260 – de Goede Vader (2)

We werden opgeschrikt doordat iemand de zaal binnenkwam, maar nu via het oor aan de andere kant. Het was een man die eruit zag als een berggids, of tenminste, zoals ik me een berggids voorstelde. Iemand met zware laarzen, een broek omwikkeld met repen leer, een warme korte mantel, een rugzak met een rol touw en verschillende soorten gereedschap.
In zijn hand had hij velletjes perkament, rolletjes papier van riet, zelfs bladeren waar iets op geschreven was. Hij wenste ons goedemorgen – zonder enige verbazing – en liep naar het ronde gat. Daar liet hij zijn boodschappen in neerdwarrelen. Hij deed zijn muts af en stond een kort moment met zijn ogen gesloten. Hij had spierwit, glanzend haar. Toen wendde hij zich tot ons.
"Wij brengen onze zorgen naar de Goede Vader," zei hij. "Jullie kunnen dat ook doen."
Hij vroeg verder niets.

Toen hij weer door het oor verdwenen was, haalde ik een velletje perkament onder uit mijn draagzak, en mijn pen en de inkt. Verbaasd keek Wasijma toe. "Kun jij schrijven?"
"Een beetje," zei ik. "Wat zal ik erop zetten?"
We konden het allebei niet bedenken. We kenden alleen de standaardzinnen waarmee we ons tot de Grote Hemren richtten. Uiteindelijk beperkten we ons tot "Goede Vader, sta ons bij." Dat was al heel wat. Een vrouw die voor zichzelf iets vroeg. Ik blies de inkt droog en liep voorzichtig naar de rand van het gat. Het was heel diep, heel donker, en toch verbeeldde ik me dat er iets wervelde, daar helemaal beneden. Alsof al die zorgen en verzoeken om hulp eindeloos rondwervelden en samen iets van hoop en vertrouwen levend hielden.

We volgden het voorbeeld van de berggids en gingen door het andere oor naar buiten. Meteen was er weer die suizende wind. Voorzichtig klauterden we naar beneden. De schoot van het beeld lag in een kleine vallei, daar voelde het warm en zonnig. Nu zagen we ook hoe het mogelijk was dat daar iets groeide: niet veel verder was een meer, en we hoorden watergeruis dat wel van een rivier moest zijn. Ik haalde de kaart tevoorschijn. De Zijmeren! De Helvarderaflu!

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

259 – de Goede Vader

Hier moest veiligheid zijn, dat kon niet anders. Een sereen gevoel kwam over me terwijl ik langs het hoofd omhoog klauterde. En daar was Kuuksi! Ze huppelde me moeiteloos voorbij en verdween in het oor van de Goede Vader.
"Kom!" riep ik naar Wasijma, die stond te rillen van kou en angst. "Kom! Hier kunnen we schuilen!"
Ze was bijna bevangen door de kou, ze klom op stijve benen moeizaam naar boven. Ik reikte haar de hand en samen gingen we door de opening van het enorme oor naar binnen.

We hadden geen vuur, we hadden geen licht. Maar door de ogen, de oren en de mond van het beeld straalde sterrenlicht naar binnen. Zo licht kon het vroeger ook zijn in de woestijn.
Het was een grote, ronde grot die meer op een zaal leek. Er waren brede stenen banken langs de wanden. Midden in de vloer was een groot, rond gat. Kuuksi stond te gluren aan de rand maar besloot dat een poes daar verre van moest blijven.

We hadden nog wat brood en een paar appels. Toen nestelden we ons samen op een bank, warm in onze bontmantels gerold, Kuuksi bovenop ons. Het duurde lang voor Wasijma ophield met bibberen, maar uiteindelijk vielen we allebei in een droomloze slaap.

In de morgen keken we door de ogen naar buiten en zagen tot onze verbazing, heel in de diepte, de schoot van het beeld. Het gesteente dat in het licht van de ondergaande zon roze had geleken, bleek nu grijsblauw, echt precies zoals het beeld op Taka Haringes eruit had gezien. Er was groen rondom het beeld, gras leek het, of mos, in elk geval iets wat goed tegen de kou kon. Vanuit het groen liepen treden omhoog, en daar liepen mensen met offergaven in hun hand. Bloemen? Het was een kleurrijke stapel die daar ontstond. Er was ook een pad, dat gezien de richting naar Spirabyad moest leiden. En wat schitterde daar zo?

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

258 – twee woestijnmeisjes in de ijswoestijn

Van de weg af, de rotsvlakte op, een zachtroze, gepolijst gesteente met diepe kloven vol ijs. IJs! Ik moest even bukken, en voelen met mijn vingers. Wasijma deed hetzelfde. Twee woestijnmeisjes in de ijswoestijn. Ik zag dat haar tas ook min of meer doorzichtig was geworden, in elk geval zou niemand ons van verre zien. Er zeilde wel een grootuil boven ons langs, doodstil bleven we staan, tot hij omkeerde en terugvloog naar de Heerweg. Ik maakte mijn jas los en peuterde wat straalzaadjes uit mijn buidel. Die kon ik eventueel uitstrooien als er nog een uil kwam.

We liepen zo snel we konden weg van de Heerweg. De ongelijke grond maakte het lopen moeilijk en vermoeiend, en de kou leek hier nog doordringender. Op een gegeven moment besloten we dat we ver genoeg van de Heerweg verwijderd waren, dat we onze koers nu noordwaarts konden verleggen. Het begon al te schemeren en opeens drong het tot me door dat we in feite heel dom en gevaarlijk bezig waren. In deze kou zouden we het niet lang overleven als we geen onderdak vonden. Aan het vuurglas had ik hier ook niets want er groeide niets, er was alleen maar steen.

Roze, glad, dooraderd gesteente, als de palm van een oude hand. De zon stond al heel laag, de schaduwen werden intenser, het leek echt een hand waarop we liepen, een hand aan een arm, een arm aan een schouder …
"Wat doe je?" vroeg Wasijma. "We zouden toch …"
Ze kon me weer zien, de Graysaflu was uitgewerkt.

Ik volgde de arm, een lange, eindeloze verhoging in het gesteente, het leek wel of er een ondergrondse tunnel liep. De schouder was een flauw omhooglopend bergje, de zon ging onder en de schaduw over de lange vlakte herkende ik. Het was het beeld van de Goede Vader. Een reusachtige, in het landschap gegroeide – kon je dat zeggen van steen? – vorm waarvan ik op Taka Haringes de verkleinde replica had gezien.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

257 – niet naar Signada

"Ga niet naar Signada." Ik had zo graag willen vragen waarom niet? Maar ik zou en de vrouw en mijzelf in gevaar brengen. In elk geval geloofde ik haar.
"Wat mompelde zij nou?" vroeg Wasijma met een mond vol appel. Ik kon het nog niet, ik wilde hem zo over mijn schouder in de draagzak stoppen maar mijn vingers kregen een venijnige beet van Kuuksi, die zich daar blijkbaar lekker warm verschanst had.

"Even doorlopen," zei ik tegen Wasijma. Niemand hoefde dit te horen. Of moest ik het juist rondbazuinen? Weer gewetenswroeging. Moest ik al die meisjes gewoon verder laten lopen, wie weet wat voor noodlot tegemoet?
Ik hoorde ze wel fluisteren … niet naar Signada … waarom dan … waarheen dan …

Er was nog een groot kaal stuk tussen hier en de Rondweg, je kon zo ver zien, het was zo zonder beschutting, iedere ontsnapping zou direct opvallen. Ontsnapping, ik hoorde het mezelf denken. Alsof de Heerweg een lange Visietunnel was. Er kwamen steeds meer wachters, gewapend met zwiepstokjes om ons tot doorlopen te manen. Hier waren nog geen zuilengalerijen, maar wel hoge palen waarop grootuilen met hun heen en weer draaiende koppen iedereen in de gaten hielden. Als iemand stil bleef staan, om iets aan haar kleding te verschikken – er woei een ijskoude wind – spreidden ze hun vleugels en krijsten waarschuwend. De meisjes klonterden hier samen, werden op elkaar gedreven als een kudde vee. Uilen stegen op en cirkelden erboven.

Iemand trok aan mijn arm, ik draaide me om, het was de vrouw van de appels. "Wegwezen, nu!" zei ze op scherpe fluistertoon. Ze liep me voorbij en begon te roepen: "Verse appels! Heerlijke appels voor onderweg!"
Heel even was de aandacht van wachters en uilen afgeleid. Ik had de waterzak met Graysaflu aan de buitenkant van mijn draagzak gebonden. Gauw nam ik een slok en zei tegen Wasijma: "Vlug!"
We verdwenen voor elkaars ogen.
"Kom," zei ik.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 7 Reacties

256 – het einddoel (2)

"En jij dan?" vroeg ik aan Wasijma.
"Als ik de reis maar overleef," antwoordde ze nuchter. "Het maakt mij niet uit of we het helemaal volgens de regels doen, ik ben Roosma niet."
"Of mij," dacht ik bij mezelf. Waarom vond ik het zo belangrijk om het precies volgens de regels te doen? Die regels waren vast niet opgesteld om het ons gemakkelijk te maken. In de geboden zoals we ze in Registana hadden geleerd, stond ook niets specifieks over de regels van de pelgrimstocht. In Barraspira hadden we geleerd om eraan toe te voegen: "Sluit onze ogen voor het Ronde Pad." Maar het belangrijkste was toch om de Rots met eigen ogen van nabij te zien?

Volgens de kaart (die ik in het schemerduister van een volle slaapzaal maar nauwelijks tevoorschijn durfde te halen) konden we gewoon rechtdoor blijven lopen naar Signada, de hoofdstad van Blyntera, de stad van waaruit je de Berg van Verering kon beklimmen, en de plaats waar de Helvarderaflu ontsprong. Maar opeens bleven mijn ogen haken aan Spirabyad. Dat was de geboorteplaats van Yiva, mijn grootvader. De man met het witte haar. De vader van de twee Wizma's, mijn moeder en mijn tante. Een stad die aan de Rondweg lag.

De volgende dag stond er weer een stalletje met appels voor de ingang van de Hemra. Ditmaal stond er een vrouw achter. Ze keek iedereen aan en maakte onopvallend het verzettersgebaar: even met de duim van de rechthand wrijven over de binnenkant van de linker bovenarm. Wie het niet herkende zou het niet opvallen. Ik hoorde haar wel bij elke appel die ze uitdeelde zacht zeggen: "Neem de Rondweg."
Toen ze mij hetzelfde gebaar zag maken, zei ze: "Neem de Rondweg. Ga niet naar Signada. Sla af voor de zuilen beginnen."

Gisteravond hadden we niet gezien hoe dichtbij de Rondweg al was. In het koude ochtendlicht zagen we in de verte de zuilengalerijen al, en het rood van de vele wachters, en de grootuilen die erboven rondzweefden.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

The Secret Garden by Frances Hodgson Burnett

Met veel plezier geluisterd naar het audioboek van de originele versie van de Geheime Tuin. Ik had het als jeugdboek en herinnerde het me als sprookjesachtig en ontroerend.
Dat was nu toch anders. Niet alleen wordt er in het begin veel meer uitgeweid over de nare gebeurtenissen in India, waardoor Mary naar Engeland moet verkassen. Maar ik was ook vergeten – of wie weet heb ik het toen niet zo ervaren – hoe prekerig het boek is, je reinste "de kracht van positief denken."
En wat ik zeker nu pas zo ervaar: een ziekelijke jongen die bij zijn geboorte zijn moeder heeft verloren, verliest daarbij tevens zijn vader, want die kan het niet verdragen het kind in de ogen te kijken. Tien jaar lang zorgt de landgoedeigenaar alleen in materiële zin voor het kind, voor de rest reist hij zoveel mogelijk de wereld rond.
En pas als Colin zichzelf heeft weten te genezen, daar in die Geheime Tuin, durft hij zijn vader onder ogen te komen en is vader als een blad aan de boom gedraaid. Opeens blij en trots met zijn gezonde zoon.
Je zal maar een gehandicapt kind zijn en dit boek lezen.
Oja, en Mary is aan het eind ook helemaal gezond en lief geworden. Niemand die het ooit met haar over haar vreselijke ervaringen in India heeft gehad.

Geplaatst in recensies | Getagged , | Een reactie plaatsen

255 – het einddoel

Het leek wel of iedereen hier even stopte om het te laten doordringen: het einddoel was in zicht.
Hoe moest het voelen om in een land te wonen dat zo beheerst werd door die enige waarheid, de Rots? De veilige, indrukwekkende burcht waar de Grote Hemren verbleef met de zes wijze mannen. De plek ook waar de geheime letters waren, de letters die ontbraken aan het Rotsvadmijn.

Ergens daarvoor moest zich dan de Berg van Verering bevinden maar die verborg zich nu achter de hoge bergketen, de Muur van IJs, die de grens vormde tussen MancuKondalu en Blyntera. Terwijl we daar liepen, in dat koude witte licht, in die koude scherpe wind, reciteerde ik wat Storma had verteld, zo ontzettend veel maanjaren geleden.

"Om vrouwen eraan te herinneren aan wie ze uiteindelijk alles te danken hadden – de Vader die ons heeft en geeft – stelde hij de regel vast dat iedere tweede dochter uit een gezin op pelgrimstocht moest gaan. Om namens het gezin dank te zeggen, om aan alle families van Imhemren te laten zien hoe gezegend ze waren om hier te mogen wonen. Als ze de Rots hebben aanschouwd, en het lichtend gelaat van de Grote Hemren, zijn ze vrij om terug te keren. Maar er keert nooit een meisje terug. Ze blijven daar, in eeuwige gelukzaligheid."

Wasijma keek me van opzij aan alsof ik gek geworden was, haar gezicht rood en jong in de bontmuts die ze diep over haar oren had getrokken. "Geloof jij dat?"
Ik schudde mijn hoofd. "Nee. Niet meer. Maar toch …" Ik had Wasijma nog niet duidelijk uitgelegd wat voor mij het doel van deze reis was. Simpel genoeg. Kijken of het echt waar was, of juist niet waar, wat ze alle vrouwen in Inhemren wijsmaakten.

Om het dan te vertellen … aan wie? Mijn moeder, dacht ik. Als ze nog leeft. Jonnama, mijn schoonzus. Als ze me wil zien. Mia! Als ik haar ooit terugzie. De vogelmeisjes op Schorre Clif. De zeehondenmeisjes op Wyda Moor. Tweede Meisjes die me hebben geholpen: Rietmeisje, Verfmeisje.
Maar daarvoor moest ik met mijn eigen ogen zien of het waar was. Of niet waar.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

254 – een eerste blik op de Rots

"Zou je kunnen voorspellen waar we hierna heengaan? Zou je schild dat weten? Zou jij dat toen al geweten hebben?" vroeg Wasijma.
"Nee," zei ik. "Ik was het niet. Het gebeurde toen ik aankwam op Langen San. Alle paneeltjes verschoven."
Ik hoorde nog dat ritselige geluid, ik zag nog de begerige blik van de schipper die het mooiste paneeltje wilde hebben. Maar de verbanden werden me nu pas duidelijk. Ik zag hoe Kraeckten San aan Blyntera vastzat, dacht aan wat de vrouw in het verzetterskamp had gezegd, dat juist ik de tocht naar de Rots moest ondernemen vanwege mijn kennis van het verhaal van Kraeckten San, en besloot dat ik nu nog niet wilde weten wat ons te wachten stond. Eerst MancuKondalu doorkruisen. Waren onze kleren warm genoeg?

Langs de weg verschenen kraampjes met bontlaarzen, met dikke, bontgevoerde mantels. Dankzij het geld van Roosma konden we ze aanschaffen. Ik kocht ook een kleine buidel die ik om mijn middel kon dragen, onder mijn tuniek. Daar deed ik mijn twee gouden kettingen in, de munt met mijn beeltenis, de munten met de vreemde tekentjes, het flesje platenbloed, de straalzaadjes, de Hemrond – daar had ik Wasijma niet over verteld, ik weet niet waarom niet.

De eerste dagen ging het steeds bergopwaarts, we liepen te hijgen en waren soms nauwelijks in staat om met elkaar te praten. Uit de monden van alle pelgrims – groepen meisjes die ons inhaalden, groepjes vrouwen die wij passeerden – stegen stoomwolkjes op.
Uiteindelijk bereikten we een grote hoogvlakte, waar de koude wind langs onze oren suisde. Links en rechts zagen we in de verte de ijshellingen, in het koude zonlicht leken het platen glas die uit de aarde omhoog staken.

Op een dag was het zo helder, dat we laag in de verte de schaduw zagen van wat weer de Rondweg moest zijn, en daar bovenuit de onverbiddelijke punt, einddoel van onze reis – de Rots. Langs de weg overal wachters die ons tot eerbied maanden. Het voelde alsof ze zeiden: "Gedenk te sterven," terwijl ze in feite alleen aanmoedigend wezen: dáár! Daar moet je zijn!

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

de wereld in

Ik heb een catalogus gemaakt van alle beschikbare boekjes.
Dat kwam zo: iemand bestelde een boekje, en ik kon het nergens vinden. Het moest wel verkocht zijn … en uiteindelijk vond ik daar de gegevens van, in de belastingaangifte notabene. Het maakte duidelijk wat ik al een tijdje vermoedde, dat ik het niet meer allemaal op orde had. Dat kwam ook doordat ik álle foto's op Google Drive had gezet, waardoor de site veel te langzaam laadde voor mijn ongeduld.
Alles op de schop, alles door mijn handen laten gaan, met als goed voornemen om aan elk nieuw boekje een blogpost te wijden. Ik stond versteld van alle verschillende boekjes die ik had gemaakt, van sommige wist ik niet eens meer hoe ze moesten! (Nog een goed voornemen: elke nieuwe binding opschrijven in een schrift. Zoals nu met het Australisch scharnierboekje waar ik nog steeds geen genoeg van krijg.)
Ook de pocket accordion wist ik niet meer. Ik vouwde er eentje open en nam aan dat ik dan wel een nieuwe kon maken. Niet dus. In plaats van 4 A4tjes had ik 4½ A4tje moeten gebruiken. Maar intussen vond ik de kleuren van de gelli prints en de washi tape (van Sinterklaas) zo prachtig dat ik het boekje toch maar afmaakte. Wie kan turquoise-met-goud weerstaan?

de aarde meten
omdat je reizen moet
weg van ketenen
vooraf ingenomen ijkpunten
het zekerweten voorbij
de wereld in

HRB 161/22 te koop voor €15,95

Geplaatst in heldinne's reisboekjes | Getagged | 2 Reacties

253 – het land van mijn grootvader

Of kwam het doordat ik me opeens herinnerde dat dit het land was waar mijn grootvader Yiva vandaan kwam? Mijn moeder vertelde het toen we bij Storma waren, om haarverf te leren maken. Storma vroeg waar mijn witte haar vandaan zou kunnen komen, en mijn moeder vertelde hoe Yiva als jonge knaap met een schip vol schapenhuiden de Helvarderaflu afgevaren was, hoe hij in Ulfardasan aan een meisje was blijven hangen, mijn grootmoeder Stijma. Hoe het jonge paar naar DunKitaba was verhuisd en daar twee dochters had gekregen. Hoe Yiva met zijn Tweede Meisje was vertrokken en nooit meer terugkeerde.

"Eerst maar wat eten," zei Wasijma. Ze kocht vleespasteitjes voor ons en we gingen zitten op een paar keien, net onder de schaduw vandaan. Ik pakte mijn schild en peuterde de touwtjes van de paneeltjes los. Wasijma keek vol verwondering toe.

Ik zag tot mijn verbazing dat het paneeltje van MancuKondalu aan dat van Taka Haringes vastzat. En dat op allebei een blauw beeld te zien was, met iemand – met mij? – op schoot. Ik herinnerde me die nacht op Taka Haringes nog zo goed, en ook wat Lizma had gezegd: "Dat is het beeld van de Goede Vader. Daar brengen we onze zorgen naartoe." Hoe ik op de grote blauwe schoot van het beeld geklommen was, me neerlegde, mijn hoofd op zijn knie. Het was alsof een grote hand op mijn schouder gelegd werd. Dat gevoel van veiligheid en overgave, zoals Bo zich vol vertrouwen aan me overgaf en zijn hoofdje tegen mijn schouder liet rusten.

Ik vertelde aan Wasijma wat de andere paneeltjes betekenden, en zag meer overeenkomsten. Het paneeltje van IzwiLamanzi, met die wonderlijke zaadjes erop, zat tegenover dat van Middelgront, dat gruwelijke eiland met het Graysameer. Langen San zat aan Registana vast, ons land van herkomst, Lopweteka tegenover Wyda Moor (ik rook opeens weer die vieze lucht daar op het strand, waar de Tweede Meisjes zeehondenbont maakten) – mijn schild was mijn reis. Ik probeerde het aan Wasijma uit te leggen, ze luisterde met gretige nieuwsgierigheid, bijna jaloers op alles wat ik had gezien en meegemaakt.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 4 Reacties