74 de Hemrenvas

Ik had geen idee wat ze bedoelde. De wachters stonden op de schipper in te praten: ze wilden door, het eiland verkennen, de ontsnapte vrouw zoeken! Maar de schipper gaf geen krimp. Ook zij moesten wachten. Hemrenvas, ik had er nooit van gehoord.
Even later verschenen er drie gestalten op het strand. Mannen in grijze pijen. "Ook een voor jou," zei mijn buurvrouw, op een toon alsof dat gunstig was. "Geef het kind aan mij," zei ze toen. "Snel!"
Alles in mij protesteerde. Bo uit handen geven? Maar het was een kans. In zijn grauwe jakje, met een vuil snoetje, zouden ze in hem geen prinsje herkennen. Tegenstribbelend liet hij zich overdragen.

We gingen staan, en de grijze pijen liepen naar ons toe.
De andere vrouwen voegden zich elk bij een van hen. De derde hielp mij uit de boot. "Kom."
"Hoho," zei een van de wachters, "mogen wij de dames eerst even bekijken? En wie hebben we hier?"
"Dit is mijn zoon," zei de grijze pij.
"Ha. Alsof er nog kinderen geboren worden hier."
"Soms gebeurt er een wonder," antwoordde de grijze pij. "En ik adviseer u dringend om terug te varen. De Hemrenvas staan geen andere mannen toe op Kraeckten San."
"Oh, en sinds wanneer is dat?" sneerde een wachter.
"Sinds Kraeksten San," antwoordde de pij kortaf.

Al die tijd was Bo aan het trappelen en schreeuwen. Mijn hart bloedde en ik voelde nog een andere, scherpe pijn. Alsof de munt die ik om mijn hals droeg gloeiend heet was geworden. Maar ik bleef staan als het standbeeld dat ik was geworden. Net als de andere vrouwen. Gestalten zonder gezicht.
"Breng ze terug," gebood de grijze pij de schipper.

Brutaal tilde een wachter de jute lap van de andere vrouw op en gluurde eronder. Dat kwam hem duur te staan. Haar begeleider haalde een scherpe dolk uit de schacht die aan een riem om zijn middel hing, en stak de wachter neer. De andere wilde hem verdedigen maar de schipper zei: "Kom mee als je leven je lief is."
De vrouw knielde bij de neergevallen wachter neer en ontdeed hem van tulband en sjaal.
Zonder hem verder nog een blik waardig te keuren – laat staan verzorging of begrafenis, ik kon niet zien of hij dood was – begaf onze kleine stoet zich landinwaarts.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 3 Reacties

73 – naar Kraeckten San (2)

We zaten naast elkaar in kleermakerszit op de bodem van de boot. Ik rook de andere vrouwen. Zweet, kleren en lijven die te weinig gewassen werden. Zo rook ik nu zelf waarschijnlijk ook. De luxe van elke dag baden, van meerdere keren per dag verkleden, was voorgoed voorbij. Door de jute lap voor mijn gezicht zag ik bijna niets. Opeens schommelde de boot, er stapten mensen aan boord. Mannen.
"Kan me niet voorstellen dat ze naar Kraeckten San gaat. Een vrouw met een kind, daar weten ze wel raad mee!"

Snel sloeg ik de lap over Bo heen en nam mijn schild op schoot. Ik trok een doek van de draagzak en vouwde hem er omheen. Kuuksi sprong op mijn schoot.
Ik bad in stilte tot de Grote Hemren – tot wie anders – dat Bo zich stil zou houden.
Ik zat tussen twee andere vrouwen ingeklemd. Spoken zonder gezicht waren we. Hebotva's wachters konden niet echt iets uitrichten met de schipper erbij.
"Wat zit daar onder?" vroeg er een, hij zat met zijn handen aan mijn schild.
Kuuksi blies en krijste. De man gaf haar een klap, ze viel hem aan.
"Pokkebeest!"
De schram die ze me ooit bezorgd had, destijds in de Tuin, begon te schrijnen. Kuuksi's woede was voor een kort moment de mijne.
De andere wachter bulderde van het lachen. "Bang voor een kat? Laat Hoge Va het niet horen!"
Bo's zachte jammeren ging verloren in de stoere praat van de wachters.

Toen we Kraeckten San naderden, sprongen ze met de schipper uit de boot om hem aan land te duwen.
"Blijf zitten," siste een van de vrouwen tegen mij.
Zij bleven ook zitten. Zei ze het om mij te helpen, of was het de gewoonte te wachten op het woord van de schipper? Bo begon te trappelen, hij wilde onder die lap vandaan! "Ik ook schatje, ik ook," murmelde ik zacht en probeerde hem in toom te houden. De rand van het schild sneed in mijn bovenbenen.
Ik keek opzij en probeerde te onderscheiden wat er zich op het strand afspeelde.
"We wachten op de Hemrenvas," zei een van de vrouwen zacht tegen me.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

72 – naar Kraeckten San

De zon kwam net op toen we uitkwamen op een groot strand. Er lag een eiland aan de overkant van de zee. Ik herkende de vorm. De rots van Kraeckten San. Ik wilde Pydva geld geven, maar dat sloeg hij af. Wilde ik nog steeds het schild niet kwijt? Nee. Maar ik had een beter idee. Ik knielde neer om de draagzak af te leggen. Met Bo op mijn ene arm grabbelde ik in een van de diepe vakken. Een gouden ketting voor Valma, als dank.
Pydva was blij. Al zei hij wel: "Kind, die ga je nog zo nodig hebben." Hij stopte de ketting in de zak van zijn tuniek. Hij wees op een groepje gestalten verderop op het strand. "Ik denk dat daar zometeen wel een boot komt. Doe precies wat ze zeggen en gebruik je echte naam niet."
"Stijma is niet mijn echte naam," zei ik zacht.
Hij keek me aan maar vroeg niets. Hij wenste me goede reis en keerde zich om. Hij kon niet meer via de tunnel, hij liep de vlakte in. De eerste zonnestralen waren al heet.

Ik liep naar de gestalten verderop. Twee vrouwen, bleken het. Tenminste, ik dacht niet dat er mannen schuilgingen onder die zwarte gewaden, achter die ruw-juten lappen. Ze hadden tassen bij zich met etenswaren erin. "Moet je mee? Zeker niet eerder geweest hè?"
"Nee," zei ik.
"Er hangen lappen in die hut daar. Je moet je bedekken. Ze zijn streng."
Ze hingen aan spijkers in het rieten hutje. Lappen van grofgeweven jute – thuis gebruikten we dat als voederzak voor ezels – met strikbandjes eraan. Ik maakte er een vast om mijn hoofd, Bo trok natuurlijk meteen de strik los. Ik strikte hem opnieuw en deed mijn capuchon er overheen. Heel vaag kon ik de wereld nog zien, en ik kreeg het meteen benauwd.
Ik ging naast de andere vrouwen op het zand zitten. Kuuksi zag ik nergens maar ik vertrouwde erop dat ze mee kwam.
Het duurde niet lang voor er een boot aan kwam varen. Ik kon hem nauwelijks onderscheiden, maar deed wat de vrouwen deden: er met het zwarte gewaad een beetje opgetrokken naartoe waden. De zee voelde kouder hier.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

71 – paniek

De wachters knersten ons voorbij.
"Ergens moet een pad naar beneden zijn, ze moeten die schelpen toch … ja, kijk, hier …"
"Veel te donker man. We kijken morgen wel. Kom, laten we een paar uur slaap pakken. Onder die boom daar …"
Kuuksi ging rechtop zitten, ik voelde hoe haar vacht overeind ging staan.
"Nee," ze de ander, "we gaan terug naar die laatste hut. Even zo'n inboorling van zijn bed jagen. Wie weet hebben ze nog wat te eten ook."
Weer knersten ze voorbij, vlak langs ons. Grijze rots, grijze rots, het was als een mantra in mijn hoofd. Rots, rots …
Het geluid van de stappen verdween. Ik hoorde nog een schreeuw in de nacht en bedacht schuldbewust hoe iemand hier moest lijden onder mijn komst. Iemand die hier gewoon, zoals alle mensen, zijn kostje bij elkaar scharrelde.
Een pad naar beneden. Zou ik het aandurven in het donker? En had het zin, kon ik verder komen daar of was het alleen een kleine baai waar ik dan opgesloten zou zitten? Even was er een groot verlangen om voor altijd een grijze rots te blijven.

Ik had me net opgericht, draagzak op mijn rug met een knikkebollend Bo-tje erin, schild aan mijn arm, toen ik opnieuw voetstappen hoorde. Snel begon ik te lopen, blindelings bijna, blinde paniek. Ik hoorde een stem roepen: "Stijma! Wacht!"
Niemand zou me zo noemen. Het was Pydva.
Ik wachtte.
Hijgend stond hij voor me. "Met de complimenten van Valma. Of ik je even de weg wou wijzen," zei hij grimmig. "Er is een pad onderaan de rotsen, maar je moet het wel kennen. Loop vlak achter me aan en struikel in Hemrensnaam niet."
Het was bijna een trap, maar dan met zeer ongelijke treden. Voetje voor voetje voelde ik mijn weg naar beneden, tot we op een piepklein halfrond strandje stonden.
"Kom," zei Pydva.
Waar ik een massieve rotswand zag, bleek een smalle spleet toegang te geven tot een soort tunnel.
"We hebben geluk met het getij," bromde Pydva.
Aardedonker was het, behalve als de tunnel even een venster op de zee vertoonde. Het werd al lichter. Af en toe kwamen we even op een strandje uit, dan doken we weer onder. Soms zag ik schelpen aan de rotswand geklemd.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

70 – het kreng

Een eind verder zag ik nog een boom. Die moest te bereiken zijn voor het donker werd. Niet dat het iets uitmaakte of ik nu hier op de stenen zou gaan liggen of daar. Maar toch. Een boom was een dak, was bescherming. Ik kon haast niet meer. Ik had de laatste jaren ook zo weinig gelopen. Een prinses was ik geweest. Nu was ik een haveloze zwerfster.

Onder de boom maakte ik een soort tentje van het schild en een paar doeken. Ik liet Bo zijn behoefte doen, zelf deed ik die een eindje verderop. Er kwam haast niets, we hadden niet genoeg gedronken. De waterzak was half leeg. De vruchten die ik had meegenomen waren bijna op. Ik stopte Bo nog wat stukjes in zijn mond, hij sabbelde er lekker op.
We moesten slapen. We moesten ons overgeven aan het donker. Kuuksi zat stil als een beeldje op de uitkijk.

Midden in de nacht sprong ze op mijn borst. Voetstappen knersten over de grindvlakte. Ik keek om de stam van de boom heen en zag twee hoge gestalten in mijn richting lopen. Ik wilde alles oppakken, wegrennen, maar Kuuksi kroop in de draagzak en mauwde. Opeens begreep ik wat ze bedoelde. Mijn trillende hand vond het flesje meteen. Ik liet een drup op mijn tong vallen, liet Bo wat van mijn vinger sabbelen. Ik trok het schild van de lage tak, drapeerde er mijn grootste wollen doek overheen. Daar kropen we samen onder. Een grijze rots zouden we zijn. Bo maakte kleine snikgeluidjes, hij voelde mijn angst, ik liet hem op mijn vinger sabbelen en Kuuksi kroop naast hem, spinnend.

De voetstappen kwam dichterbij. Stemmen hoorde ik nu ook. Twee wachters waren het. "Waar kan het kreng zo snel heen zijn?"
Zo was je Jonge Hoge Ma, zo was je een kreng. Ik kneep mijn ogen dicht alsof ze de woorden konden buitensluiten.
"En je weet wat ons te wachten staat als we zonder haar terugkomen."
"Of in elk geval zonder die kleine."
"Straks is ze van het klif gesprongen."

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

69 – beloning!

Daar ging ik, op het heetst van de dag. Achter de hutjes langs, weg van het pad waarop het zelfs nu wemelde van mensen uit alle windstreken, van stalletjes en kraampjes en beesten. Was het eigenlijk niet veiliger om me daar tussen te begeven? Tussen twee rieten muren door bleef ik staan kijken en luisteren. Hebotva's mannen zouden wel snappen dat ik weg wilde van Langen San, dat ik ofwel naar Mingia ofwel naar Kraeckten San zou proberen te ontsnappen. Ze hoefden maar op een van beide stranden te bivakkeren om er zeker van te zijn dat ze me zouden vangen. Als een ontsnapt dier. En dan?

Opeens draaide Kuuksi om mijn benen. Kom mee, leek ze te zeggen, weg hier!
Tussen het grauwe gepeupel zag ik opeens twee kleurige tulbanden. Getrommel hoorde ik ook. Geroep. Beloning! Beloning! Machtsvertoon. Zouden ze dat vaker doen? Waren er vaker vrouwen gevlucht die ze zo belangrijk vonden? Maar het ging niet alleen om mij, het ging om Bo. Het kind dat ondanks zijn uiterlijk rond zou lopen met de naam van Hoge Va.
Kuuksi mauwde.
Ik draaide me om.

Waar zeeoren waren, moest een rotskust zijn, zoveel wist ik er wel van. Her en der op de platte vlakte zag ik nog hutjes, hier en daar groeide zelfs een enkele windverwaaide boom, geiten aten van de laagste blaadjes. In de verte zag ik niet de zee, maar heuvels, rotspartijen, zinderend in het hete licht. Ik haakte mijn schild los en hield het boven mijn hoofd en dat van Bo.

Van boom naar boom liepen we. Dan rustte ik even uit, mijn armen trillend van moeheid, mijn voeten roodverbrand in mijn sandalen. Bo jengelde. We dronken wat water, we aten wat van de honingkoek die Valma ons meegegeven had. En verder. Het landschap werd rotsachtig en ik hoorde de zee.
De zon ging al bijna onder toen ik eindelijk de zee weer zag. Even later stonden we bovenop een klif dat oprees uit het woelige water. En nu?

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

68 – zeeoren (2)

Ik vertelde haar over de vuile doek, over het kleine voorraadje mos dat ik bij me had, kon ik dat op Langen San aanvullen?
Ze moest lachen en wreef Pydva plagerig over zijn kruin.
"Weet je dat je ze kunt leren om het te doen wanneer jij het wilt? Nee, niet op elk moment natuurlijk. Maar zoals nu? Bo heeft net lekker gegeten, toch? Meestal komt het niet lang daarna."
Ze nam hem weer op schoot en ontdeed hem van zijn doek. Ze zette hem in het zand naast de mat en hees hem een beetje omhoog. Aan zijn gezichtje kon ik zien dat het werkte, ik schoot in de lach, Pydva kneep demonstratief zijn neus dicht. "Pak eens wat blad," zei Valma tegen hem. Ze veegde Bo's billetjes schoon en wikkelde hem weer in de doek. "Zand erover," zei Valma. "Normaal doen we dit achter huis hoor."

Ik besefte dat hiermee iets werd opgelost dat me een heel groot probleem had geleken. Dan moest ik nu maar gaan. Ik rommelde in de draagzak om Valma geld te geven voor de kleren.
Daar wilde ze niets van weten. En van weggaan ook niet. Het was immers veel te heet, zo midden op de dag. Ik moest het hele eiland over en dan proberen naar Kraeckten San te komen.
De rots van Kraeckten San.

Ik lag weggedoezeld op de mat, Bo op mijn borst, toen ik wakker werd van een zware stem.
"De oren vertellen mij dat er een boot vol mannen onderweg is. Op zoek naar een vrouw met een kind. En ja hoor, mijn vrouw heeft weer eens een vluchteling meegenomen. Ze moet weg, nu!"
Valma's man, een net vol zeeoren over zijn schouder, keek me dreigend aan.

Ik kwam overeind.
Valma had de mouw van het zwarte gewaad opengesneden zodat ik mijn schild kon dragen. Ze hees me er opnieuw in, en hing de draagzak met Bo om mijn schouders.
"Geef haar een oor," zei ze tegen haar man.
Hoofdschuddend maakte hij het net los en zocht er een kleine, onooglijke schelp uit.
Valma deed hem in een zijvakje. "Daarmee kun je onder water horen," legde ze uit. Ze trok Bo en mij allebei de capuchon over onze hoofden.

"Ga," zei ze. "Die kant uit, zoveel mogelijk achter de huizen langs. Dat schild is eigenlijk veel te opvallend, kun je het niet beter verkopen?"
Maar als er een ding was dat ik zeker wist, was het wel dat ik het schild koste wat kost bij me moest houden.
Valma knoopte er een van Bo's doeken omheen.
"Op Kraeckten San is het koud en gevaarlijk, maar je hebt geen keus. Wees gehoorzaam en nederig. Je weet vast hoe dat moet." Begripvol keek ze me aan.
Ik voelde hoe ze Bo over zijn bolletje aaide.
"Dankjewel voor alles," zei ik. "En u ook," zei ik tegen de zeeorenman.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

namen van personages in het verhaal van Yima

Deze lijst zal ik steeds bijwerken als er nieuwe personages bij komen.

Dunkitaba
Yima
Rodva (vader en broer) de ouders van Rodva heten Rodva en Otima
Wizma (moeder) (haar vader heet Yiva, haar moeder Stijma)
Kluva (de dogman)
Hebotva (de Hoge Va van het dorp)
Vulema (vriendin)
de kameleonkat Kuuksi
Storma (verhalenvertelster)
Pucima (rietvlechtster)
Ghemma (vrouw van Hebotva)
Lycva (kopersmid)
Metyva (dokter)
Brima (hofdame van Ghemma, dienares in het Palast)
Jonnama (vrouw van Rodvabroer)
Liduva (jongeman die wordt verbannen omdat hij brutaal is op Schildendag. Yima was een beetje verliefd op hem)
Boregva (Opperva van Nuktatharsta)
Hilma (dienares van Yima)
Adirema (de volgende verteller)

Langen San
Valma
Pydva

Kraeckten San
Horva (Hemrenva van Yima)
Jadva (koopman - oa schapenvlees en wol - van Taka Haringes)

Taka Haringes
Jadva
Lizma

Middelgront
Gruva (Opperva van Middelgront)
Rotiva
Jirma
Miama (Mia)

Schorre Clif
Manuva
Pauma

Wyda Moor
Wydfam (herbergierster)
Fegman (koopman)
Stedman (koopman)

Barraspira
Fegman (koopman en sponsor van deze weef)
Storeman (Opperman van Barraspira)
Morfam (weefma)
zoon Tikman
Letifam (buurvrouw van Yima)
dochter Ottafam
zoon Burman
Blufam (buurvrouw van Yima)
Rietmeisje (Tweede Meisje van wie Yima riet koopt)
Nuzafam (vrouw die amuletjes maakt van ametist)

Visietunnel
Morfamzus (bewaakster)
Sisifam (medegevangene)
Zaloman (gevangene, man van Blufam)
Geruman (gevangene)
Gladefam (medegevangene)

Harstamar
Sfogman (heerman van Lopweteka)
Wezarma (oude vrouw in basiskamp)

Heerweg
Roosma (reisgenote, Tweede Meisje, dochter van de Hoge Va van Takasan)
Wasijma (reisgenote, Tweede Meisje uit Barrador, Registana)
Erma (gaardvrouwe van de verbergers)

MancuKondalu
Clarma (Verzetter, Tweede Meisje)
Wizma II (Tweede Meisje, jongere zus van Yima's moeder)
Tiarva (kleinzoon van Wizma II, achterneef van Yima)

verzetterskamp bij Brandemeer
Twaitesima (vrouw met de groene ogen uit het verzetterskamp bij Harstamar)
Koyova (ruiter die Yima naar Barra brengt)

de noordelijke eilanden
Thiarck (hoofdman op Thiarchia)
Qanma (hoofdvrouw op Qlusewar)
Puciva (verzetter die Yima naar Blynxtera roeit)
Folker (hoofdman van Voocklama)
Murk (hoofdman van Morck)
Rodward (hoofdman van Rowerda)

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 4 Reacties

geografische namen en kaart van Inhemren

INHEMREN

  • heerlijkheid 1 = Blyn(x)tera
    • hoofdstad Signada, grote stad op de Heerweg. Bron van de Helvarderaflu en stad van de Rots van Verering
    • Opperva en Heerva Hemren

  • heerlijkheid 2 = MancuKondalu
    • hoofdstad Spirabyad aan de Helvarderaflu
    • Zilgraysa aan de westkust aan de Graysaflu
    • Barra grensstad aan de noordwestkust
    ~ Brandemeer aan de grens
    ~ Zijmeren aan de Helvarderaflu
    • Heerva Ertsva

  • heerlijkheid 3 = IzwiLamanzi
    • hoofdstad HarstaMarkaz, bijna op de Heerweg aan de Helvarderaflu
    • Signadida op de heerweg aan de Helvarderaflu
    • SpiraBarra grote grensstad aan het grote meer
    ~ Zilmeer meer aan de zuidgrens
    ~ Tweelingmeren
    ~ Mensmeer
    ~ ZilBarrameer aan de noordgrens
    ~ het Grote Meer (in het noordoosten)
    • Heerva Forteva

  • land 4 = UkuFila
    • Labesi stad aan de zuidwestkust en de Bridawertflu
    • Fazane grensdorp aan de westkust en de Bridawertflu
    ~ Izwemeer

  • heerlijkheid 5 = MadziOsangalala
    • MadziMar aan de monding van de Wispelerflu
    • Osangalamar aan de monding van de Murmerflu
    • ZilBarra grensdorp drielandenpunt
    • BarraWispel grensdorp aan de bron van de Wispelerflu
    • BarraMurma grensdorp aan de Murmerflu

  • heerlijkheid 6 = Lopweteka
    • hoofdstad Harstamar op de Heerweg aan de Helvarderaflu bij het meer
    • Barraharsta zuidelijk grensdorp op de heerweg
    • Ulfardazil oostkust grensstad aan de monding van de Helvarderaflu
    ~ Dzikomeer aan de oostkant van de Helvarderaflu
    • Barraspira grensstad aan de oostkust
    • HelvarBarra op de Heerweg aan de Helvarderaflu
    • Heerman Sfogman

  • heerlijkheid 7 = Registana = woestijn
    • DunKitaba
    • Barrador grensdorp aan de westkust
    • hoofdstad NuktatHarsta aan de Heerweg
    • Ulfardasan grensstad aan de monding van de Helvarderaflu
    • Takasan
    • Heerva Boregva

  • rivier A = Helvarderaflu
    rivier B = Murmerflu
    rivier C = Graysaflu
    rivier D = Bridawertflu
    rivier E = Wispelerflu

  • eilanden in het noorden
    1 eilan Thiarchia - Thiarck
    2 eilan Klusewar
    3 eilan Voocklama - Folker
    4 eilan Morck - Murk
    5 eilan Rowerda - Rodward
    6 eilan Coldyck- Colt
    7 eilan Wigle - Wigar

  • de Zanden in het zuiden
    1 Langen San
    2 Kraeckten San
    3 Schorre Clif
    4 Taka Haringes
    5 Middelgront
    6 Wyda Moor

Een grote kaart van Inhemren staat hier.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

67 – zeeoren

Ik zag hoe ze Bo's kleertjes bekeek, de mooie stof, het borduursel langs zijn polsjes. Gejaagd, wat een vreselijk woord. Zou ik me nu de rest van mijn leven opgejaagd wild voelen? Nergens thuis, nergens veilig?
"Het veiligste is het om naar Mingia te gaan. Niet dat ik er ooit geweest ben, maar ik hoor dat het veel vrijer is daar. Maar ook een totaal andere wereld, en dan weet je zeker dat je je familie nooit terug zult zien."

Dat weet ik nu al zeker, dacht ik bij mezelf. Dus in die zin zou het niet veel uitmaken. Het zou voor hen zelfs veiliger zijn als ik voorgoed verdween. Maar was dat wat ik wilde? Wist ik maar waar Vulema beland was. Met een schuldig gevoel besefte ik hoe weinig ik aan haar gedacht had. Mijn hand ging naar het koordje met de munt. En het was of ik mijn schild hoorde ritselen, het stond achter me, tegen de omheining aan. Kort keerde het visoen naar me terug, ik zag me lopen, bergen zag ik, meren, rivieren, ijzige vlakten en donkere bossen.

"Nee, dat wil ik niet," zei ik tegen Valma.
"Dan moet je naar Lopweteka," zei ze. "Hier kun je niet blijven als ze achter je aan zitten."
"En jij dan?" vroeg ik onnozel.
"Ik ben geboren op Langen San. Mijn man duikt naar zeeoren, we hebben het goed."
Onwillekeurig keek ik naar haar zwarte gewaad.
"Dat is alleen maar om al het vreemde volk dat hier rondhangt," zei ze. "Voor jou heb ik er ook wel een, dat reist veiliger. En een oud jasje van Pydva voor Bo."

Ze ging het hutje binnen en ik hoorde haar scharrelen. Pydva zat te spelen met een paar grote schelpen. Zeeoren. Ik wist wel dat parelmoer daar van gemaakt werd, ik had het altijd zo'n wonderlijke naam gevonden. Zou ik Liduva misschien ooit terugzien? Zou het nodig zijn om hoop te houden op mijn reis, of was het beter om alle hoop te laten varen?
Valma verscheen met de kleren. "Ga eens staan?" Als een kind stak ik mijn armen omhoog, ze hees me in het gewaad en trok het naar beneden over mijn kleren. Het had ook een capuchon, net als het grijze wollen jasje voor Bo.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 4 Reacties