66 – Valma

Ik rechtte mijn rug. Een eindje verderop zag ik mensen in de rij staan bij een grote stenen oven. Brood! Ik sloot me aan, achter een vrouw in een haveloos zwart gewaad.
"Hoeveel kost het?" vroeg ik haar.
Ze draaide zich naar me om. "Nieuw hier?" Nieuwsgierig nam ze me op, ze streek Bo over zijn wangetje. "Waar vandaan?"
"Registana," antwoordde ik.
"Valt niet mee, met een kind. De meesten komen alleen."

De rij schoof door. Ik gaf geen antwoord. Zo weinig mogelijk informatie geven, dacht ik bij mezelf. Als er naar me gevraagd wordt …
Het brood kostte evenveel als in Dunkitaba. Ik gaf een halve hem – dat mochten wij niet zeggen thuis, je moest zeggen vijftig ren - en kreeg er vijf platte broden voor terug.
De vrouw in het zwart bleef naast me staan wachten. "En melk voor die kleine?"
Ik knikte.
"Kom mee," zei ze.
We liepen het dorp door, mensen keken wel nieuwsgierig maar niemand zei iets. Veel dichter naar de zuidkust stond haar huisje, onder een paar palmbomen. In de omheining voor de hut stonden twee geiten, een ervan werd op dat moment gemolken door een jongen van een jaar of tien.
"Kom. Zit."

Ik moest haar wel vertrouwen. Vertrouwen is een besluit dat je neemt, zou ik onderweg leren. Je neemt het op basis van je instinct. Instinct was iets waarop ik juist nooit vertrouwd had. Of liever: ik wist niet eens dat ik het had, dat het bestond. Laat staan dat je erop kon, en misschien nog wel belangrijker, mocht vertrouwen.
Ze zette een kom melk bij me neer. Ik scheurde stukjes van het brood af, doopte het erin, en gaf het Bo in zijn mondje.

De vrouw maakte intussen thee bij het vuurtje in de andere hoek van de omheining. De jongen keek nieuwsgierig naar ons.
"Hoe heet je?" vroeg ze, toen we weer samen op de mat zaten. De thee was heerlijk sterk en zoet. Moest ik wel mijn eigen naam geven?
"Stijma," zei ik gauw.
"Ik ben Valma, en deze verlegen jongen – kom zitten en eet wat – is Pydva."
Valma nam Bo op schoot. "En jij, m'n kleintje?"
"Bo," zei ik.
"Ik zal niet vragen waarom je gevlucht bent. Maar terug kun je niet. Wordt er op je gejaagd, denk je?"

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

65 – een prinses, een zwerfster

Toen ik boven was, zag ik mijn eerste glimp van Langen San. Ik moest denken aan de verhalen over het eerste Dunkitaba. Zo rommelig woonden mensen als niemand het heft in handen nam. Rieten hutjes zag ik, sommige mooi gevlochten van palmbladeren, andere lukraak in elkaar geflanst en bepleisterd, en tenten zag ik ook. Het was nog stil maar ik voelde nu al hoe het krioelde van leven daar.

Het maakte me bang. Wie zou ik kunnen vertrouwen? Waar was ik naar op weg, behalve weg? Weg kon toch niet het einddoel van mijn leven zijn, of dat van Bo? Ik liet me zakken in het mulle zand. Moeheid en leegte overvielen me.

Ik moet even geslapen hebben want toen ik mijn ogen weer open deed was het licht. De lage zon straalde over het eiland, en ik hoorde de geluiden van een ontwakend dorp. Stemmen, gerinkel, gemekker … ik rook vuur en had honger. Kuuksi kwam aangerend uit de richting van het dorp. Ze ging zich pal voor me zitten wassen op een manier die me zei dat zij al iets te eten gesnaaid had.

Ik haalde wat geld onderuit de draagzak en stopte het in de zak van mijn tuniek. Ik keek naar de zomen van mijn broek en dacht nog even met heimwee terug aan mijn badcel, mijn klerenkast, aan Hilma die alles deed wat ik haar vroeg. Zo ben je een prinses en zo ben je een zwerfster.
Met mijn prinsje op de arm begon ik de tocht naar het dorp.

Ik zag meteen al dat hier mensen uit alle windstreken naartoe gewaaid waren. Aan de kledij zag ik het, aan de verschillende gezichten, haardrachten, haarkleuren. Niemand keek op van mij, even kreeg ik het gevoel dat ik onzichtbaar was. Of melaats. Iemand die een akelige ziekte droeg of kon verspreiden. Maar dat was onzin, dat was mijn eigen gevoel. Zo had ik me vroeger gevoeld als mijn sluier verschoof. Zo had ik me gisteravond gevoeld – gisteravond pas! – toen de zon Bo's witte haar openbaarde. Vies en slecht.

2 Reacties

64 – parelmoer

Toen ik op Langen San aan land stapte – door het water, broekspijpen en sandalen nat, sjouwend met het kind, naar het strand – vroeg de schipper om zijn beloning. Ik wilde munten onder uit de draagzak vissen, maar hij wees opnieuw naar mijn schild. Ik zette Bo op de grond en haakte het los. De schipper zei: "Maak open dan!" alsof hij weet had van de kostbare materialen die erin verwerkt waren. Zijn begerige ogen schoten meteen naar het parelmoer van Langen San. Ook al kwam het hier vandaan, kennelijk was het voor hem toch bijzonder om te bezitten. Of te verhandelen, dat kon natuurlijk ook. Met pijn in mijn hart pakte ik mijn scherpe rietvlechtersmes. Het paneeltje van Langen San zat rechtsboven, ik wilde het lossnijden toen alles begon te bewegen, ritselig te verschuiven over de rieten ondergrond.

Langen San schoof naar Wigle, Helvarderaflu schoof naar Wyda Moor, rivieren verschoven naar heerlijkheden … en opeens zag ik als een visioen de reis die voor mij lag, daar op het koude, donkere strand van Langen San. De Zanden verdrongen de rivieren, de eilanden verdrongen de Zanden, alle logica leek verdwenen.

De schipper hield Langen San in de gaten, het parelmoer glansde begeerlijk. Voorzichtig sneed ik het riet door waarmee het paneeltje op de vier hoeken (opnieuw) bevestigd was, en overhandigde de schipper zijn beloning. Hij klotste terug naar zijn boot, haalde het anker op, zwaaide nog even, achteloos, alsof het zijn nachtelijks werk was, jonge vrouwen wegbrengen.

Ik liep met de bevuilde doek naar de vloedlijn en spoelde hem uit, zo goed en zo kwad als het ging. Ik wrong hem uit en trok hem door een van de vele lussen aan de buitenkant van de draagzak. Ik hees hem weer op mijn rug. Bo zat alles met slaperige oogjes aan te kijken. Ik hing het gehavende en veranderde schild terug aan mijn armband en tilde hem op. Nog even keek ik over de zee. Zag ik in de verte het Palast boven de horizon uitsteken? Dat kon haast niet. Maar alleen het idee al maakte me bang. Hoe snel zouden ze me achterna komen?
Met Bo's slapende kopje op mijn schouder begon ik de witte duinen te beklimmen. Kuuksi huppelde voor me uit, een witte kat die ik bijna alleen kon onderscheiden door haar schaduw.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

63 – de zee

Bo begon te huilen. Had hij dorst? Was hij nat? Ik knielde in het zand, haakte mijn schild los en liet de rugzak van me af glijden. Bo was nat en meer, rook ik nu. Dit moest anders, voortaan. Ik maakte de doek los waarin hij gewikkeld was, en haalde het doorweekte mos eruit. Ik veegde hem schoon met een punt van de doek. Waar moest ik heen met die vieze lap? Uitspoelen in zee, zometeen? Ik ging staan om boven ons duintje uit te kijken. Het leek of er in de verte een bootje op het strand lag.

Ik wikkelde Bo in een schone doek met schoon mos, in gedachten dankte ik Pucima die dit op de een of andere manier had voorzien. Ik had ook haar kopje bij me, ik goot er wat water in en gaf het aan Bo, die intussen rechtop in het zand zat. Mijn prinsje, wat deed ik hem aan?
Ik hees de draagzak weer op mijn rug en nam Bo op de arm, als een extra schild.
Over het strand liepen we in de richting van het bootje. De zee zien, wat had ik me daar ooit op verheugd. Nu was de zee een weg, een weg naar weg van hier.

In de verveloze boot lag een man te slapen. Durfde ik hem wakker te maken? Nee, maar Kuuksi wel, ze sprong in de boot en gaf de man zachte kopjes. Toen dat niet hielp, kriebelde ze hem met haar snorharen, hij proestte en kwam overeind.
"Vluchteling?"
Hij zei het of het de gewoonste zaak van de wereld was. Of het een beroep was, vluchtelingenvervoer. Als de dragers die ik op onze huwelijksreis had gezien. Lag hij hier speciaal te wachten? Gebeurde het dan zoveel?
Ik knikte.
"Betaling?"
"Ik heb geld."
"En wat is dat?" Hij wees op mijn schild.
"Dat heb ik nodig," zei ik.
"Vooruit dan maar. Hou die kleine goed vast."

Hij trok de boot naar de vloedlijn en het water in. "Kom mee dan!" riep hij naar mij.
Door het water liep ik naar hem toe. Hij hield de boot vast, terwijl ik eerst Bo erin legde en toen zelf instapte en ging zitten op de bodem. Waar was Kuuksi? Ik hoorde een zacht geluidje in mijn nek. Ze zat in de draagzak, slim beest.
De zee was glad als een spiegel, het geluid van het roeien klonk luider dan het ruisen van de golven. Langen San doemde al snel op. In het oosten werd de hemel al lichter.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 3 Reacties

62 – zware stappen

Zo snel ik kon liep ik de route naar de kreek, tot ik besefte dat ze me wel heel gemakkelijk konden achtervolgen dan. Maar hoe anders? Ik mocht niet verdwalen. Hijgend bleef ik staan. Terugkeren was ook geen optie. Zodra ik dacht aan hoe mijn man onze zoon op het bed gesmeten had, wist ik zeker dat hij Bo iets zou aandoen. Kuuksi mauwde ongeduldig, haar oortjes gespitst. Ik hoorde wat zij hoorde. De zware, snelle stappen van een kameel. Er zat niets anders op, ik verliet het pad.

Kuuksi rende rondjes om me heen, als om mijn voetsporen uit te wissen. Ze leidde me naar een klein zandduintje dat oprees uit de kale vlakte. Daar konden we achter schuilen, hopend dat de wachter alleen vooruit keek en vooruit reed, in de richting van de kreek en de zee. Het gestamp kwam heel snel naderbij, ik durfde niet boven het duin uit te kijken, zat alleen maar met gebalde vuisten te hopen dat Bo stil zou blijven. Het geluid stopte.

Een stem schalde door de nacht: "Yima!"
Ik durfde mijn oren niet te geloven. Was het mijn broer? Nogmaals die stem. "Yima, kom hier! Schiet op! Ik breng je!"
Gauw naar hem toe, het zand kil aan mijn voeten. De kameel zat al, ik kon zo achter Rodva's brede rug opstijgen. Wat een geluk dat hij in zijn jeugd eens had meegedaan aan de kamelenraces. Maar hij moest het beest stiekem uit de omheining gehaald hebben, hoe dan?

"Een van de wachters was dronken, hij was met Hebotva mee wezen feesten, ze zouden samen op zoek gaan. Die vent gleed van zijn kameel en die ging er vandoor. Hebotva zelf was te dronken om te reageren, ik ben de poort uit geslopen, en het lukte me om het beest in te halen. Ik breng je naar het strand en ga dan zo snel ik kan terug, als ze mij betrappen … dat kan ik Jonnama en Va en Ma niet aandoen. Dit is al …"

Ik legde mijn handen boven zijn heupen en mijn wang tegen zijn rug. Mijn broer was een held. We stampten langs de kreek, in de richting van de zee.
"Op het strand vind je wel een boot naar Langen San," riep hij achterom. "Ik heb nog wat geld voor je."
Vlakbij het strand begonnen de duinen weer. Heel wit leken ze in het maanlicht. Rodva stopte, de kameel ging zitten, ik steeg af. Rodva gaf me nog een handvol munten, ik gaf hem een kus, toen schommelde het beest weer omhoog en even later waren ze verdwenen. Pas nu leek Rodva te registreren dat hij half door me heen kon kijken, hij gaf me een handvol munten en verwachtte haast dat ze door mijn hand zouden vallen. Maar hij zei niets, ik gaf hem een kus, toen schommelde het beest weer omhoog en even later waren ze verdwenen.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 5 Reacties

61 – een valse krijs

Het rinkelen kwam dichterbij. Voetstappen hoorde ik niet in het zachte zand. Ik voelde Bo bewegen op mijn rug, hij mummelde in zijn slaap, zo'n mummeltje dat ieder ogenblik in gehuil kan ontwaken, lieve Hemren laat hem slapen … Het gerinkel stopte. De wachter moest nu stilstaan en vlakbij zijn. Ik durfde niet door te denken wat er met me zou gebeuren als ik nu gevonden werd.

"Alles in orde nachtwacht?" De stem van Rodva over de muur.
"Ik dacht dat ik iets hoorde."
"Zeker die kat van mijn zuster. Die mag niet mee het Palast in, nu hangt hij vaak hier rond. Rotbeest. Goede wacht nog!"

Tevredengesteld vervolgde de nachtwacht zijn ronde. Rodva zag ik niet meer, dat was maar beter ook. Ik drapeerde de omslagdoek weer om me heen en liep snel verder langs de oostmuur. Nu kwam er nog een gevaarlijk stuk. De wachters op het Palast konden immers heel ver de kant uitkijken die ik gaan moest. Van het pad afwijken durfde ik niet, als ik verdwaalde was het einde heel snel nabij.

Vlak voor ik de hoek omsloeg, sprong met een valse krijs Kuuksi tegen mijn rug op. Bo schrok er wakker van en krijste mee. Wanhopig probeerde ik beest en kind stil te krijgen maar Kuuksi hield aan, wat wou ze? Mee in de draagzak? Ben je gek geworden beest? Ik hurkte neer in het zand, maar ik kon de zak immers niet eens afdoen met het schild aan mijn arm. Kuuksi sprong erin, ik wilde alweer opstaan toen ik besefte dat ze rommelde met de flesjes op de bodem. Even later viel er eentje in het zand.

Ik keek op het etiket: Graysaflu. Mijn hand tintelde. Je handen weten het. Ik schroefde het dopje los en liet een drup op mijn tong vallen. Ik deed een drupje op mijn vinger en liet Bo daar even op sabbelen. Kuuksi sprong uit de zak, ik liet het flesje er weer in vallen en vervolgde mijn tocht. Kuuksi rende voor me uit als een wandelend zandduintje, grijsblauw in het maanlicht. Dezelfde kleur als mijn voeten. Dezelfde kleur als mijn omslagdoek, als mijn handen, het leek bijna alsof ik doorzichtig was.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 4 Reacties

60 – sabelgerinkel

Een ogenblik overwoog ik om naar huis te gaan, naar mijn ouders. Maar mijn vader zou nooit tegen Hebotva ingaan, zou nooit zijn positie op het spel zetten om het hek te openen voor een vrouw die wegliep voor haar man. En Rodva? Ik herinnerde me wat hij gezegd had – ik ben je broer. Maar ik wilde Jonnama en kleine Roddy niet in gevaar brengen. Toch moest ik zo snel mogelijk het dorp uit, voordat ik gemist zou worden en ze me gingen zoeken. Ik stond vlakbij 'ons' hek. Uit de tuin van mijn ouders klonken zachte stemmen, die van mijn moeder en een mannenstem. De oude man? Mijn vader? Ook hoorde ik getik. Er moest nog iemand aan het werk zijn. Opeens Jonnama's heldere stem: "Rodva! Kom je nu eten?" Zijn brom terug: "Ik kom eraan!"

Mijn hart bonsde. Ik moest het erop wagen, er was geen andere mogelijkheid. Doodstil stond ik naast het hek. Toen het openknarste stak ik mijn hand uit, pakte mijn broer bij zijn arm en legde mijn vinger op mijn lippen. Héél zacht fluisterde ik: "Ik moet weg. Bo heeft wit haar."
"Waarheen? Moet ik je brengen?"
"Nee, blijf. Te gevaarlijk. Ik ga eerst naar de kreek, daar kan ik me verschuilen."
"Ja, naar zee, dat is het beste." Hij graaide in de diepe zak van zijn tuniek en gaf me een handvol munten.
"Rodva!"
"Ik kom!" riep hij terug. Een snelle kus op mijn wang. Ik slipte het hek door en hij deed het achter me op slot. Ik hoorde zijn diepe zucht.

De nachtwacht die bij donker rondom de dorpsmuur liep verliet het Palast door de poort en sloeg dan rechtsaf. Zuidmuur, westmuur, hekken, oostmuur. De vraag was: waar was hij nu? Ik sloop naar links en keek om de hoek van Va's werkplaats. Ik zag niemand. Ik hoorde ook niet het zachte sabelgerinkel dat de nachtwacht altijd begeleidde. De munten die ik van Rodva had gekregen rinkelden in mijn zak. Een voor een liet ik ze in Bo's draagzak glijden terwijl ik verder sloop door het mulle zand.

Toen zag ik aan het eind van de muur een man opdoemen. Gauw liep ik terug naar de werkplaats. Voor de helft kon ik me verschuilen achter een grote marmeren plaat die schuin tegen de muur stond. Ik wapperde de omslagdoek over mijn benen en hoopte dat dat in het vale maanlicht op een lege jute zak zou lijken. En dat de nachtwacht niet op sporen in het zand zou letten. En dat hij het bonken van mijn hart niet zou horen. En dat Bo zou blijven slapen.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 8 Reacties

59 – de vlucht

Geklop op de deur. "Ja!" riep ik, en verstopte me in de badcel.
"Kan ik de borden weghalen?" Het was Hilma.
"Is goed," zei ik van achter het gordijn. "Ik ga zo nog even met Bo naar de Tuin."
Gerinkel, de klap van de deur die met een voet wordt dichtgetrokken.

Achteraf snap ik niet dat mijn man niet meteen naar zijn ouders is gegaan. Misschien was het persoonlijke gezichtsverlies – een zoon met wit haar was minstens zo erg als een mismaakt kind – voor hemzelf te erg om het meteen uit te spreken. Al had hij meteen Ghemma de schuld kunnen geven, die had mij voor hem uitgezocht. Hoe dan ook … de kust was veilig. Voor het laatst liep ik over de marmeren vloeren, door de grote zaal, de trap af, het Palast uit. Ghemma en Hebotva zouden met hun thee op het dakterras zitten, ik moest via de vierde Oosterstraat lopen, niet dwars door het dorp en over de markt. Maar zouden de wachters dan geen argwaan krijgen?

"Fijne wandeling, Jonge Hoge Ma," zei de wachter die midden voor het Palast stond, met uitzicht over het marktplein en de Tuin.
"We gaan even naar Pucima," zei ik en weerstond de neiging om een reden voor dat bezoek te verzinnen. Ik hoefde me immers niet te verantwoorden, hij was personeel, ik was baas. Voor het laatst, dat wel. Wat kan een mens in die positie zorgeloos leven. Maar ook dat heeft een prijs.

Gauw slipte ik om het Palast heen. Zo stil mogelijk liep ik langs Pucima's huis. Niemand moest me zien, niemand moest later verhoord kunnen worden als Hebotva probeerde uit te vinden waar ik gebleven was. Niet dat ik een plan had. Ik wist maar één ding: weg van hier, met Bo.

Tussen de derde en de vierde Oosterstraat was nog een heel stuk onbebouwd. Ik was hier nog nooit geweest. Er stonden een paar nomadententen. Die hadden we op onze huwelijksreis ook wel gezien, ik vroeg me af hoe die levens zouden zijn, ik dacht aan de vrouwen met hun vogelmaskers op. Nu hoorde ik lawaai en gelach, er brandde een vuurtje, een vrouw danste met kleine trommeltjes zwaaiend aan haar handen, mannen in een kring eromheen, een van hen mijn man.

Stokstijf bleef ik staan, ik durfde niet verder, ik durfde niet terug, Bo zette het weer op een huilen, een paar hoofden draaiden zich onze richting uit. Toen sprong opeens een reusachtige rode kat tussen de lachende mannen en ging de danseres te lijf. Allemaal wilden ze haar redden, alle aandacht was gericht op die droomvrouw en ik slipte stil als een geest voorbij het licht. Ik rende naar de hekken maar ze waren allemaal op slot.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 4 Reacties

58 – het kantelpunt

Bo's draagzak was klaar. Roddy's draagzak was bijna klaar, ik had nog wat touw over en vlocht er nog een extra riem van, die Jonnama om haar buik zou kunnen vastmaken. Zou voor mezelf misschien ook nog handig zijn, bepeinsde ik. Ik zat bij het raam op onze slaapkamer, mijn man zat languit op het bed met Bo op zijn schoot. Hij moest eigenlijk slapen, die kleine, hij wreef met zijn knuistjes in zijn ogen. Het laatste licht scheen op mijn werk en wierp een lange straal de kamer in. Het streek met lange stralen over Bo's hoofdje.

Je hebt van die bloemen die zo snel in bloei schieten dat het lijkt of je het kunt zien gebeuren. Zo leek het met Bo's haar. Alsof het in één keer opschoot en zijn bolletje bedekte als een graanveld. Mijn man vloekte. "Wat is dit barhemren! Wat heb jij in je voorgeslacht?" Hij smeet het kind van zich af alsof het een smerig insect was. Als ons bed niet zo groot was geweest, was Bo op de marmeren vloer te pletter gevallen.

Ik sprong op, griste het jammerende kind van het bed en zei sussend: "Dat lijkt maar zo! Het is de lichtval!"
De zon was de kamer al uit, en je zag er inderdaad niets meer van.
"Het oordeel valt morgen," zei mijn man. Hoewel hij nu mijn man niet meer was. Ik was alleen nog moeder. Hij verliet ons slaapvertrek. Ik heb nooit geweten waar hij heenging als hij soms een nacht wegbleef. "Zaken," zei hij dan op een toon die verder vragen verbood. Nog effectiever dan "waarom vraag je dat." Nu was het mijn redding.

Ik besefte dat ik maar heel weinig tijd had. Het was nu nog vroeg genoeg om de deur uit te gaan, met het huilende kind als excuus. Dat had ik de afgelopen tijd zo vaak gedaan, een avondwandelingetje om hem in slaap te krijgen. Gauw verkleedde ik me. Een broek en tuniek van stevig katoen onder mijn zijden fladderkleren. Mijn oude door Ma gemaakte sandalen.

Op het tafeltje bij het raam stonden nog de resten van ons avondmaal, ik stopte droog brood en wat vruchten in een zijvak. In het andere vak de waterzak, die had ik altijd bij me. De muntjesdoek en mijn sieraden in het binnenvak van de draagzak. De armband van het schild. Mijn schild! Dat kon ik niet achterlaten! Ik stak mijn hoofd uit het raam, de avondwind was koel genoeg om een omslagdoek te rechtvaardigen. Ik moest het erop wagen. Ik hees Bo op mijn rug – hij huilde nog steeds, hij moet de kanteling in de atmosfeer gevoeld hebben. Ik haakte het schild aan de armband en sloeg de grote wollen doek om mijn schouders.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 6 Reacties

57 – nog was alles goed

Als Ma Bo op schoot had, keek ze altijd even nauwkeurig naar zijn hoofdje. Het was nog steeds glad en bruin maar als je er overheen streek voelde je toch iets van dons. Ik wist niet of Jonnama wist van mijn haar. Het was wel iets voor Rodva om het er gewoon bot uit te gooien, zo van: ja, die rare zuster van mij, ze heeft immers ook wit haar …
Nog was alles goed.

En ik merk bij mezelf een grote weerzin voor dit grote kantelpunt in mijn verhaal. Alles wat er tot dan toe gebeurd was, wat op het moment zelf zo belangrijk leek – de munten, de ruzie tussen Va en Ma, met Pucima naar de kreek, de gesprekken met Storma, het vertrek van Vulema – was toch niet meer dan aanloop. Moeiteloos paste ik het allemaal in mijn leven in, met de flexibiliteit en de levenslust van de jeugd, met onwetendheid als bril. Ik had alles wat mijn hartje begeerde, de mooiste en machtigste (bijna dan) man van het dorp, het zachtste bed, het heerlijkste eten. Ik had veel meer van de wereld gezien dan de meeste mensen uit Dunkitaba, ik had gepootjebaad in de Helvarderaflu …

Dat vergeet ik nog te vertellen: toen ik het vak onderin de draagzak klaar had en de flesjes en potjes erin deed, zag ik dat op de etiketjes de namen stonden van de grote rivieren: Helvarderaflu, Murmerflu, Graysaflu, Bridawertflu en Wispelerflu. Wat er op de twee potjes stond, kon ik niet lezen.

Ik deed de muntjesdoek en de munt met mijn beeltenis in het daarvoor bestemde vakje, dat ik op Pucima's aanwijzing met koperdraad versterkt had. Ik deed dit allemaal alsof het een leuk, avontuurlijk project was. Wat ik me voorstelde was dat ik eens samen met Bo naar de kreek zou gaan, visjes en vogels kijken, lekker plonzen door het water. Of we konden, als hij groter was, eens de zandduinen intrekken en ons daar op een lap leer vanaf laten roetsjen. Ik was kind met mijn kind. Zelfs als ik de wensen van mijn man vervulde, was ik als een kind, willoos en instinctief genietend van alles wat lekker was en zacht en vrolijk (en snel vergetend wat pijn deed, wat kwaad was, bokkig, nors).

Het kantelpunt maakte dat ik in één keer kind-af was.
En ik wil mezelf wel op de vingers slaan: toe dan! Schrijf dan! Ik zou het liever beitelen. Met venijnige, nauwkeurige tikken.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 3 Reacties