60 – sabelgerinkel

Een ogenblik overwoog ik om naar huis te gaan, naar mijn ouders. Maar mijn vader zou nooit tegen Hebotva ingaan, zou nooit zijn positie op het spel zetten om het hek te openen voor een vrouw die wegliep voor haar man. En Rodva? Ik herinnerde me wat hij gezegd had – ik ben je broer. Maar ik wilde Jonnama en kleine Roddy niet in gevaar brengen. Toch moest ik zo snel mogelijk het dorp uit, voordat ik gemist zou worden en ze me gingen zoeken. Ik stond vlakbij 'ons' hek. Uit de tuin van mijn ouders klonken zachte stemmen, die van mijn moeder en een mannenstem. De oude man? Mijn vader? Ook hoorde ik getik. Er moest nog iemand aan het werk zijn. Opeens Jonnama's heldere stem: "Rodva! Kom je nu eten?" Zijn brom terug: "Ik kom eraan!"

Mijn hart bonsde. Ik moest het erop wagen, er was geen andere mogelijkheid. Doodstil stond ik naast het hek. Toen het openknarste stak ik mijn hand uit, pakte mijn broer bij zijn arm en legde mijn vinger op mijn lippen. Héél zacht fluisterde ik: "Ik moet weg. Bo heeft wit haar."
"Waarheen? Moet ik je brengen?"
"Nee, blijf. Te gevaarlijk. Ik ga eerst naar de kreek, daar kan ik me verschuilen."
"Ja, naar zee, dat is het beste." Hij graaide in de diepe zak van zijn tuniek en gaf me een handvol munten.
"Rodva!"
"Ik kom!" riep hij terug. Een snelle kus op mijn wang. Ik slipte het hek door en hij deed het achter me op slot. Ik hoorde zijn diepe zucht.

De nachtwacht die bij donker rondom de dorpsmuur liep verliet het Palast door de poort en sloeg dan rechtsaf. Zuidmuur, westmuur, hekken, oostmuur. De vraag was: waar was hij nu? Ik sloop naar links en keek om de hoek van Va's werkplaats. Ik zag niemand. Ik hoorde ook niet het zachte sabelgerinkel dat de nachtwacht altijd begeleidde. De munten die ik van Rodva had gekregen rinkelden in mijn zak. Een voor een liet ik ze in Bo's draagzak glijden terwijl ik verder sloop door het mulle zand.

Toen zag ik aan het eind van de muur een man opdoemen. Gauw liep ik terug naar de werkplaats. Voor de helft kon ik me verschuilen achter een grote marmeren plaat die schuin tegen de muur stond. Ik wapperde de omslagdoek over mijn benen en hoopte dat dat in het vale maanlicht op een lege jute zak zou lijken. En dat de nachtwacht niet op sporen in het zand zou letten. En dat hij het bonken van mijn hart niet zou horen. En dat Bo zou blijven slapen.

Dit bericht is geplaatst in feuilleton met de tags . Bookmark de permalink.

8 Reacties op 60 – sabelgerinkel

  1. Elly van doorn schreef:

    Je bezorgt me kippenvel. Zo knap dat stuk met haar broer. Je laat de emotie aan mij over.

  2. Lianne Hartman schreef:

    Ja hoor, en weer stopt het verhaal op een punt dat je alleen maar verder wilt lezen. Dat arme kind, dat is ze immers nog.
    Inmiddels ben ik toch ook wel echt nieuwsgierig geworden naar het verhaal van het witte haar, hoe komt ze er aan en waarom is het zo erg. Ik lees morgen weer gretig verder.

  3. Ferrara schreef:

    PFFF ademt uit ... je weet de spanning wel op te voeren.

  4. Inderdaad, lekker spannend! Ik leef heerlijk mee.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *