59 – de vlucht

Geklop op de deur. "Ja!" riep ik, en verstopte me in de badcel.
"Kan ik de borden weghalen?" Het was Hilma.
"Is goed," zei ik van achter het gordijn. "Ik ga zo nog even met Bo naar de Tuin."
Gerinkel, de klap van de deur die met een voet wordt dichtgetrokken.

Achteraf snap ik niet dat mijn man niet meteen naar zijn ouders is gegaan. Misschien was het persoonlijke gezichtsverlies – een zoon met wit haar was minstens zo erg als een mismaakt kind – voor hemzelf te erg om het meteen uit te spreken. Al had hij meteen Ghemma de schuld kunnen geven, die had mij voor hem uitgezocht. Hoe dan ook … de kust was veilig. Voor het laatst liep ik over de marmeren vloeren, door de grote zaal, de trap af, het Palast uit. Ghemma en Hebotva zouden met hun thee op het dakterras zitten, ik moest via de vierde Oosterstraat lopen, niet dwars door het dorp en over de markt. Maar zouden de wachters dan geen argwaan krijgen?

"Fijne wandeling, Jonge Hoge Ma," zei de wachter die midden voor het Palast stond, met uitzicht over het marktplein en de Tuin.
"We gaan even naar Pucima," zei ik en weerstond de neiging om een reden voor dat bezoek te verzinnen. Ik hoefde me immers niet te verantwoorden, hij was personeel, ik was baas. Voor het laatst, dat wel. Wat kan een mens in die positie zorgeloos leven. Maar ook dat heeft een prijs.

Gauw slipte ik om het Palast heen. Zo stil mogelijk liep ik langs Pucima's huis. Niemand moest me zien, niemand moest later verhoord kunnen worden als Hebotva probeerde uit te vinden waar ik gebleven was. Niet dat ik een plan had. Ik wist maar één ding: weg van hier, met Bo.

Tussen de derde en de vierde Oosterstraat was nog een heel stuk onbebouwd. Ik was hier nog nooit geweest. Er stonden een paar nomadententen. Die hadden we op onze huwelijksreis ook wel gezien, ik vroeg me af hoe die levens zouden zijn, ik dacht aan de vrouwen met hun vogelmaskers op. Nu hoorde ik lawaai en gelach, er brandde een vuurtje, een vrouw danste met kleine trommeltjes zwaaiend aan haar handen, mannen in een kring eromheen, een van hen mijn man.

Stokstijf bleef ik staan, ik durfde niet verder, ik durfde niet terug, Bo zette het weer op een huilen, een paar hoofden draaiden zich onze richting uit. Toen sprong opeens een reusachtige rode kat tussen de lachende mannen en ging de danseres te lijf. Allemaal wilden ze haar redden, alle aandacht was gericht op die droomvrouw en ik slipte stil als een geest voorbij het licht. Ik rende naar de hekken maar ze waren allemaal op slot.

Dit bericht is geplaatst in feuilleton met de tags . Bookmark de permalink.

2 Reacties op 59 – de vlucht

  1. Elly van Doorn schreef:

    Wouw niet alleen boeiend maar zo knap geschreven.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *