voor wie uitgeput is

Nog een Australisch scharnierboekje dat op collage en tekst lag te wachten. De dikke bladzijden zijn gemaakt van dubbelgevouwen gelliprints. De dunne binnenste blaadjes van de katernen zijn dubbelzijdig: gelliprints op delipaper, en collages geprint op deli paper, en die op elkaar geplakt. Die collages zijn afdrukken van diverse kaarten die ik maakte.
De scharnier is weer van zo'n prachtig vel van Papier Royaal, daar wordt een mens toch zo blij van!
Het boekje zat al helemaal in elkaar en ook had ik de afbeeldingen al opgeplakt, toen ik nog op zoek moest naar tekst.
Ik vond een gedicht dat me zó aansprak (iemand op Facebook schreef: precies wat ik nodig had vandaag, zo voelde het voor mij ook). Ik heb het afgedrukt op nog zo'n kaartencollage, voor de leesbaarheid in Verdana, niet in mijn Hella Font. En nu is het af.
Het zijn kleuren waar ik ontzettend van houd, en het valt me op dat je ze in heel veel tv-series ook ziet, dat roodbruin met dat petrol-blauw.
En nu weer verder met het volgende project: gelliprints op vloeipapier, met grasjes!
Oh, en commentaar op de vertaling is welkom.

het boekje is te koop voor €21,95

For One Who Is Exhausted, a Blessing

When the rhythm of the heart becomes hectic,
Time takes on the strain until it breaks;
Then all the unattended stress falls in
On the mind like an endless, increasing weight.

The light in the mind becomes dim.
Things you could take in your stride before
Now become laborsome events of will.

Weariness invades your spirit.
Gravity begins falling inside you,
Dragging down every bone.

The tide you never valued has gone out.
And you are marooned on unsure ground.
Something within you has closed down;
And you cannot push yourself back to life.

You have been forced to enter empty time.
The desire that drove you has relinquished.
There is nothing else to do now but rest
And patiently learn to receive the self
You have forsaken in the race of days.

At first your thinking will darken
And sadness take over like listless weather.
The flow of unwept tears will frighten you.

You have traveled too fast over false ground;
Now your soul has come to take you back.

Take refuge in your senses, open up
To all the small miracles you rushed through.

Become inclined to watch the way of rain
When it falls slow and free.

Imitate the habit of twilight,
Taking time to open the well of color
That fostered the brightness of day.

Draw alongside the silence of stone
Until its calmness can claim you.
Be excessively gentle with yourself.

Stay clear of those vexed in spirit.
Learn to linger around someone of ease
Who feels they have all the time in the world.

Gradually, you will return to yourself,
Having learned a new respect for your heart
And the joy that dwells far within slow time.

John O’Donohue

Voor wie Uitgeput is, een Zegen

Als het ritme van je hart hectisch wordt,
neemt tijd de inspanning over tot hij breekt;
Dan valt alle veronachtzaamde stress
het verstand binnen, vermeerdert het gewicht.

Het licht van het verstand wordt gedimd.
Dingen die je voordien makkelijk aankon
worden uitingen van zwoegende wilskracht.

Afmatting valt je geest binnen.
Zwaartekracht begint in je te vallen,
elk bot naar beneden gesleept.

Het getij waar je niets mee had is weggeëbd
Je bent gestrand op onzekere grond.
Iets in je is dicht gegaan
en je kunt jezelf niet terugduwen in het leven.

Je wordt gedwongen lege tijd binnen te gaan.
Het verlangen dat je dreef heeft je laten varen.
Er zit nu niets anders op dan te rusten
en geduldig leren om het zelf te ontvangen
dat je hebt verlaten in de wedren der dagen.

Eerst zal je denken verduisteren
en verdriet neemt het over als lusteloos weer
De vloed van ongehuilde tranen maakt je bang.*

Je hebt te snel gereisd over bedrieglijke grond;
Nu is je ziel gekomen om je terug te nemen.

Zoek beschutting in je zintuigen, stel je open
voor alle wondertjes waar je aan voorbijsnelde.

Krijg de neiging om naar de regen te kijken
als die langzaam en vrij valt.

Doe de gewoonten van de schemering na,
neem de tijd om de bron van kleuren te openen
die de helderheid van de dag bemoedigde.

Trek langs de stilte van steen
tot zijn kalmte je kan opeisen.
Wees buitensporig zacht voor jezelf.

Blijf uit de buurt van gekwelde geesten.
Leer te blijven bij een rustig iemand
die voelt dat hij alle tijd van de wereld heeft.

Langzamerhand keer je terug naar jezelf,
met een nieuwe eerbied voor je hart
en de vreugde die verblijft in langzame tijd.

vertaling: Hella Kuipers


*verbetering door Nellian van der Zee, er stond: Je wordt bang van de vloed van ongehuilde tranen.

Geplaatst in gedichten, heldinne's reisboekjes | Getagged | 6 Reacties

276 – waken bij Kuuksi (2)

"Je zei dat een Yiva iets goeds betekende voor de wereld," zei ik. "Maar wat heeft mijn grootvader kunnen doen? Hij heeft het met de dood moeten bekopen."
"In elk geval heeft hij jouw bestaan mogelijk gemaakt," zei Clarma. "Door jouw afkomst ben jij vragen gaan stellen, ben je op weg gegaan naar het noorden. Maar waarom zijn ze naar je op zoek? Is het alleen omdat je een verzetter bent?"

Ik schudde mijn hoofd. Volgens mij wist Wasijma niet eens dat ik een verzetter was, ik had het haar in elk geval niet verteld. Ze moest dus weten dat ik Yima van Hebotva was. Maar hoe?
Weer moest ik het verhaal van mijn leven aan iemand vertellen. Het begon zolangzamerhand te voelen als een legende, een verhaal dat niet over mijzelf ging maar over een sprookjesfiguur van heel lang geleden. Ik hoorde het Wasijma nog zeggen, zogenaamd verrast: "Dus jij bent eigenlijk ook een prinses?"
Ha.

De nacht was lang, mijn verhaal kreeg alle ruimte. Iemand die Kuuksi had gered moest te vertrouwen zijn. Ik vertelde over mijn jeugd, mijn huwelijk, mijn vlucht … en al vertellend bedacht ik dat er daarom in Registana zo'n enorm taboe rustte op wit haar. Omdat het herinnerde aan een heerlijkheid waar andere normen heersten, waar de Goede Vader een alternatief was voor de Grote Hemren die alleen maar aan zijn eigen macht kon denken.
Ik vertelde over mijn broer, die mijn vlucht met de dood had moeten bekopen, destijds op Kraeckten San.

Ik vertelde over Bo en Mia, hoe ik ze was kwijtgeraakt en hoe ik ze had teruggevonden. Mia in gevangenschap, onder invloed van de Blauwen van het Redwerk. Hoe ik erachter kwam dat Wasijma in Harstamar was geweest en daaruit had afgeleid dat ze in elk geval iets met het Redwerk te maken moest hebben. Hoe ze misschien wel een afgezant was van Hebotva – de echtgenoot die nu inmiddels Opperva van Dunkitaba moest zijn. De echtgenoot die onverschillig met zijn voet aan het bloederige lijk van zijn vrouw had gevoeld, zijn hoofd in walging afgewend maar na al die jaren nog steeds uit op vervolging en wraak.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 3 Reacties

275 – waken bij Kuuksi

Kuuksi lag vlak voor de deur, bovenaan de trap. Een leeg zakje van verfomfaaid bont, hier en daar plakkerig van bloed. Ik schoof mijn handen onder haar – zo licht was ze – en droeg haar naar binnen, legde haar op de tafel, bij de lamp.
Clarma voelde aan haar keeltje. "Ze is niet dood."
Ze goot lauw water in een kom en begon het beestje heel voorzichtig te wassen. Ze had een wond op haar ruggetje en een van haar pootjes leek gebroken. Dat ze een zacht, schor mauwtje gaf toen Clarma het aanraakte, was hoopgevend.
"Pak de honingpot eens?"
Die stond in de nis waar ook zout en olie stonden. Clarma smeerde de wond voorzichtig in met honing en wikkelde toen een lange strook linnen om Kuuksi's lijfje. Ze brak een houten lepel in tweeën en spalkte het pootje.

Ik kon alleen maar huilen. Machteloos en moedeloos voelde ik me. Niet eens meer bang. Ik was de angst voorbij, ik wilde gewoon niet meer.
Clarma legde Kuuksi op een vachtje bij het vuur. Ze zette een bakje water vlakbij haar bekje. Toen keek ze me scherp aan en ook haar woorden waren scherp.
"Niet opgeven nu! Je bent een verzetter! En bovendien een Yima!"
Ze keek in mijn buidel die ik had afgedaan. "Wat kan je helpen?"
"Murmerflu," zei ik dof.
"Dat is te vroeg," zei Clarma.
"En platenbloed," zei ik. En ik leefde een beetje op. "Geef ook wat aan Kuuksi!"

We waakten de hele nacht bij het beestje. Af en toe hief ze haar kopje, smakte met haar bekje, en dan lieten we haar water van onze vingers sabbelen, water met platenbloed. We zaten elk aan een kant van het vuur, onze rug tegen de muur, soms dommelden we weg, dan weer vervolgden we ons gesprek. Over wat het betekende om een Yima te zijn, of een verzetter.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

do not be ashamed

De knutselarij lag een beetje stil. Het was onrustig in mijn hoofd, ik hopte van het ene project naar het andere, begon zelfs al met kerstkaarten … en diverse boekjes lagen al weken of maanden op inhoud te wachten. Onder 'inhoud' versta ik dan veelzeggende afbeeldingen én tekst.
Zo ook dit bleekblauwe Australische scharnierboekje van gelli prints, met die scharnier van wondermooi papier, besteld bij Papier Royaal. (Af en toe moet het kunstenaarskind getracteerd.)
De tussenblaadjes zijn op vellum geprint, het werd een sprookje! Maar het ging nergens over.
En toen kwam dit schitterende gedicht van Wendell Berry op mijn pad. Do not be ashamed.
Het gedicht in 7 delen verdeeld, bijpassende afbeeldingen gezocht die er ook qua kleur een beetje bij pasten, en nu is het eindelijk af.

Do not be ashamed
by Wendell Berry

You will be walking some night
in the comfortable dark of your yard
and suddenly a great light will shine
round about you, and behind you
will be a wall you never saw before.
It will be clear to you suddenly
that you were about to escape,
and that you are guilty: you misread
the complex instructions, you are not
a member, you lost your card
or never had one. And you will know
that they have been there all along,
their eyes on your letters and books,
their hands in your pockets,
their ears wired to your bed.
Though you have done nothing shameful,
they will want you to be ashamed.
They will want you to kneel and weep
and say you should have been like them.
And once you say you are ashamed,
reading the page they hold out to you,
then such light as you have made
in your history will leave you.
They will no longer need to pursue you.
You will pursue them, begging forgiveness.
They will not forgive you.
There is no power against them.
It is only candor that is aloof from them,
only an inward clarity, unashamed,
that they cannot reach. Be ready.
When their light has picked you out
and their questions are asked, say to them:
"I am not ashamed." A sure horizon
will come around you. The heron will begin
his evening flight from the hilltop.

Wees niet beschaamd
door Wendell Berry

Op een nacht zul je lopen
in het weldadige donker van je tuin
en plotseling zal er een groot licht
om je heen stralen, en achter je
zal een muur zijn die je niet eerder zag.
Plotseling wordt het je duidelijk
dat je op het punt stond te ontsnappen,
en dat je schuldig bent: je las de
ingewikkelde handleiding verkeerd, je bent
geen lid, je verloor je kaart of hebt er
nooit een gehad. En je zult weten
dat ze er altijd geweest zijn,
hun ogen op je brieven en boeken
hun handen in jouw zakken,
hun oren verbonden met je bed.
Ook al deed je niets beschamends,
ze willen dat je je schaamt.
Ze willen dat je knielt en weent
en zegt dat je als hen had moeten zijn.
En zodra je zegt dat je je schaamt,
en de bladzij opleest die ze je voorhouden,
zal het licht dat jij in jouw geschiedenis
hebt gemaakt, je verlaten.
Ze hoeven je niet meer te achtervolgen.
Jij achtervolgt hen, smekend om vergiffenis.
Ze zullen je niet vergeven.
Er is geen macht tegen hen opgewassen.
Alleen oprechtheid kan zich afzijdig houden,
alleen een innerlijke helderheid, onbeschaamd
is onbereikbaar voor hen. Wees gereed.
Als hun licht je heeft uitverkoren
en hun vragen worden gesteld, zeg hen:
"Ik schaam mij niet." Een vaste horizon komt
om je heen. De reiger zal zijn avondvlucht
beginnen vanaf de heuveltop.

vertaling: Hella Kuipers

het boekje is te koop verkocht voor €19,95

Geplaatst in gedichten, heldinne's reisboekjes | Getagged | 1 reactie

274 – afscheid van Tiarva

Haat, angst, verdriet. Uit mijn ogen rolden tranen, mijn vuisten balden zich. Kuuksi nam een lebbertje uit de fontein en sprong op mijn schoot. Het was of ze lachte van binnen.
Verbaasd vroeg Tiarva: "Wie is dit?"
"Kuuksi," zei ik.
"Kuu Ksi?" Hij sprak het anders uit, het zou het noordelijke accent wel zijn. Hij aaide haar over haar kopje en lachte ook.

Het liefste was ik nog uren daar binnen blijven zitten, met tante Wizma in mijn armen. Maar dat was voor niemand goed. We namen afscheid. Ik zei tegen Tiarva: "Je lijkt sprekend op mijn zoon."
Maar ik wilde Bo's naam niet noemen, dus ik vervolgde snel: "Heel erg bedankt dat je ons hebt geholpen. Groet je ouders van ons."
Hij ging naar binnen.

Ik zei tegen Clarma: "Ik zou wel wat van dat leeswater willen hebben, maar ik heb geen flesje bij me." Of tenminste, geen leeg flesje.
"Vlak bij mijn huis is ook zo'n fontein," zei ze.
We liepen terug via de markt, waar ik nog een flesje kocht en een kleine waterzak. Op weg naar Clarma's huis kwamen we inderdaad langs een fonteintje, maar ze nam mijn arm en maande me tot doorlopen. Hijgend beklommen we de trap, en pas toen we binnen waren en ze de deur had vergrendeld zei ze: "We werden gevolgd."
"Heb je gezien door wie? Wasijma?"

Toen hoorden we buiten een verschrikkelijk gekrijs. Kuuksi! Ik wilde de deur opendoen maar Clarma hield me tegen. "Ik had gelijk," zei ze grimmig. "En zo willen ze je naar buiten lokken."
"Maar Kuuksi …"
Ik kon wel janken. Oh en ik dacht aan Otta, die Kuuksi zo liefdevol verpleegd had nadat ze door een grootuil te grazen was genomen. Kuuksi, mijn waakpoes!
Ik weet niet hoe lang we gewacht hebben. Door de eeuwige schemering waren in Spirabyad dag en nacht maar nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Maar voor mijn gevoel was het al middernacht toen Clarma eindelijk de grendel lostrok en de deur op een kiertje opende.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 3 Reacties

273 – de tweede Wizma (3)

"Mijn moeder mocht niet mee. De Opperva vond het niet goed." Iets wat voelde als gewelddadigheid stroomde via onze handen naar mijn hoofd, iets verscheurends, bloederigs.
Ik probeerde uit te rekenen wie die Opperva was geweest. De vader van Hebotva die Opperva was toen ik met zijn zoon trouwde? Ik dacht terug aan het verhaal van mijn vader over de bouw van Dunkitaba, ontworpen door Hebotva de Eerste. Hoewel mijn schoonvader eigenlijk best een vriendelijke man was geweest, liep er natuurlijk door alle Hebotva's die machtswellust, die onwrikbare zekerheid dat hun overtuigingen de juiste waren.

Uit wat tante Wizma zei, leidde ik af dat ze zelf niet wist dat ze een Tweede Meisje was. Ze had nog steeds mijn hand vast, maar het stromen werd minder. Tiarva wilde haar nog wat water geven maar Clarma zei: "Laat maar. Het wordt misschien te pijnlijk."
We namen afscheid, ik gaf haar een kus, mijn witte moeder.
Tiarva ging met ons mee naar buiten. Op de bank voor het huis gingen we zitten. De fontein bruiste, het rook nu ook naar appels.
"Het is leeswater," zei Tiarva. "Als twee mensen het drinken, kunnen ze elkaars gedachten een beetje lezen."

"Weet jij wat er gebeurd is met mijn grootvader?"
Tiarva knikte. Het pleintje was leeg, maar hij praatte heel zachtjes. "Mijn vader heeft het mij verteld. Hij kan het zich nog héél vaag herinneren, hij was een jaar of drie, vier. Midden in de nacht zijn ze voor hem gekomen, voor Yiva. Ze hebben hem ter plekke vermoord."
"Hier?"
"Hier. Toen Wizoma bij de deur kwam, hebben ze zich aan haar vergrepen."
Ook zonder leeswater voelde ik zijn diepe haat. Die zich vermengde met angst. Zó lang na de tijd konden ze je toch nog steeds vinden en kapot maken.
"Wie heeft er toen voor je grootmoeder en je vader gezorgd?"
"Ze zijn naar de Goede Vader gebracht," zei Tiarva. "Ze hebben daar gewoond tot hij volwassen was."

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

272 – de tweede Wizma (2)

En mijn tante had wit haar. Niet grijs was ze, maar wit, net als haar wenkbrauwen en wimpers. Dat moest nog een extra reden voor mijn grootvader zijn geweest om haar het land uit te smokkelen.
Haar schrikachtige blik bleef rusten op Tiarva.
Hij knielde bij haar neer. "Niet bang zijn Wizoma. Ze komen op bezoek bij jou. Dit is Clarma, en dit is Yima."
We kwamen dichterbij en gingen om het vuur op de grond zitten.
Ik pakte Wizma's dorre hand. Het was of er iets van haar in mij stroomde. En het stroomde ook weer terug.

Tiarva schonk een kommetje water in en gaf het aan zijn grootmoeder. Gehoorzaam dronk ze het leeg en ik voelde het bijna door mijn eigen keel glijden. Nu keerde ze haar gezicht naar mij toe. Haar stem was een schok. Ondanks het andere accent klonk die precies als de stem van mijn moeder. "Yima?"
"Ja?"
"Mijn vader zei altijd: elke Yima kan een kleinkind van mij zijn. Zorg voor elke Yima. Mijn vader was een Yiva."
"Dat weet ik. Hij was mijn grootvader."
"Jij bent de echte Yima?" Ze keek me aan alsof ze het na al die jaren niet meer durfde te geloven.
"Ja. En u bent mijn tante Wizma."

Nu had ik het toch gezegd. Kon het kwaad? Deze vrouw kwam immers nergens meer, en haar heldere ogenblikken kwamen nog maar zelden voor.
Maar wat was er gebeurd dat haar zo vroeg zo verschrikkelijk oud had gemaakt?
"Wat heeft Yiva u nog meer verteld?" vroeg ik, zo voorzichtig mogelijk.
"Over mijn moeder, Stijma. Hoe mooi ze was, en hoe blij ze waren met mij." Haar gezicht werd even heel zacht en jong. "Maar het land waar ze woonden was niet gezond voor mij, dus toen heeft mijn vader mij mee terug genomen naar zijn eigen land."

Het verhaal dat je aan een kind vertelt om het te behoeden voor de gruwelijke waarheid. Ik durfde het bijna niet te vragen. "En uw moeder?" Ondanks dat ik een paar keer gebruik had gemaakt van haar naam, had ik grootmoeder Stijma zelf niet gekend.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

271 – de tweede Wizma

We wilden net de markt verlaten toen een hijgende jongeman Clarma aan haar mantel trok. We draaiden ons om, en ik schrok. Het was alsof Bo daar stond. Kon dit … was dit … een achterneef van mij?
"Ik ben Tiarva. Mijn grootmoeder heet Wizma."
Kon dit waar zijn? Was mijn tante getrouwd ondanks dat ze een Tweede Meisje was? Of zou ze dat zelf niet weten? Zoveel vragen besprongen me, het was Clarma die de meest zinvolle vraag stelde: "Leeft je grootmoeder nog?"
"Ja. Ze woont bij ons in. Het gaat niet zo goed met haar. Maar als jullie haar willen bezoeken, dan kan dat."

"En haar vader? Yiva?" wilde ik vragen. Maar Clarma was me voor. Ik zou mijn tante immers in gevaar kunnen brengen als bekend werd wie – of liever gezegd: wat - zij werkelijk was.
"Dat zou heel fijn zijn Tiarva!" zei Clarma.
"Kom maar mee," zei hij. "In de ochtend is ze het meest helder."
We volgden Tiarva door de schemerige straatjes, die soms omhoog, soms omlaag liepen, en soms niet geplaveid waren maar gewoon het roze gesteente blootgaven waar heel MancuKondalu uit leek te bestaan. Op de ijshellingen na dan.

Het huis waar hij met zijn ouders en grootmoeder woonde lag aan een binnenplaats met in het midden een fonteintje, het water zo helder en koel dat ik er meteen van wilde drinken, ik hield de kom van mijn handen onder de straal en slurpte. Clarma en Tiarva keken me nieuwsgierig aan, alsof ik een bijzonder drankje van ze had gekregen. Ik proefde niets bijzonders, of heel misschien een vage smaak van appelsap. Heerlijk was het wel.

We gingen naar binnen. Bij het vuur zat een ineengedoken oude vrouw. Zó ontzettend oud leek ze, mager, grijs, krom. Terwijl ze jonger moest zijn dan mijn moeder. Niet meer dan zestig maanjaren. Ze keerde haar gezicht naar ons toe, niet-begrijpend. Ze leek op mijn moeder, maar ook niet. Al had ik geen idee hoe mijn moeder er nu uitzag, na alle verliezen die zij had geleden.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

270 – naar de markt in Spirabyad

Bij nader inzien deed ik toch maar mijn hele buidel om, wie weet wat er kon gebeuren. Ik kreeg een cape van Clarma in een diep donkerblauwe kleur. Ze trok de capuchon tot bijna over mijn ogen en daar gingen we. Eerst die lange trap af, toen via een zijstraatje naar het marktplein waar het sterk naar schapenvlees rook, waar ook huiden werden verkocht, en leren spullen, mooie laarzen en tassen en riemen. Het was er druk, ik wilde zo graag iedereen in het gezicht kijken maar dat was onmogelijk en ook niet verstandig.

Clarma zei dat ze overmorgen weer terug moest naar de vallei, maar dat ik zo lang mocht blijven als ik wilde. Ik wist niet wat ik wilde. Op een vreemde manier voelde ik me thuis in deze schemerige stad, vooral omdat ik me qua uiterlijk een voelde met de mensen. Ik voelde heel sterk dat een deel van mij hier vandaan kwam, al was ik een woestijnkind in hart en nieren.

"Kun je rondkomen van je werk daar?" vroeg ik.
"Het is genoeg," zei Clarma. "En ik heb geen keus."
Vragend keek ik haar aan.
"Ik ben een Tweede Meisje," zei ze glimlachend. Kennelijk was dat in MancuKondalu niet zo'n noodlot als in de andere heerlijkheden. "De Tweede Meisjes uit Spirabyad zorgen voor de Goede Vader. We onderhouden het beeld, we zorgen voor de pelgrims …"
"En tegelijk ben je Verzetter?"
"Om de andere Tweede Meisjes te helpen, ja. Geworven door een appelverkoper."
"Hier op de markt?"
Ze knikte.

Ik keek achterom naar de appelkraam waar we net voorbij waren gelopen. Ik vertelde Clarma over de appelgaard, over de Graysaflu. En ik herinnerde me de reactie van Wasijma destijds, dat het misschien maar goed was dat we van Roosma af waren. Als ze werkelijk van plan was mij uit te leveren – aan wie dan ook, in opdracht van wie dan ook – dan was zo'n extra reisgenote inderdaad alleen maar lastig.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

269 – bij Clarma (2)

Ik was alleen toen ik wakker werd, geen Clarma, geen Kuuksi. De wateremmer stond bij de tafel, op de tafel een kom, een waslap, zeep. Ik waste me, trok een schoon hemd aan, ging zitten wachten bij de tafel. Waar ik het vuile waswater moest laten? Ik opende voorzichtig de deur waardoor we binnen waren gekomen, een steile trap leidde langs het gebouw naar de straat daar beneden. Schemerig was het licht, ik had geen idee hoe laat het was, een stad in de schaduw, het gaf een gevoel van ondergronds te leven, veilig en ook zo donker, alsof wat hier gebeurde geen daglicht velen kon. Ik durfde de kom niet leeg te gieten boven de trap.

Het enige raam bood uitzicht over een groot deel van Spirabyad. Ik kon me nu goed voorstellen dat iemand het helle licht van de woestijn verkoos boven deze schemering. En ook dat de inwoners graag en vaak naar de zonnige vallei van de Goede Vader trokken.
Clarma kwam terug met brood, kaas en vruchten. In de hoek van de kamer goot ze de kom leeg in een gat in de vloer. Ze maakte thee, we ontbeten.
"Wat is je plan?" vroeg ze.

Altijd maar weer een plan. Wanneer zou ik ooit kunnen besluiten: hier blijf ik voor altijd? Ik wist niet of ik nu onderweg was of voor de zoveelste keer op de vlucht. Waar was Wasijma? Wie had ze gewaarschuwd? Blijven in Spirabyad was geen optie.
Clarma zei: "Ik heb op de markt gevraagd wie een oude Yiva kende, of een vrouw die Wizma heet."
"En?"
"De meeste mensen kennen mij wel, van het werk bij de Goede Vader. Ze zullen rondkijken, rondvragen, ze laten het me weten. Maar hoe lang wil je wachten?"
"Hoe lang kun jij me herbergen? Is het voor jou niet gevaarlijk?"

"Daar ben ik Verzetter voor," zei Clarma. "Durf je het aan om een wandeling door de stad te maken?"
"Misschien … Oh, ik kan een flesje Graysaflu meenemen."
"Heb jij dat?" vroeg Clarma verrast. "Het is hier zo moeilijk te krijgen!"
"Het kan héél handig zijn," zei ik grimmig.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen