wel een tijdje duren voor mijn vingers zich herinnerden wat ze moesten doen, maar in elk geval is het daar begonnen, het idee van je leven vastleggen. Ik voelde me een oude vrouw en een jong schoolmeisje tegelijk. Ik pakte nog een velletje en schreef mijn naam.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

227 – de volgende kruising

We waren net buiten de schaduw van de Heerweg. Ik spreidde de kleren uit in de zon en ging naast haar zitten. Zou ik hier mijn eerste woorden durven opschrijven? Maar nee, het leek me te druk. Roosma had haar schild op schoot en volgde met haar vingers loom de krullen van het goudfiligrain op het leer.
Ik pakte mijn schild en zocht het paneeltje van Izwi Lamanzi. Ik liet het aan Roosma zien.
"Izwi Lamanzi betekent waterstem," zei zij.

Met verbazing keek ik naar mijn afbeelding. Zonder het te weten had ik – net als bij het paneeltje van de Helvarderaflu – de essentie getroffen zonder er ook maar iets vanaf te weten. Of tenminste … niet meer dan wat de dogman had verteld. Hij had Izwi Lamanzi het land van de grote meren genoemd, herinnerde ik me. We hadden de namen van de grootste uit ons hoofd geleerd: Zilmeer, Tweelingmeren, Mensmeer, ZilBarrameer, het Grote Meer. Ik wilde hier niet de kaart tevoorschijn halen maar volgens mij lagen alle meren ver van de Heerweg.
Wat zou die vreemde bloem zijn, met grote zaden die op mij (was ik dat zelf?) neerdaalden?

Maar we moesten weer op pad. Ik bond de vochtige kleren aan mijn draagzak, het schild voor mijn buik, en we klommen terug naar de weg. Aan de overkant van de brug strekte de Heerweg zich nog kaarsrecht uit. Gladde, afgesleten stenen met ingeslepen groeven van eindeloos veel karrenwielen.
Ik richtte mijn blik iets hoger en zag opeens een schaduwlint dat de schaduw van de Heerweg kruiste. Weer de Rondweg? Was de Rondweg een spiraal?

Het duurde niet lang voor we er waren. De schaduw was enorm hier, heel anders dan in Registana waar ik hem nog tussen mijn uitgestrekte handen kon houden. Het voelde kouder toen we onder die dubbele schaduw doorliepen.
Van afslaan – zoals in Harstamar - was geen sprake. De Heerweg werd hier geflankeerd door een lange zuilengalerij en in elke boog stond een wachter.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 4 Reacties

226 – de eerste brug

Het bleek te optimistisch gedacht dat we vandaag de grote brug over de Helvarderaflu zouden bereiken. Voor de nacht vonden we weer onderdak in een Hemra, waar ik tenminste niet op de grond hoefde te slapen. Wel was het druk en lawaaiig in de grote slaapzaal. Vrouwen van alle leeftijden ook weer, zouden er moeders bij zijn die hun tweede dochters gingen zoeken?

De volgende dag bereikte we dan eindelijk de hoge stenen brug over de Helvarderaflu. Het water bruiste er snel en spattend onderdoor. Op en tussen de keien op de oevers waren vrouwen bezig met het wassen van kleren. Roosma wilde dat ook, haar gezicht straalde bij het idee van kleren gewassen in zulk heilig water. Ze trok haar pakje van gister uit haar tas en gaf het aan mij. Samen liepen we terzijde van de brug het groene zachte gras op.

Ik vond een mooie platte steen vlakbij de hoofdstroom. Genietend van zon en water en de heerlijke geur van de zeep (ik gebruikte extra veel voor mijn eigen tuniek) had ik even nergens anders oog voor, tot iemand vroeg: "Wat is uw reisdoel?"
Een barse mannenstem.
"Ik ben samen met mijn meesteres op pelgrimstocht," zei ik zacht en onderdanig. Wassen in Helvarderaflu werkte blijkbaar ook. Van opzij nam ik de man in me op. Hij leek een pelgrim: lange tuniek, lange mantel, sandalen … maar hij klonk als een wachter. Ik zag hoe hij verder liep langs de oever en alle vrouwen aansprak die niet in het wit gekleed waren.

Het zou niet lang meer duren voor we Helvarbarra bereikten en de grens met Izwi Lamanzi. Het terrein zou bergachtiger worden, de Heerweg misschien moeilijker begaanbaar. Ik voelde Roosma's aanwezigheid als een extra verantwoordelijkheid, maar misschien was ze mijn dekmantel.
Met de natte, uitgewrongen kleren liep ik terug naar waar ze zat in het gras.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 1 reactie

225 – de kaart

"Ik hoop dat we vandaag de Helvarderaflu oversteken," zei zij.
Maar dat bedoelde ik natuurlijk niet. "En daarna?"
"Helvarbarra, de grens …"
Met een schuldig gevoel dacht ik aan de kaart, nu onderin de draagzak, vast helemaal verfrommeld. Toen we midden op de dag stopten om te eten, trok ik hem voorzichtig tevoorschijn.
Geschrokken zei Roosma: "Niet hier!"

We lepelden onze kommen leeg, vulden de waterzakken bij en gingen weer op weg. Bij een pleisterplaats voor paarden en kamelen – gras, bomen – stapten we van de weg af, tot we achter de wei waren. Je kon de rivier al horen ruisen, het was er stil en zonnig. Opnieuw haalde ik de kaart tevoorschijn. Roosma bleef schichtig om zich heen kijken. Ze vroeg: "Hoe kom je daaraan?"
Dacht ze dat ik hem gestolen had? "Gekregen," zei ik, meer niet.
Ze leek het te begrijpen.

Ik wees haar waar we nu waren, en hoe de verdere reis zou verlopen, altijd maar rechtdoor, tot aan de bron van de Helvarderaflu, op de Berg van Verering in Blyntera. Blynxtera, stond er op de kaart. Ik zag het, zij zag het, maar we zeiden niets.
"Het lijkt zo makkelijk," zei zij. "Waarom komen we dan nooit terug?"

Het was een 'we' waar ik niet bij hoorde, Hemren zij dank. De Tweede Meisjes waren die 'we'. De witte meisjes uit Registana en van Taka Haringes, een paar zwarte meisjes uit Lopweteka. Op de andere eilanden werden ze of meteen gedood, of gedoemd tot vogels vangen of zeehonden slachten. Hoe het in de andere heerlijkheden geregeld was, wist ik niet. Daarnaast waren er dan nog 'gewone' pelgrims zoals ik, die uit louter vroomheid de reis naar de Rots ondernamen. Kwamen die eigenlijk ooit terug?

"Waarom ben jij op weg?" vroeg Roosma.
"Ik heb mijn man en kinderen verloren," zei ik, hoewel het eerder andersom was. "Ik zag geen doel meer in dit leven. Toen gaf iemand mij de kaart …"
Een man kwam een kameel uit de tuin halen, vlakbij ons. Ik vouwde de kaart weer in de draagzak en we liepen snel terug naar de Heerweg.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen