Ik had dus echt geen hekel aan cataloguswerk, maar inlichtingenwerk was toch het allerleukst. Vooral als mensen moeilijke vragen hadden, en ik er toch in slaagde te achterhalen wat ze bedoelden, en het gewenste boek uit de kast te vissen of te bestellen via ibl.
Onlangs kwam ik een leuke foto tegen op Facebook: ik weet niet meer hoe het boek heette, maar het was blauw. Zo kreeg ik eens de vraag: "Juffrouw, hoe heet ook alweer die schrijver die zoveel geschreven heeft?"
"Konsalik," zei ik.
"Oh ja!"
Aan het inlichtingenbureau moest je ook de nieuwe leden inschrijven. Er waren verschillende tarieven voor verschillende leeftijdsgroepen, en je moest daarvoor ook verschillende formuliertjes invullen. De grootste flater die ik ooit sloeg was iemand inschatten als boven de 65 die nog geen 60 was. Oeps … Voortaan altijd eerst neutraal vragen naar de geboortedatum.
centrale inlichtingen
Nora Roberts – the obsession
Hoera, er was nog een mooie Nora Roberts aan mijn aandacht ontsnapt. De laatste paar (1, 2) die ik gelezen had waren ver beneden haar niveau. Zou ze soms ghostwriters hebben om de productie op peil te houden?
Deze was weer verrukkelijk, precies wat een mens soms nodig heeft op een sombere dag. Puur escapisme.
Natuurlijk doorzie ik de truc. De formule is bij alle mooiste titels precies gelijk. Jong meisje maakt traumatische gebeurtenis mee. Aangrijpende scènes die ons meteen voor haar winnen. Flash forward. Jong meisje is beschadigde jonge vrouw geworden, vaak in een beroep dat met haar trauma te maken heeft. Ze gaat ergens wonen waar het net wat te eenzaam is. Ze ontmoet een lekkere hunk, ze wil eigenlijk geen relatie maar wat steamy seks is nooit weg, en ze gaan meer voor elkaar voelen. Intussen is er de naamloze vijand die op haar aast, die we door het eenzame landschap naderbij zien sluipen.
Het komt tot een confrontatie, lekkere hunk verdedigt haar, en eind goed al goed.
Wie wil dat nu niet?
En waarom werkt het zo goed?
Omdat Roberts zo dicht op de huid schrijft (en niet alleen in de seksscènes). Omdat de dialogen zo natuurlijk zijn. Omdat alle mensen gewone mensen zijn met normale banen als automonteur, hovenier, aannemer, pizzabakster, dierenarts. Omdat ze altijd zulke lekkere dingen klaarmaken in bijzondere keukens. Omdat er zoveel aimabele mensen in voorkomen wie je allemaal het beste gunt. Omdat het landschap zo zintuiglijk wordt beschreven. Omdat ze leuke huisdieren hebben. Omdat het bijzondere beroep van de heldin met zoveel vanzelfsprekende kennis van zaken wordt beschreven.
Het is een onderdompeling in een warm gezelschap, waarbij de schrijver uit de weg gaat en de lezer volkomen welkom wordt geheten. Daar kunnen al die moeilijk doende meta-mannetjes van tegenwoordig (1, 2) (en Fay Weldon for that matter) nog een puntje aan zuigen. Zo!
historisch handwerk
Wat is een handgeheugen een wonderlijk iets. Ik kan nog altijd als de beste boeken plastificeren, geheel zonder bobbels. En ik weet ook nog precies hoe je de stang uit zo'n cataloguslaatje haalt. Onder het frontje kun je iets samenknijpen waardoor je het frontje omhoog kunt schuiven, en daar zit het ronde handvatje van de stang.
Ik probeerde me exact voor de geest te halen hoe zo'n werkdag op de biep eruit zag. Als ik vertelde dat ik bibliothecaresse was, dachten mensen dat je de hele dag te lezen zat daar. Terwijl je alleen in de pauze las: altijd de nieuwste nummers van alle tijdschriften, heerlijk.
Nee, ik deed – naast inlichtenwerk – vooral cataloguswerk. Ouderwetse tijden. Alleen al hoe we dag begonnen op de afdeling. Koffie, shagje, ieder met haar eigen houten bakje voor de neus, om kaartjes op volgorde te leggen die beneden ingevoegd moesten worden. Praten over onze vervelende echtgenoten, over een programma op tv (Sonja! Koot & Bie!), over wat we gedaan hadden in het weekend. Dan naar beneden afzakken, radio op Hilversum 4, en aan het werk.
Iemand vroeg gister naar aanleiding van mijn vorige blogje of ik soms geen heimwee had naar vroegere levensfases. En ik dacht nee, daarvoor is er te veel gebeurd wat alles in een ander licht zette.
Maar die gezellige saamhorigheid terwijl je handen hun werk doen … die zou ik wel terugwillen ja.
afbeelding
aan het werk!
Van mijn tweede stage, bij de biep in Rijswijk, herinner ik me niet veel, maar kennelijk beviel het van beide kanten goed, want op 1 september 1980 begon ik daar met mijn eerste echte baan.
Voor het personeel was er een fietsenkelder, een lange afrit en een groot hek, ik weet nog wel dat het voelde alsof ik mezelf nu gevangen zette. Echt werk. Ik woonde nog in het studentenhuis in Delft, als zij thuiskwamen stond ik vaak net op.
In die kelder was ook een magazijn, voor oude nummers van tijdschriften en minder courante boeken. Op 1 oktober zat ik alleen aan het inlichtenbureau, het was hartstikke druk, iemand vroeg een jaargang van een blad, ik racete naar de kelder, pakte de stapel van een lage plank, vergat even dat ik daar niet rechtop kon staan en knalde met mijn hoofd knetterhard tegen het betonnen plafond.
Nu, 37 jaar later, beginnen de nekspieren nog altijd te trillen als ik eraan denk, net als in lage parkeergarages.
Hersenschudding, gescheurde wervelband, voor eeuwig een halskraag dragen … gelukkig bestaan er chiropractors en bleek dat niet nodig. Maar een zwakke plek bleef het. 
Geen goed begin van mijn loopbaan, maar uiteindelijk heb ik er met ontzettend veel plezier gewerkt, tot we in november 1990 naar Oman gingen.
Ik kon met heel veel moeite een foto vinden van het oude gebouw (tegenwoordig zit er een sportschool in). En ik vond een leuke foto van de bibliotheekdag in 1985, toen wij allen in het roze met blauw gehuld waren. Ik had net nieuwe roze schoenen gekocht.
Fay Weldon – Death of a She Devil
Dat vreselijk vervelende boek waarover ik mijn nood kloeg?
Het was Fay Weldon. Lees maar even de Digested Read van John Crace, dan snap je meteen waar het over gaat.
Ik heb best wel genoten van deel 1, dat was zo heerlijk vilein-satirisch. Maar dit is van alles niks. Het is verschrikkelijk slecht geschreven. Hebben ze bij de uitgeverij gedacht: zij is beroemd, dat verkoopt tóch wel?
Weldon valt in herhaling alsof ze dement is (of denkt dat lezers dat zijn); honderd keer wordt van iemand verteld wie zij is, honderd keer wordt verteld dat Ruth zo moe is en zo oud, er wordt honderd keer verteld dat Bobbo in de Lantern Room ligt en wel op sterven, of toch niet, en hij zegt steeds cunt cunt cunt, hahaha.
De meeste gesprekken worden in de indirecte rede uitgeschreven, emoties worden benoemd, er vallen tientallen namen van oude vrouwtjes die het IPG blijkbaar runnen. Mary Fisher windvlaagt rond en zegt woosh woosh zonder dat haar hoofdstukjes de plot ook maar een millimeter vooruit helpen.
De plot: Directiesecretaresse Valerie organiseert een feest dat wel doorgaat/ niet doorgaat / toch wel doorgaat / nee op het laatste moment toch niet doorgaat / volgend jaar doorgaat.
Er wordt nog een soort meta-verhaallijntje ingebracht door de schuld / de oorzaak van het verhaal bij Momus te leggen, de god van de schrijvers. Tenminste, Mary beroept zich daar af en toe op. Maar aan het eind is Mary verdwenen en voert dokter Simmins opeens het narratief aan, en raakt het verhaal doorspekt met medicijnnamen en hun bijwerkingen. Het lijkt of Weldon een leven lang dingen gespaard heeft waar ze zich over opwindt, en die nu geheel willekeurig over de bladzijden heeft uitgestrooid. Feminisme, antidepressiva, transgenders, werkloosheid, economie, pubers, drugs, erfgoedbeheer, heb ik nu alles gehad?
Life and hates of a boekrecensent.
tonke dragt
Ik wilde toch nog even checken of mijn herinnering klopte, over dat leesboekje van Tonke Dragt. En ja, ik vind deze omschrijving:
De Robot van de Rommelmarkt (1967) vertelt het verhaal van Edu, wiens huiswerkrobot kapot is. Als hij op de markt een oude robot vindt, besluit hij die te repareren en hem zelf alles te leren - maar als de robot volleerd is, merkt Edu dat hij geen huiswerkrobot meer nodig heeft: hij weet zelf al alles.
In de Volkskrant vertelt de schrijfster erover.
Ze schreef het titelverhaal in 1966 voor De Trapeze, een leesserie voor de basisschool. De redacteur vroeg haar om een science fiction-boekje voor de reeks. 'Ik hield van SF om te lezen, dus moest schrijven ook leuk zijn. Omdat het voor school bedoeld was, vond ik dat er een schoolverhaal in moest staan, en dat groeide uit tot de avonturen van Edu en zijn robot. Ik schreef er meteen een vervolg op: ik hoefde maar door te fantaseren op de dichtregels die Bob, Edu's robot, uitentreuren voor Edu moest zeggen. 'Waar wouden zijn als vuur zo heet, toren hoog en mijlen breed.'
Jammergenoeg kan ik geen illustraties terugvinden. Ze staan me voor de geest als Piranesi-achtig, donkere gravures waar in de duisternis veel geheimzinnigs te ontdekken valt. Ik herinner me nog heel goed de verrukking toen ik in Torenhoog en Mijlen Breed begon, en Edu herkende. Goede personages worden vrienden.
zaai
De kwaaltjes volgen elkaar op momenteel. Nu heb ik weer een zere kaak, waardoor eten geen onverdeeld genoegen is. Zo wilde ik mijn stukje helemaal niet beginnen, maar ik zocht naar een vergelijking die kon verduidelijken hoe het voelt om een vervelend boek te lezen, dat tóch uit moet. En eigenlijk gaat deze vergelijking niet helemaal op, want ik proef heus nog wel hoe lekker die mango over de muesli is.
Ik lees momenteel een heel vervelend boek (maar eens zien of er nog een bespreking volgt), en ook op school hadden we soms boekjes waarvan je de tranen in de ogen kreeg van saaiheid.
Ik herinner me een serie leesboekjes over ene Teun, het was geloof ik een man die in een woonwagen woonde maar verder een toonbeeld van deugdzaamheid was. Ik heb al gegoogeld, maar kan hem niet terugvinden.
Ik herinner me het gele licht in de klas, en die dodelijke saaiheid, nog versterkt door sommige minder talentvolle voorlezertjes.
Terwijl er ook zulke mooie leesboekjes waren. Die van Tonke Dragt bijvoorbeeld, over Edu die als kleine jongen zijn robot lezen leert (en die we later als volwassen man terugzien in Torenhoog en Mijlen Breed). Dan kon je je helemaal laten omhullen door het verhaal, en door de illustraties erbij.
Ik googel nog een keer op afbeeldingen, op "leesboekjes" "lagere school," en opeens herken ik een kaftje. De serie heette Zwerfvogels, en inderdaad, de woonwagen van Teun staat voorop.
Popeye
Er komt veel vergetens boven op deze trips down memory lane. In diezelfde kast waar uiteindelijk de Sjors-en-Sjimmie-boeken beland waren, lagen nog meer stripboeken, bedenk ik nu. Van Popeye!
Hopla naar Google en een ervan herken ik direct: Popeye en de Miljoenen van Erwtje. Niet dat ik me het verhaal nog herinner. Wel Olijfje natuurlijk, en Bluto en Wimpy. Ook weet ik dat er op vrijdagavond bij de vpro altijd een tekenfilmpje van Popeye op tv kwam. Dan was mamma volleyballen, en pappa en ik keken samen Popeye. En later, in het studentenhuis in Delft, noemden we een van de jongens Erwtje, omdat hij precies zo'n grijnsje had.
sjors en sjimmie
Iemand reageerde op mijn Donald Duckstukje van gister met: ik heb nooit van stripverhalen gehouden. En ik dacht: oh, ik wel! Asterix, Lucky Luke, Guust Flater, en natuurlijk Sjors en Sjimmie! Ik meteen naar de berging. Zou ik ze bewaard hebben? Maar nee. Wanneer heb ik ze voor het laatst gezien? Toen ze nog bovenin de kast lagen die later mijn thuis-laten-klerenkast werd, in het ouderlijk huis? Samen met de boeken van Johan en de Alverman, die oude lees- en rekenboekjes, de albums waar mijn moeder Margriet-verhalen inplakte voor mij, waarvan er eentje Hella de Heks heette?
Google dan maar weer. Moeiteloos vond ik de drie Sjors-en-Sjimmies die ik had: In de Rimboe, Bij de Baanbrekers, en De Bibberziekte. Die groene was de eerste, ik kreeg hem toen ik voor de tweede keer in het ziekenhuis lag, ik kon nog niet lezen, maar de plaatjes waren spannend genoeg. Van de Baanbrekers is niets blijven hangen. Maar de Bibberziekte was veruit mijn favoriet. Zó spannend, en zo sprookjesachtig mooi getekend, die onderaardse grotten waar ze het geheime medicijn tegen de Bibberziekte moesten vinden.
Ik heb ze eindeloos herlezen, en bedenk nu: zouden kinderen nu nog wel eens iets herlezen? Of zoeken ze meteen iets nieuws, het nieuwste youtube-filmpje? Wat zal er bij hen zijn blijven hangen over vijftig jaar?
ziektewinst
Als ik ziek was – koorts, dokter, bedje op de bank – dokter rookte een sigaretje aan het bed – dan mocht ik een Donald Duck. Die ging mamma dan voor me halen bij de Spar aan de Jan Mankeslaan. Ik las hem van a-z, ook de brieven die kinderen blijkbaar aan zo'n tijdschrift schreven.
Ik las de Tina soms bij andere meisjes – die was toen net nieuw – maar vond er nooit zoveel aan. Ik kon ook de verschillende meisjes niet uit elkaar houden want ze zagen er allemaal hetzelfde uit.
In de Donald Duck had je tenminste spannende types als Zwarte Magica en de Zware Jongens, en de ondeugende streken van Kwik, Kwak en Kwek. Ik geloof dat ik nooit te oud ben geworden voor de Donald Duck.












