268 – bij Clarma

Ik ontdeed me van schild, draagzak, mantel. Nu voelde ik pas hoe moe ik was, hoe geschokt ook. En dankbaar dat Clarma me had gewaarschuwd. We dronken thee. Ik vertelde haar wat er was gebeurd. "Hoe wist je dat ik Wasijma niet kon vertrouwen?" vroeg ik.
"Ik zag hoe ze om zich heen keek, alsof ze iemand zocht. Hoe ze de lucht afspeurde. Haar gedachten waren niet bij de Goede Vader. Waar kende je haar van?"

Weer dat dilemma: wat vertel ik, wat laat ik weg, waarom zou ik Clarma wél vertrouwen? Ze leek het aan me te zien, ze glimlachte. Ze schoof haar linkermouw omhoog en toonde me de driehoek.
Het verbaasde me, ik zei: "Ik dacht dat dat niet nodig was in MancuKondalu?"
"Nee," zei ze, "maar langs de Heerweg wel! Jij bent toch ook gewaarschuwd?"
Ik knikte. "Waarom is het zo gevaarlijk om naar Signada te gaan?"
Clarma stelde een wedervraag. "Waarom ben jij onderweg naar de Rots? Je bent toch ook een Verzetter?"

Ik vertelde het kort. Dat ik de Rots met eigen ogen wilde aanschouwen, dat ik wilde weten of ons de waarheid werd verteld of dat het maar een verhaal was, verzonnen om ons onder de duim te houden. Ons vrouwen? Ons inwoners van Inhemren?
"En je grootvader? Leeft hij nog?"
"Dat weet ik niet. Hij moet wel tachtig maanjaren oud zijn. Hij is destijds met zijn tweede dochter ontvlucht."
"Jouw tante dus. Hoe heet zij?"
"Wizma," zei ik, met even een sterk heimwee naar mijn moeder. Ik was verschrikkelijk moe, er rolden zomaar tranen uit mijn ogen.

"Eerst slapen," besliste Clarma. Ze trok een bedrol onder de bank uit, legde mijn spullen op de grond en maakte een bedje voor me op, met een zacht kussen en een donzen deken.
Ik viel niet meteen in slaap, ik hoorde haar scharrelen, ze ging zelfs even de deur uit en kwam even later terug met een emmer waarin het water klotste. Vertrouwde huishoudgeluiden die me een veilig gevoel gaven. Ik hoorde Kuuksi spinnen maar waar ze zat wist ik niet. De slaap overmande me, overvrouwde me. Het was lang geleden dat ik me zo aan de slaap had durven overgeven.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 3 Reacties

267 – de haarwasvrouw

Ik sloop de trap af, roofde een brood en een stuk worst en verliet de herberg. De tuin werd afgeschermd door een haag waar ik net overheen kon kijken, naar het pad dat langs de rivier liep. Er liepen wel mensen – kooplui, ambachtslieden, huisvrouwen – maar Wasijma zag ik niet. Als ik naar links keek zag ik nu, veel duidelijker dan gisteren, de schaduw van de Rondweg en de torens van Spirabyad. Zou ik daar veilig zijn?
Hoe dan ook, het was de richting die ik gaan moest. Terugkeren was geen optie.

Tegen de avond bereikte ik de stad. De schaduw van de Rondweg lag eroverheen net als in Barraspira, maar hier was hij breder, veel breder. De hoofdpoort lag naar de Helvarderaflu gekeerd, net als in Harstamar. Ik schoof de kap van mijn mantel naar achteren, zodat de wachter kon zien – of tenminste denken - dat ik van hier was. Het was niet genoeg. Ik haalde de munt van de haarwasvrouw uit mijn broekzak en toonde die.

"Naam?"
"Yima van Rodva." Hoe gevaarlijk ook, hier kon ik niet anders dan mijn echte naam noemen.
"Doel van uw komst?"
"Familiebezoek," zei ik, en voelde hoe mijn hart opsprong bij het uitspreken van die woorden. Zou mijn grootvader nog leven? Zou mijn tante Wizma hier wonen?
De wachter gebaarde dat ik door mocht lopen.

Donker was de stad, geen sterrenlicht drong door de schaduw. Waar kon ik onderdak vinden? Iemand klopte op mijn schouder, geschrokken keerde ik me om. Het was de haarwasvrouw! "Kom," zei ze. We liepen een zijstraatje in, beklommen ergens een trap, zij ontsloot een deur, en we betraden een kamer onder de dakbalken van een hoog gebouw. Op de tast ontstak zij een olielamp. Twee banken, een tafel met twee krukjes, een kast, een vuurplaats.

"Welkom Yima," zei ze. "Ik ben Clarma."
Ze maakte vuur en hing er een ketel water boven.
"Leg je spullen maar bij die bank," wees ze.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 3 Reacties

266 – ontsnappen

Kuuksi sprong op mijn bed en krabbelde aan de muur. Ze mauwde zoals ze heel vroeger deed als ik was vergeten om haar te eten te geven. Dwingend. Ik kreeg het koud van haar nagels die over de stenen muur krasten. "Hou op, Kuuks!" maar ze hield pas op toen ik begreep wat ze bedoelde. Ik grabbelde in mijn buidel naar de Hemrond, vlug hing ik de draagzak om mijn schouders, knoopte mijn schild vast, zwiepte de bontmantel over alles heen, hield de Hemrond omhoog … er kwam beweging in de ruwe stenen. Tergend langzaam en veel te lawaaiig weken ze uiteen. Kuuksi slipte als eerste door de nauwe opening die ontstond. Ik paste er zo niet doorheen, ik legde alles weer af, duwde mantel, schild en draagzak door de spleet en perste mezelf erdoorheen.

Ik hoorde hoe een sleutel in de deur van onze kamer werd gestoken en omgedraaid. Ik hoorde de deur zelfs nog knarsen. Toen was het gat gesloten. Ik griste een deken van de vensterbank en spreidde die gauw over mijn spullen. Samen met Kuuksi kroop ik onder het bed. Ik hoorde hoe Wasijma uit het raam riep: "Yima? Yimama! Waar zit je?"
Daarna hoorde ik haar fluiten op haar vingers. Een lokroep. Een duisternis zweefde voorbij ons raam. Ik hoorde Wasijma murmelen, ik hoorde een vleugelslag.

Heel lang bleef ik liggen onder het bed. De zon was al lang uit de kamer verdwenen toen Kuuksi wegsloop uit mijn omarming. Voorzichtig stak ik mijn hoofd onder het bed uit. Ze sprong op de vensterbank en mauwde zacht. Was de kust veilig? Ik keek uit het raam en zag dat er nu ook uit onze kamer beddengoed buiten hing. We moesten het er op wagen. Kuuksi sprong naar beneden, de tuin in, en ik nam een flinke slok Graysaflu. Er was niemand op de overloop waarop de gastenkamers uitkwamen. Over de balustrade keek ik naar beneden, waar een eetzaal was. Honger had ik!

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 4 Reacties

265 – een brief

Midden in de nacht werd ik wakker doordat Wasijma in de draagzak rommelde. Door mijn oogharen keek ik toe. Wat zocht ze? Even later liep ze naar de vensterbank en het licht van de heldere nacht. Ze schreef. Ze had een velletje perkament gepakt, en mijn pen en inkt. Ze schreef. Haar verbazing had dus niet mijn schrijfkunst gegolden, maar het handige feit dat ik pen en papier bezat. Wat schreef ze? Aan wie?

Opeens verduisterde het licht. Een grootuil landde op de vensterbank. Onder mijn deken grabbelde ik in mijn buidel naar de straalzaadjes. Voor ze doorhad wat er gebeurde, stond ik naast Wasijma en strooide de zaadjes op de vensterbank. Gretig pikte de uil ze op en toen liet hij zich pardoes achterover vallen, als een dronkeman. Wasijma moffelde het briefje weg, ze zei: "Wat een geluk dat je die nog had! Hij wilde me aanvallen!"

"Wat deed je?" vroeg ik onschuldig.
Ze keek me aan met die ondeugende blik. Ik snapte niet dat ik daar ooit mezelf in had menen te herkennen, dit was pure berekening. Als je iets eenmaal ziet, kun je het nooit meer on-zien.
"Ik wou proberen of ik het ook kon. Schrijven, bedoel ik."
"Ik zal het je leren," beloofde ik.
"Wil je nu iets eten?" vroeg ze.
Ik gaapte met veel vertoon. "Nee, ik wacht wel tot het ontbijt." Ik kroop weer op mijn brits en bleef wakker tot zij ook was gaan liggen. Toen voelde ik geruststellende pootjes op mijn buik.

Toen ik wakker werd, was Wasijma niet in de kamer. Kuuksi zat op de vensterbank, ik liep naar het raam dat uitkeek op de rivier. Links en rechts van ons was ook een kamer, er hing beddengoed uit de ramen. Toen zag ik Wasijma, ze kwam aanlopen met een waterzak in haar hand. Had ze Helvarderaflu gehaald? Ik voelde aan de deur van onze kamer. Hij zat op slot.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

264 – onderweg naar Spirabyad (2)

"Goed idee," zei ik. "Ik vond het in Barraspira ook heerlijk. Zoveel mooie witte gebouwen, en zoveel producten op de markt …" en toen Wasijma niets terugzei: "Harstamar is trouwens ook een mooie stad. Vooral die kleurrijke toegangspoort aan de Heerweg …"
"Aan de andere kant toch? Aan de rivier?"
Daar kantelde het. Ze was in Harstamar geweest.
"Oh, dat weet ik niet meer precies," zei ik onverschillig. "Ik ben al zo lang onderweg."

Mijn voeten sloften voort, mijn hoofd draaide dol van alle vragen. Wie was Wasijma? Wat was ze? Een Blauwe? Was ze in Harstamar geronseld? Waren ze me op het spoor gekomen vanwege de moord in het bos? Was ik nog altijd niet veilig, zon Hebotva na al die jaren nog steeds op wraak, zelfs al dacht hij dat ik gedood was bij de gevangenisuitbraak? Maar ik had me toch Stijfam genoemd toen ik in Harstamar was, niemand daar wist toch mijn ware naam?

Behalve Mia. Ik zag weer haar bange gezicht. En ik had haar niet gered. En Bo had haar niet gered. Gered van het Redwerk. Ik dacht terug aan mijn ontsnapping, door de muur, met de Hemrond. Hoe ik in het Tweede Meisjeskamp van Harstamar beland was. Daar had ik wel mijn echte naam genoemd, en dat ik uit Registana kwam. Ze hadden me geholpen door mijn tuniek te verven, ze hadden me richting Bo gewezen.

We zouden Spirabyad net niet bereiken die dag. Door het heldere licht had de stad vlakbij geleken, maar hij kwam niet dichterbij, en ik was verschrikkelijk moe. Gelukkig was er nog een pleisterplaats, een kleine herberg waar nog net een kamer vrij was voor ons. Wasijma opende de luiken en het ruisen van de Helvarderaflu vulde de kamer.
"Ga maar gauw slapen," zei Wasijma zorgzaam. "Ik haal wat te eten."

Ze hielp me de draagzak af te doen en dekte me toe. Ik sloot mijn ogen. Met alle kracht die in me was probeerde ik wakker te blijven tot ze de kamer uit was. Toen peuterde ik alle flesjes en potjes onder uit de draagzak en propte ze in mijn buidel. Niet alles paste, ik deed de beide potjes in mijn broekzak. Toen overmande mij de slaap.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

263 – onderweg naar Spirabyad

Het had zo'n heerlijke tocht kunnen zijn, eerst langs het Zijmeer, toen langs de Helvarderaflu die hier drukbevaren was, schepen met koopwaar, ik kon me eindelijk voorstellen hoe mijn grootvader naar het zuiden was gereisd. In de vallei had de koude wind weinig vat op ons, en de grond was zacht en grazig. Soms was er een aanlegsteiger, een kleine handelsplaats, af en toe zelfs een soort herberg. Het bruisende water, de levendigheid, het veilige gevoel dat MancuKondalu gaf, het had zo prettig kunnen zijn als de vrouw niet die angel had geplant: vertrouw je haar?

Waarom zou ik Wasijma niet vertrouwen? Ik probeerde na te gaan wat ik haar allemaal had verteld. Vooral over Dunkitaba, mijn huwelijk met Hebotva, mijn vlucht met Bo. Later had ik het over "mijn kinderen" gehad zonder te vermelden hoe Mia mijn dochter was geworden. Over Barraspira had ik nauwelijks gepraat, ik had gezegd dat we waren gevlucht omdat Hebotva ons op het spoor was gekomen. Dat ik naar de Rots wilde, en dat Bo en Mia hun eigen weg waren gegaan. Verder hadden we vooral gepraat over onze jonge jaren in Registana, met de dankbare herkenning die past bij de ontmoeting van een landgenoot in onbekende streken.

"Wat ben je stil?" vroeg Wasijma. We konden de schaduw van de Rondweg al zien, en ook de torens van Spirabyad, die wel wat op die van Barraspira leken, maar dan roze in plaats van wit.
"Ik ben moe," zei ik. Het was ook waar. Niets maakt zo moe als piekeren. Vooral als dat gepieker nergens op gebaseerd lijkt.
"We zijn er bijna," zei Wasijma. "Zullen we gewoon een tijdje blijven daar? Ik wil wel weer eens in een stad zijn."

Weer? dacht ik. In welke stad ben jij dan nog meer geweest? Barrador kon je geen stad noemen. Of bedoelde ze NuktatHarsta? Maar daar zag je als Tweede Meisje ook niet veel. Je werd aan het begin van de Heerweg neergepoot en daar begon het. Ik wist nog goed hoezeer ik onder de indruk was geweest, toen op onze huwelijksreis. Die drukke wemeling van mensen en huizen, het grote plein met de schaduw van de Heerweg erboven.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 1 reactie

262 – weer op weg

"Overal in het land? U bedoelt in MancuKondalu?"
"Nee, in heel Inhemren. Maar de machthebbers zijn bang voor hen. Zij ondermijnen de geboden, zeggen ze. Vrouwen zien het vaak anders, zij zien dat een goede vader meer evenwicht brengt, meer geluk ook voor de vrouw."
Zou het kunnen dat Ghemma me daarom voor haar zoon had uitverkoren? Omdat ze al zag wat voor karakter Hebotva had? In de hoop dat een afstammeling van een Yiva hem in evenwicht zou kunnen houden?

Ik wilde dit allemaal niet aan de vrouw vertellen. Ik vroeg: "Vindt de heerva van Mancu Kondalu dit dan allemaal goed?" Ik bedoelde het beeld, deze vallei, deze verering.
"Ertsva is geen Yiva," zei de vrouw. "Maar hij vindt de heerschappij die ons vanuit Blyntera onder de duim houdt ook niet goed. Hij gelooft dat de mensen zich zonder dwang en geweld ook wel aan de geboden houden, zolang ze merken dat het hen goed doet."
Ze droogde mijn haar met een rulle doek.

"Jij en je jonge vriendin zijn onderweg naar de Rots?" vroeg ze.
"Dat is wel het plan," zei ik.
"Vertrouw je haar?"
Verbaasd keek ik haar aan. Daar had ik nooit over nagedacht. We waren reisgenoten, lotgenoten, landgenoten.
"Houd je ogen open," zei de vrouw. "Volg het water, ga eerst naar Spirabyad en vraag daar de weg." Ze gaf me een munt met daarop de beeltenis van de Goede Vader. "Toon deze bij de poort."

Wasijma kwam naar ons toe. Ze had brood en gedroogd vlees gekocht voor onderweg.
Ik wilde de vrouw betalen, maar ze zei: "Ik vond het een eer om een Yima te verzorgen."
Ik zag Wasijma's vragende blik. Ik beantwoordde hem niet.
Nu moesten we alleen nog water halen. "Is dat Helvarderaflu?" vroeg ik bij een kraam met grote kruiken.
De verkoper lachte. "Nee, dat is hier veel te sterk. We gebruiken het alleen voor zieken of mensen die geen rust kunnen vinden. Dit is water uit het Zijmeer, dat kan geen kwaad."
"Misschien is het toch handig voor onderweg?" vroeg Wasijma.
Ik herinnerde me die gedweeë onderdanigheid maar al te goed. Ik zei: "Ik heb nog wel wat."

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

mozaïek der mensheid

Op 2 mei zag ik op de Facebookpagina van BBC Culture een link naar een interessant artikel over collages in de Victoriaanse tijd. Er was er eentje bij die me meteen inspireerde. Heerlijk een middagje meten en knippen.

De vierkantjes zijn 2,5 x 2,5 cm. Ik bedacht dat het misschien handig was om daarvoor een sjabloon te hebben in plaats van steeds met de geodriehoek in de weer. Al zoekend stuitte ik op een doos met blokjes (vanaf 36 maanden!) die precies de goede maat hadden. Heerlijk speelgoed!

Ik begon met het hele patroon in wit uit te knippen en te leggen. Daarna zocht ik er gekleurde papiertjes bij. Kant-en-klaar, gelli prints, stijfselmarmer, van alles kwam in aanmerking.
Leggen is nog wat anders dan plakken, en helemaal volmaakt werd het niet.
Nu de binnenste zeshoeken nog. Ik besloot ze te vullen met 6 driehoekjes waarop steeds mensenmenigten te zien zijn. Het mozaïek der mensheid, zoiets. Toen ze af waren, en ik ze op hun plaats legde, begon ik te twijfelen. Was het geheel zonder middenstukjes niet mooier?
Ik gooide het geheel in de groep, op Facebook en Twitter. Wat is het toch geweldig hoe mensen dan meedenken!

Wat ik onder andere hoorde was dat "zonder" weliswaar mooier en rustiger was, maar "met" interessanter en aparter. Onder de "met"-stemmers waren ook kunstenaars van wie ik de mening erg op prijs stelde, dus ik was wel blij dat "met" ook in aantallen veel hoger scoorde.
De uiteindelijke uitslag: 48 voor "met" en 23 voor "zonder."

Terwijl ik dit zat te schrijven bedacht ik: ik kan voor ik ze opplak nog wel even een goede foto van "zonder" maken, dan kan ik die via Werkaandemuur aanbieden.
Tijd om mijn geweldige statief van 2 dozen en een wasrekje weer eens van stal te halen!
En vervolgens de middenstukjes opplakken. Klaar!

hc1/22 Mozaïek der Mensheid is te koop voor €75,00 (formaat A3)

Geplaatst in creatief | Getagged | 4 Reacties

261 – de Goede Vader (3)

Er stonden wat stalletjes met etenswaar voor de pelgrims. Ik weet nog dat ik in mijn hoofd even stilstond bij dat woord. Tot nu toe was een "pelgrim" per definitie iemand geweest die over de Heerweg onderweg was naar de Rots. Maar deze pelgrims kwamen voor de Goede Vader, voor de hulp en steun die de Grote Hemren hen niet geven kon. De meesten van hen hadden wit haar, viel me op. Ik deed de sjaal af die ik om mijn hoofd droeg, de wind had geen vat op de zonnige vallei.

Toen ik Wasijma zo'n beetje mijn levensgeschiedenis had verteld, was de kleur van mijn haar natuurlijk wel aan de orde gekomen. Of vooral die van Bo. Maar het was alsof ze het nu pas echt zag, dat mijn haar niet zwart was zoals het hare, zoals het hoorde in Registana.
Ik had al manenlang niet meer in een spiegel gekeken, mijn haar moest er wel verschrikkelijk uitzien, piekerig en vies.

Een vrouw klampte mij aan. "Bent u van hier?"
Wat ze daar dan precies onder verstond, ik was inmiddels van overal, ik zei: "Nee."
"Zal ik uw haren wassen? Wij zijn graag rein voor de Goede Vader." Het was een mooi ingekleed verwijt, en het leek me heerlijk. Ik volgde haar naar een stoel waarin ik achterover geleund zat, mijn hoofd vrij. Ze had lauw water en geurige zeep. Wasijma ging alvast inkopen doen.

"Uw haar is wel van hier," probeerde ze nogmaals.
"Geërfd van mijn grootvader, die kwam hier vandaan."
"Hoe heette hij?" Haar vingers masseerden mijn hoofd.
"Yiva," zei ik.
Haar vingers stopten, ze kwam voor me staan en keek. "Yiva?"
Ik knikte. "Ik heet naar hem. Yima."
Langzaam liep ze weer om de stoel heen en begon de zeep uit mijn haren te spoelen. Zachtjes begon ze te praten. "De naam van de Goede Vader is Yiva. Mannen die Yiva heten, gaan iets betekenen voor de wereld. Ze staan overal in het land bekend als goede mannen, goede vaders."

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 7 Reacties

over goede bedoelingen en grenzen

Alweer bijna 4 maanden geleden schreef ik over een trauma trigger. Mijn vulkaanuitbarsting maakte me, ondanks ettelijke verontschuldigingen, tot persona non grata, want begrip was er niet bij de Goede Bedoelers. Het kon niet tegelijk waar zijn, dat zij het goed bedoelden en ik óók. Nee, ik was kwaadaardig en krankzinnig, ik moest me maar gauw laten behandelen. (Mijn emdr -therapeut heeft helaas een wachtlijst van een half jaar.)
(Lees hier meer over Goede Bedoelingen.)

Toen een van de Goede Bedoelers me appte, een tijd later, waren hartkloppingen en hyperventilatie onmiddellijk terug. Ik vroeg raad: hoe zeg je netjes dat je contact voorlopig nog niet aankan? Want grenzen aangeven … ik krijg er bijna een hartaanval van. En terecht, want mijn neutrale tekst blijkt voor de Goede Bedoelers nu reden om mij uit hun bestaan te wissen.

Zelf vinden Goede Bedoelers het niet moeilijk om grenzen aan te geven. De nieuwe Hella past niet in hun wereldbeeld, zij hebben het véél te druk met positief blijven om zich in jou en je trauma te verdiepen, en trouwens, heb je je ziekte ook niet een beetje aan jezelf te wijten? Je bent een egoïst, je leeft verkeerd, ze zeggen het alleen om je te helpen. Zonder ook maar één keer naar jouw werkelijkheid te vragen.

Ik ben net zo'n voetballer die in een vraaggesprek in de je-vorm spreekt omdat de ik-vorm te pijnlijk is.

Ik heb er verdriet van omdat het zó ontstellend oneerlijk is. Maar verder … het is een patroon. Iedereen mag grenzen aangeven, ik niet. Ik moet blij zijn en dankbaar voor toegeworpen kruimeltjes. Die de Goede Bedoelers je uiteindelijk alleen maar toewerpen om zichzelf daarna zelfvoldaan in de spiegel te kunnen aankijken.

Pas had ik het erover met iemand: waarom zijn mensen zo?
Omdat ze het niet aandurven de diepte in te gaan. Omdat ze bang zijn voor een leven dat ze niet onder controle hebben. Omdat ze koste wat kost de illusie in stand willen houden dat als je maar precies doet zoals zij, je geen ongeluk treffen kan.
Vals beschuldigd bij het grofvuil gezet, ik zal het ermee moeten doen. En om positief te eindigen: op de adrenaline van een trauma trigger heb je – heb ik – in no time de plee én de keuken gepoetst!

Geplaatst in autobio | Getagged , , , | 3 Reacties