217 – de weg naar het noorden

De sterren wentelden over onze driehoek, over het kleine stukje veiligheid dat we voor nu hadden veroverd op de wereld. Ik nam de geschenken aan, ik bedacht dat ik de stukken perkament misschien op mijn schild kon bevestigen, of zou dat niet handig zijn, stel dat ik nog weer een paneeltje zou willen verkopen …

Ik werd slaperig. Samen met de andere vrouwen kroop ik in het zachte nest van de tent, die nog zo naar schapen rook dat ik ze bijna kon horen blaten. Mijn dromen brachten me terug naar Taka Haringes, naar de huiselijke weken die ik had doorgebracht bij Lizma en Jadva, met het spinnen van wol, het borduren van kleertjes. Ik droomde van het blauwe beeld waarop ik de nacht had doorgebracht.

Vlak voor zonsopkomst maakte Wezarma me wakker. Ze had al brood gebakken en thee gemaakt. We ontbeten samen in de koele schemering en daarna hielp ze me met de draagzak en mijn schild. De armband had ik al lang niet meer. Wezarma knoopt een lange reep stof aan de beide zijkanten. Zo kon ik het op mijn rug dragen, maar ook als hoed, als zonnescherm, zeg maar. Dat zou ik nodig hebben!
"Heb je nog genoeg Graysaflu?"
"Ja," zei ik. En ik bedacht nog iets. "Hebben jullie ooit iemand ontmoet die Vulema heette?"
Wezarma schudde haar hoofd.

De anderen werden wakker, de zon kwam op, in een rommeling van goede reis en wees voorzichtig verliet ik de veilige driehoek van de tenten. De wijde wereld in! Het voelde tegelijk leeg en heldhaftig. Ik was niet meer de jonge, levenskrachtige vrouw die ooit uit Dunkitaba gevlucht was. Ik was misschien al bijna veertig maanjaren oud, ik was een moordenares en een moeder zonder kinderen. En toch moest ik dit doen. De weg naar het noorden.

Ik besloot om nu niet recht naar het oosten te lopen, dan zou ik weer veel te dicht bij Harstamar uitkomen. Ik liep naar het noordoosten, tot ik in de verte het schaduwlint van de Heerweg zag. De zon stond alweer recht achter me, mijn voeten deden pijn en ik had dorst en honger.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

Australisch scharnierboekje

Een geweldige boeken- en doosjesmaker op Facebook is Bep van Gasteren. Laatst had ze weer zo'n toverdoos gemaakt met allemaal verschillende boekjes erin. Ze maakte er een filmpje van, ik hoop dat ook niet-Facebookies het kunnen zien.
Het eerste boekje dat tevoorschijn kwam, intrigeerde mij. Gelukkig wist Bep een tutorial!
Het leek me zó moeilijk te omschrijven hoe je dit in elkaar frunnikt maar ik ga het proberen.

Je begint met een kleine harmonica (de zijdjes zijn 4,5 x 4,5 bij mij, de totale lengte van die strook is 72 cm).
Dan vouw je de bladzijden. Ik maak ze uit een dubbelgevouwen gelli print van 20 x 20 cm. De bladzijden worden dus 10 x 10. Ik twijfelde nog even of ik het dubbelgevouwen vel op elkaar moest plakken of 'los' moest laten, maar koos toch voor plakken.
In dit geval – mijn eerste Australische scharnierboekje – bestonden de katernen dus maar uit 2 bladzijden. (Ik ben nu met eentje bezig waar ik extra bladzijden per katern invoeg.)
Op de middenvouw van het katern maak ik een snee van 4,5 cm. Daar schuif ik de bergvouw van de harmonica doorheen. (Een harmonica heeft berg- en dalvouwen.)
Om het katern te vergrendelen schuif ik een kaartje door de bergvouw heen. In dit geval heb ik dat met rondjes gemaakt, en er ook afbeeldingen op geplakt.

Toen het eenmaal in elkaar zat, was ik er erg blij mee. Maar ja, om het af te maken moet het toch inhoud krijgen bij mij. Waarom ik oude stenen beeldjes uitknipte en wat stenen werktuigen? Geen idee. Toch paste het een tijdje later helemaal bij wat ik meemaakte.

al met de eerste stenen klingen
werden mensen van steen gemaakt
tot idool of krijger
godin of gevaar

voor eeuwig bekend
voor eeuwig herkend
voor eeuwig erkend

versteend verzekert
dat de buitenkant klopt

niemand bevraagt
het wezen daarbinnen

welk wezen daarbinnen?
durf jij te beweren
dat de buitenkant niet klopt?

blijf af van mijn wereldbeeld
en mijn zekerheden

zie je mijn vuist?
zie je mijn bijl?

HRB 152/22 te koop voor €17,95

Geplaatst in heldinne's reisboekjes | Getagged | 2 Reacties

216 – de verzettersdriehoek

"En hoe herken ik een verzetter onderweg?"
Als op commando stroopten ze allemaal hun linker mouw op. Iedereen had een klein driehoekig brandmerk aan de binnenkant van de bovenarm. De driehoek waarin we nu zaten, gevormd door de bruine wollen tenten.

De andere man stond op en pakte een ijzeren staafje uit de kookhoek. Hij overhandigde het aan Wezarma, die het in het vuur hield tot het rood opgloeide. Heel kort drukte ze het tegen het witte zachte vlees van mijn arm, ik klemde mijn kiezen op elkaar om het niet uit te schreeuwen. Wezarma trok mijn mouw naar beneden en kuste zacht mijn hand. "Je hoort erbij," zei ze.

Ik stelde dezelfde vraag die Burman in het bos aan de Blauwe vrouw had gesteld. "Waarom gedoogt Sfogman ons?" Het was wel een fijn gevoel om 'ons' te kunnen zeggen. En de Blauwen kozen hun naam voor het redwerk, wij droegen trots onze echte naam. Maar dit kamp lag op een dagmars van de hoofdstad!
"Ze weten niet echt wat voor kamp dit is," zei Wezarma. "Ze komen hier bijna nooit, de leegte jaagt hen angst aan. Jaagt iedereen angst aan die zich alleen veilig voelt binnen opgelegde regels en uiterlijk vertoon. Als er iemand deze kant op komt en we vertrouwen het niet, dan verbergen we ons. Dan woont hier alleen een rare oude vrouw van wie ze niets te vrezen hebben."
"En als iemand ons verraadt?"
"Dan nog. Ze kunnen zich niet voorstellen dat iemand aan hun waarheid twijfelt."
Dat begreep ik. Ik had het er zelf immers nog zo moeilijk mee. Daarom wilde ik ook naar de Rots.

"Weet je wat je moet doen?" zei de man die de landkaart had gebracht. "Je reis hierop bijhouden. Kort opschrijven wat je meemaakt, wat je ziet."
Wezarma knikte instemmend.
"Maar ik kan niet schrijven!" zei ik.
"Je hebt toch de letters geleerd? Je kunt toch lezen?"
"Maar ik kan letters alleen beitelen," zei ik.
"Onzin," zei de man. "Je kunt ze precies zo schrijven. Ik zal je inkt geven, een rietpen, en ook wat extra stukjes perkament."

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

215 – verzetterskampen

Wat waren het er veel! En niet alleen in Lopweteka, de verzetterskampen waren overal, tot aan de grens met Blyntera. Ik keek nog eens goed, het was anders geschreven dan we het geleerd hadden, als Blynxtera. Ik keek naar de zuidelijke eilanden, die ik allemaal gezien had. Ook daar was er een anders gespeld. Kraexten San.

Alsof hij tussen ons in stond, hoorde ik de woorden van Horva de Hemrenva. Ik sprak ze met hem mee, de anderen luisterden aandachtig.

"Eens, toen Kraeckten San nog Kraexten San heette, heeft een vrouw onze rots beklommen. Toen ze boven was, begon de rots te kraken. Het gesteente splitste zich, een diepe kloof die evenwijdig aan het strand liep. De vrouw kon zich nog net vastgrijpen aan de gifboom. Toen splitste het gesteente zich nogmaals. De nieuwe kloof liep van zuid naar noord, precies in de richting van de Ware Rots. De vrouw vond haar dood op het kruispunt van de beide kloven. Het gesteente sloot zich weer, maar bovenop de rots zien we dat kruispunt nog, als een teken van de Grote Hemren. Sindsdien heet ons eiland Kraeckten San. Omdat we weten dat de rots zal kraken als een vrouw zich niet aan de geboden houdt."

"Dat is precies waarom jij het moet proberen!" zei de vrouw met de groene ogen.
Ik vroeg: "Wat doen de verzetters eigenlijk precies? Waar verzetten ze zich tegen? En hoe doen ze dat?" Ik herinnerde me wat Blufam me verteld had. Dat er mannen waren die niet geloofden in de Grote Hemren, die er tegen waren hoe Tweede Meisjes behandeld werden, die wilden opkomen voor vrouwen. En dat Bo had gezegd dat de Rondweg voor vrouwen beter was dan de Heerweg. Maar ik wist dat ik nu alleen via de Heerweg mijn doel kon bereiken.

Wezarma zei: "Wat wij doen, is vooral veiligheid bieden aan iedereen die durft te twijfelen aan de geboden. Dat doen we in de vorm van onderdak, zoals hier, maar ook begeleiden we mensen die het land uit willen."

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

vulkaanuitbarsting

Wat blijft het toch moeilijk om uit te leggen hoe trauma werkt. Ik weet dat veel vrouwen getriggerd werden door de berichtgeving over The Voice en de uitzending van BOOS. Ik denk dat dat bij mij ook een rol speelde. Die afschuwelijke machteloosheid en daarna het secundaire trauma van niet geloofd of gehoord worden (invalidation), of gesust met toxic positivity (het is vast niet zo erg, je moet gewoon …).

Vandaag gebeurde er iets kleins. Iemand vertelde over een nare ervaring in het ziekenhuis (behandeld als een onmondig kind, alle chronisch zieken krijgen er vroeg of laat mee te maken). Sommigen reageren dan primair: gotverdegotver wat een eikels. Anderen reageren genuanceerd: ze doen vast hun best, je moet het volgende week nog maar eens proberen.
Voor mijn gevoel was dat invalidation en toxic positivity inéén, en ik ontplofte een beetje. Zou wel fijn zijn als ik ooit nog eens leerde om op mijn handen te gaan zitten.

Enniwees: foute boel.
Ik hysterisch en overstuur, de anderen voornamelijk gekwetst.
Er is dan maar zo weinig nodig om het weer goed te maken. Zeg gewoon: Ik zie dat het je pijn doet, dat vind ik echt naar voor je.
Er hoeft niets gefikst, er hoeft niets behandeld of opgelost, er is alleen getuigenis nodig. Erkenning. En beseffen dat 'moed inpraten' vaak meer kwaad doet dan goed. Hier staat dat goed uitgelegd.

Iris Koops schreef vandaag een goed stuk over de triggers en de secundaire traumatisering naar aanleiding van The Voice.
Waarmee ik helemaal niet mezelf schoon wil praten. Zo uitvallen tegen welmenende mensen was echt niet nodig. Maar aan de andere kant: soms wordt een trauma dat normaal heel diep onder de oppervlakte sluimert zó getriggerd dat het wel een vulkaanuitbarsting lijkt. Probeer ook dat te begrijpen.

dd 230122: afgelopen nacht kwam ik nog een mooie omschrijving tegen van hoe een trigger werkt:
Triggers are like little psychic explosions that crash through avoidance and bring the dissociated, avoided trauma suddenly, unexpectedly, back into consciousness.
Carolyn Spring

Geplaatst in autobio, tijdgeest | Getagged , , , | 2 Reacties

214 – de kaart

De zon ging onder, het licht verliet de wereld. Bo vertrok met de anderen. Ik keek de paarden na tot ik ze niet meer zag. Kuuksi draaide rondjes om mijn benen. Ik pakte haar op en zette haar op mijn schouder. We moesten terug naar de Heerweg.

Wezarma zei: "Blijf hier nog een nacht. Blijf eten, blijf slapen. Vertrek morgenochtend, dan kom je tegen de avond bij de Heerweg aan, dat is veiliger."
Ze had gelijk.

Met de overgebleven mannen en vrouwen zaten we rond een vuurtje waar een theeketel boven hing. Ik hield het schild op mijn schoot. Ze keken er nieuwsgierig naar en ik vertelde hoe het was ontstaan, wat de verschillende paneeltjes voorstelden, hoe ik Langen San en Schorre Clif was kwijtgeraakt, hoe het me beschermd had op mijn vlucht, hoe ik hoopte dat het me zou blijven beschermen op de tocht die voor me lag.

Een van de mannen stond op en haalde iets uit de tent. Het was iets dat ik nog nooit had gezien, ik wist niet eens hoe het heette. Perkament. Een groot vel dat op een lap heel dun leer leek. Erop was een tekening aangebracht die ik herkende van de lessen op school, al had de dogman alleen in het zand getekend.
Een kaart van Imhemren. De voet met de zeven tenen.
De man keek de kring rond alsof hij om toestemming vroeg. De anderen knikten instemmend.

Wezarma zei: "Je bent niet de eerste die de reis naar de Rots gaat ondernemen. Verschillende verzetters hebben het ook geprobeerd, teruggekeerd is er niemand. Misschien waren ze te jong, te overmoedig."
"Allemaal mannen," vulde een van de vrouwen aan. Ze glimlachte, haar groene ogen fonkelden.
De mannen gingen er niet op in, verbazend genoeg. Ze legden mij de kaart uit. De heerlijkheden, de rivieren, de steden, de grenzen.
"En wat zijn al die driehoekjes?"
"Dat zijn verzetterskampen."

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

als bloemen

Met kerst heb ik lekker zitten gelliprinten, en deze paarse serie leende zich weer goed voor nog een palm leaf boekje. Ik dacht opeens aan al die mooie paarse droogbloemetjes die ik had, hoe kon ik die gebruiken? Eigenlijk ben ik daar nog steeds niet uit: als je ze met gel medium insmeert worden ze zo plastic-ig en plakkerig, als je ze tussen 2 velletjes doorzichtig papier stopt worden ze flets … dus ze zitten hier gewoon tussen twee blaadjes in, en als lezer moet je ze maar zoveel mogelijk niet aanraken.
Ik knipte nog heel veel bloemblaadjes uit verschillende soorten papier en was ontzettend aan het genieten. Helemaal per ongeluk vond ik een doosje met uitgeknipte mondjes erin, en zo werd ook de tekst geboren. Elke keer weer magisch hoe dat zich ontvouwt.
Ik vond een leuk bloemig (tikje onleesbaar) font dat ik op paarse blaadjes afdrukte.

ze spreken met elkaar als bloemen
wiegend, geurend, knikkend
kleuren neigend naar elkaar
eender buigend voor de wind
geen eigen aard of eigen woorden
ongeacht de eigen steel
samen gonzend met de bijen
druppend van dezelfde bui
knak hun laatste samenwoord

HRB151/22 te koop voor €15,95

Geplaatst in heldinne's reisboekjes | Getagged | 3 Reacties

213 – het kruispunt

Wezarma vervolgde: "Je wilt je dochter bevrijden. Jij wil je zuster redden, Hebotva. Maar je kunt een ander niet bevrijden. Iemand kan alleen zichzelf bevrijden. In Miama's vroegste jeugd is een patroon ingeslepen van absolute gehoorzaamheid. Ook was de onrechtvaardige dood een onderdeel van haar dagelijks leven."
Hoe wist Wezarma dat? Zelfs Bo kende niet de details van Mia's oorsprong op Middelgront.

"Hoe kan ze tot inzicht komen als niemand haar de waarheid vertelt?" vroeg ik.
"Ze moet zelf de waarheid zien," antwoordde Wezarma. "Zoals jij haar hebt leren zien, Yima. Vertrouw erop dat jullie haar genoeg hebben bijgebracht. Op een dag zal ze zelf de vrijheid kiezen en dan wijs ik haar de weg. Het kruispunt is duidelijk: jullie moeten vandaag nog vertrekken. Als jij het grootste paard neemt, kan je moeder achter je zitten, Hebotva."
Maar was dat wat ik wilde?

Wezarma kwam moeizaam overeind en wijdde zich weer aan haar brood.
Ik pakte nogmaals het spiegelpotje. Op de bodem zag ik mezelf. Mijn spiegelgezicht schudde nee.
Ik schudde nogmaals de korrels op het zijden zakje. Weer openden zich de vier wegen en sloten drie zich weer. Maar nu was het de weg naar het noorden die open bleef.
Ik dacht aan mijn schild en hoe de paneeltjes verschoven, destijds op Langen San. Weer zag ik het visoen, ik zag me weer lopen, bergen zag ik, meren, rivieren, ijzige vlakten en donkere bossen. Het was mijn visioen, niet dat van mijn kinderen.

Ik pakte weer Bo's handen.
"Ga, jongen. Doe wat je moet doen. Word een goede verzetter. Ik ga naar de Rots."
Pas toen ik het uitsprak, wist ik dat dat mijn doel was. Zelf naar de Rots gaan. Niet omdat ik als een minderwaardig Tweede Meisje die kant op gestuurd was, maar omdat ik zelf wilde weten of het waar was, of alles wat ze ons geleerd hadden waar was. Waar Vulema was gebleven, waar mijn tante Wizma was gebleven.
Bo keek me aan en knikte. "Ik zal je schild pakken," zei hij.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 6 Reacties

212 – de weg naar het westen

Ook de potjes met de tekens erop waren er nog. Het ontroerde me. Even voelde ik de beschermende aanwezigheid van Storma. Tegelijk realiseerde ik me – had ik dat niet eerder gezien? – dat de tekens op de potjes overeenkwamen met de tekens op de munt: het kruisje, en het rondje dat een soort staartje leek te hebben, zoals de O van ROTS op mijn eerste plaquette op school. Dat laatste had ik ook gezien op de bodem van mijn geheime bergplaats in de slaapkamer van Hebotva en mij. De littekens op mijn borst schrijnden, mijn leven leek als een spiraal om me heen te wervelen.

Ik opende het potje en zag mijn spiegelbeeld op de bodem ervan. Met wijdopen ogen keek ik mezelf aan. Ik mocht ze niet sluiten nu.
Ik pakte het andere potje. Ik haalde het zijden zakje eruit, goot de korreltjes in Bo's hand en spreidde het zakje uit op de rieten mat waarop we zaten. "Giet ze maar hierop," zei ik tegen Bo.
We keken toe hoe het bergje korreltjes in vieren gedeeld werd. En hoe drie armen van het kruisje zich weer sloten. Alleen de weg naar het westen bleef open.

De rest van het gezelschap was intussen steeds bezig geweest met voorbereidingen om de vertrekkende verzetters op weg te helpen, maar nu waren ze om ons heen komen staan. Ze keken toe alsof ik een waarzegger was.
De oudste vrouw, haar handen nog wit van het kneden van brooddeeg, knielde bij ons neer. Ze deed me aan Storma denken, met haar doorleefde gezicht, haar grijze haren die in slordige pieken onder haar hoofddoek uitstaken. Hoe heette ze ook weer?

Bo zei: "Wezarma is de enige vaste bewoonster van dit kamp. Zij beheert de voorraad Graysaflu, als zij in de verte volk uit Harstamar ziet komen, en ze vertrouwt het niet, dan krijgen we allemaal een paar druppen en verschuilen ons onder de bedrollen."
"Yima, moeder van Miama en Hebotva …" begon ze.
Ik keek Bo verrast aan.
"Verzetters mogen alleen onder hun eigen, echte naam toetreden," zei hij.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

211 – de draagzak

We zeiden het tegelijk, ik pakte zijn handen en voelde een diepe dankbaarheid.
De middag vorderde, de anderen ontwaakten uit hun middagsluimer, er werd thee gemaakt. Twee mannen en twee vrouwen zouden die avond vertrekken. Met de anderen overlegden Bo en ik wat we nog zouden kunnen doen om Mia te bevrijden.
"Hoe heb je het de vorige keer geprobeerd?" vroeg ik aan Bo.
"Ik deed alsof ik een marskramer was," zei hij. "In de westelijkste kampen worden spullen uit Mingia verhandeld, daar had ik wat van meegenomen. Kleine glazen siervoorwerpjes vooral."
"En toen?"

"Ik zag haar lopen in die stoet, precies wat jij gezien hebt. Ze herkende mij, ze slaakte een kreet, ze wilde naar me toe rennen maar de stoet stopte, ze kwamen naar me toe, ze sloten zich om me heen als ijskoud water waarin je verdrinkt … Met haar ogen waarschuwde Mia me, ze zette haar voeten wijd uit elkaar, ik dook tussen haar benen door, met schild en al, ik rende naar de muur, mijn hand werkte nog, ik vluchtte en voelde me zo'n lafaard …"
Ik dacht na. Hoe lang en hoe goed zou mijn Hemrond nog werken?
"Heb jij die blauwe tuniek nog?" vroeg ik aan Bo.

Hij knikte. Hij ging naar de mannentent en kwam terug met mijn oude draagzak. Hij overhandigde mij de gekreukte tuniek maar ik wilde de draagzak, ik voelde onderin, mijn handen vonden de zeeoor, in de vakjes aan de zijkant voelde ik mijn laatste twee kettingen en wat geld. En oh wonder, alle flesjes waren er nog: Helvarderaflu, Murmerflu, Graysaflu, Bridawertflu en Wispelerflu. Ik hield ze tegen het licht.

Helvarderaflu was behoorlijk leeg geraakt op Kraeckten San, Bridawertflu was er ook nauwelijks meer, van Graysaflu had ik nog genoeg, het flesje waar Mia uit had gedronken voor haar vlucht had ik van Rietmeisje gekregen. Huiverend nam ik Murmerflu in mijn hand. Het zat nog vol. Moest ik het leeggooien? Zou ik het nog nodig hebben? Ik stopte het terug onder zijn bandje. Wispelerflu bracht me het gesprek met Letifam in gedachten. Hoe haar gezicht tegelijk blij en weemoedig werd.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties