56 – de draagzak

"Van Storma?" vroeg Pucima.
Ik knikte.
"Het zou handig zijn als je veel meer in zo'n draagzak kon bergen," zei Pucima. "Als je als jonge moeder naar de markt moet ofzo," voegde ze eraan toe. Alsof ik opeens een gezaghebber was geworden, bij wie je op je woorden moest passen. "Wat schone doeken aan de buitenkant, een waterzak, een vuurglas, een kom, een mes … Stel dat je een slang tegenkomt in de Tuin … En een vakje voor je geld aan de binnenkant …"

Ik werd een beetje duizelig van de dubbelzinnige strekking die van haar woorden uitging. Alsof ze in een geheimtaal sprak die ik – als in een droom – toch kon verstaan. Soms strekt de toekomst zijn klauwen naar je uit en verscheurt heel even het heden.

Ze haalde een kluwen van het touw waarvan ze de zak had gevlochten, geweven bijna, en deed me de techniek voor. "Je maakt gewoon een paar rechthoekige lapjes, en die naai je eraan vast zoals het je handig lijkt. Als Bo wat groter is kun je er ook speelgoed in meenemen. Of een flesje melk, wil je nog wat, klein prinsje van me?" Ze gaf me het touw in handen en tilde Bo hoog boven haar hoofd, hij kraaide het uit.

Die middag voegde ik me bij Ghemma, die zoals altijd te borduren zat voor het raam. Ik vertelde haar de voorkant van het verhaal: dat ik het vlechten zo miste, en dat het me handig leek om wat extra vakken te maken voor de draagzak. Ze was blij voor me, dit gaf geen troep zoals het vlechten met riet, dit was wel een damesachtig soort van handwerk. Bo lag boven te slapen, Hilma lette erop of hij niet wakker werd.

Uit de kamer van Hebotva klonken luide, zware stemmen, ik kon net niet verstaan wat er gezegd werd, maar ik wist wel dat mijn man die avond weer veeleisend zou zijn. Hij had me zo nodig, en dat gaf mij een wijs en zeker gevoel: alleen ik kon hem gelukkig maken, met mijn lichaam, met het kind, met de kleine diensten die ik hem bewees door precies te zijn wie hij wilde.

Ook Ma en Jonnama leefden mee met mijn draagzakproject. Sterker nog: Jonnama wilde er ook een voor Roddy, het was ideaal als je je handen vrij wilde hebben tijdens het koken of wassen. Ma gaf me een lapje heel dun leer, om er onderin te naaien, voor als Bo een een ongelukje had. Jonnama had wat strengen grote houten kralen geregen, waar Bo mee kon spelen of waar hij op kon kauwen of sabbelen.

Ze vroegen eigenlijk nooit hoe het met me ging, dat was ook moeilijk, ze begrepen wel dat ik me nooit negatief zou uitlaten over de machtigste mannen van het dorp. En in de aanwezigheid van Bo was ik immers altijd vrolijk. De twee kleine jongetjes rollebolden op de grote mat, de oude buurman die nu bij mijn ouders inwoonde beleefde er ook veel plezier aan. Hij zat altijd tegen de muur gehurkt, zijn knokige vingers spelend met zijn letterkralen. Veel ouden en zieken hadden zo'n snoer kralen waar het Rotsvadmijn was ingebrand. Hij murmelde het de hele dag, als een bezweringsformule, als een touwladdertje naar de grote Hemren.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

55 – Storma 7

Het was Adirema's taak om de dood van de oude Verteller aan iedereen te verkondigen. Ze begon in het Palast om van daaruit heel Dunkitaba op de hoogte te stellen, te beginnen bij mijn vader die de grafsteen moest maken. Op Storma's steen zouden wel haar naam – en haar functie – vermeld worden, en heel het dorp zou bij haar begrafenis aanwezig zijn.

Iedereen moest in het wit gekleed gaan. De kleur van de rouw. Het maakte ontzettend veel indruk op me en ik moest onophoudelijk denken aan de witte kleren van de Tweede Meisjes. Wij waren zo gewend om ons te hullen in kleurrijke stoffen, ik was inmiddels ook gehecht geraakt aan mijn rode kroon, al dat wit leek opeens zo doods. Zelfs Bo droeg een wit pakje, waar zijn lieve bruine voetjes uitstaken als kleine diertjes.

Een hete wind schuurde over de vlakte, het doffe geluid van een omfloerste trom begeleidde Storma op haar laatste reis, begeleidde Hebotva's toespraak, waarin niets dan lof voor de oude Verteller die heel Dunkitaba had onderwezen in de geboden van de grote Hemren die vervolgens werden opgedreund door alle aanwezigen. Ik herinner me nog goed dat ik er voor het eerst met een licht cynisme naar luisterde. Ik wist immers dat Storma heel anders over deze dingen had gedacht. Kennelijk was waan belangrijker dan waar.

Ik had Storma's flesjes eerst in mijn geheime bergplaats opgeborgen. Na een paar dagen schoot me te binnen wat ze had gezegd: vastnaaien. Ik besloot ermee naar Pucima te gaan. Bo vond het altijd heerlijk daar, lekker rondkruipen en rietstengels uit bossen trekken, gekriebeld worden onder zijn voetjes met zo'n grote pluim.

Pucima zat een van haar mooie wijde schalen te vlechten, in diepe concentratie zat ze gebogen over haar werk. Ik voelde mijn handen jeuken. Hoe Bo me ook in beslag nam, ik miste het werk verschrikkelijk. Ze verwelkomde ons hartelijk, schonk meteen thee voor me in, en gaf Bo een kopje met verdunde kamelenmelk. Ze had een klein harnasje gevlochten om het kopje, met twee oren eraan. Bo dronk zonder te knoeien, zag ik bewonderend.
"Neem dat straks maar mee," zei Pucima.
Ik trok de draagzak naar me toe en hield hem open, zodat ze de flesjes kon zien die op de bodem rolden.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

54 – Storma 6

Ik hees Bo van mijn schouders, hij was klaarwakker en keek naar het dansende vlammetje van de kleine olielamp. Storma woog minder dan hij, ze voelde als een vogeltje toen ik een arm om haar heensloeg, haar een beetje opzij trok om haar bed uit te rollen en wat her en der verspreide kussens bijeen te graaien om in haar rug te leggen. Zachtjes liet ik haar terugglijden. Dankbaar keek ze me aan. Ze wees op haar toverkist – zo had ik hem in gedachten altijd genoemd – en ik trok hem naar ons toe en deed het deksel omhoog. Ze wees me een flesje aan, ik moest wat druppels in een glaasje water doen. Ik liet haar drinken zoals ik het bij Bo zou doen, de rand van het glaasje op haar onderlip.

Heel langzaam kwam het leven terug in haar blik, in haar lichaam, in haar stem. Ze keek naar Bo, ik volgde haar blik, Kuuksi zat naast hem als een wachter, haar vachtje net zo lichtgrijs als de draagzak, ze speelde met een van de kwastjes.
"Dit is mijn laatste nacht," zei Storma toen, haar stem al onderweg naar daarginds. "De kist gaat naar Adirema, zij is de oudste. Jij moet er nu uithalen wat je nodig hebt."
"Wat ik nodig heb?"
"Je handen weten het."
Ze gebaarde dat ik mijn handen boven de flesjes en potjes moest houden.
"Ogen dicht."

Ik voelde me een toverkol, een waarzegster, zo'n vrouw uit verre landen die soms ons marktplein wat sensatie verleende. Mijn vingers tintelden en ik pakte er een potje uit. Ik voelde hoe Storma het van me overnam. "Nog eens."
Op deze manier pakte ik vier flesjes en twee potjes.
"In de draagzak," zei Storma. "Vastnaaien."
Het spreken kostte haar veel moeite. Ik wilde vragen: "Waar zijn ze voor? Hoe werkt het? Hoeveel druppels?" maar ze fluisterde nogmaals: "Je handen weten het."

Ik frummelde alles onder Bo's inmiddels slapende lijfje.
"Kus," zei Storma.
Ik kuste haar, dankbaar, zorgzaam, troostend. Moedergevoelens kunnen zich ook over moeders ontfermen, Storma was een van mijn oermoeders. Geweest, kon ik al bijna zeggen. De volgende dag zou ze er niet meer zijn.
Ik hees Bo weer op mijn rug en liep langzaam terug naar het Palast. Mijn man stond op me te wachten en vroeg waar ik zo lang bleef. "Bo wilde niet slapen," zei ik. Hij kuste het slapende kind op zijn hoofdje, hij sloeg een arm om me heen. Nog was alles goed.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

53 – Storma 5

Na zes manen begonnen Bo's krulletjes uit te vallen, ik vond ze in zijn bedje, ik stopte een lokje in een van de opengewerkte kralen van mijn ketting. Glad en kaal als een houten kraal werd zijn hoofdje, zijn snoezige vierkante hoofdje met de stoere kaaklijn die hij van Hebotva had geërfd. Nog maakte ik me geen zorgen. Het was zo'n lief, goedlachs kind, mijn man was ook zo dol op hem, mijn hart smolt als hij Bo liet kameeltjerijden op zijn knieën.

Ik gebruikte Pucima's draagzak nu als ik op bezoek ging bij mijn ouders, of bij Jonnama, Bo werd te zwaar om hem dat hele eind in mijn armen te dragen, en hij vond het prachtig, ik hoorde hem kraaien op mijn rug, en soms trok hij aan mijn sluier. Maar ik had immers niets te vrezen, iedere twee manen werkte mijn moeder mijn haarwortels bij. Ze inspecteerde Bo's hoofdje elke keer als ik kwam. Hij bleef lang kaal, zijn hele bolletje bruin en glanzend.

Vaak liep ik op weg naar huis – zo voelde het ondanks alles nog steeds – langs Storma. Soms zat ze buiten, dan hurkte ik even bij haar neer zodat ze met Bo kon knuffelen. Als ze er niet zat, liep ik even naar binnen om te zien of alles goed met haar was, relatief dan. Het leek of ze langzaam wegkromp uit de wereld, ooit zouden we het zonder haar wetende aanwezigheid moeten doen. De nieuwe vertellers leken zo jong, te jong om net zoveel kennis en ervaring te hebben. Te gehoorzaam ook, te meegaand met het heersende verhaal.

Op een avond liep ik in het donker nog een rondje met Bo, hij had de hele dag gedreind en wilde niet slapen, er kwamen tandjes door. Vaak viel hij in de draagzak in slaap. Dat heb ik nooit genoeg gewaardeerd: hoe veilig het was in Dunkitaba. Je kon als vrouw gerust het hele dorp doorwandelen in het donker. Je kon niet verdwalen, en er waren altijd wachters dichtbij. Toen ik voorbij Storma's huis kwam, verbeeldde ik me dat ik iets hoorde. Er brandde ook licht binnen. Ik riep zacht haar naam, hoorde weer dat zachte gekreun, voorzichtig stapte ik naar binnen. Storma lag of zat tegen haar bedrol aan, ik kon zien dat ze het benauwd had.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

52 – Jonge Hoge Ma

Hebotva droeg steeds meer bestuurlijke taken over aan mijn man, of ze deden dingen samen, zoals ik nu vaak samen met Ghemma de vrouwen ontving die om raad vroegen. Zo leerde ik dat de meeste vrouwen – omzichtig en voorzichtig – hun eigen plan trokken. Mannen moesten er beslist nooit iets van merken, dat hun autoriteit in twijfel getrokken of zelfs omzeild werd. Je kreeg immers het meest van ze gedaan als je onderdanig en liefdevol glimlachend deed wat ze zeiden. Dat Ghemma ze daarin de weg wees verbaasde me. Moest zij als Hoge Ma niet de wetten van Inhemren volgen?

"Maar dat doe ik toch?" zei ze, toen ik eindelijk de moed had gevonden haar ernaar te vragen. "Ik vertel toch altijd als eerste dat ze zich aan de geboden moeten houden?"
We dreunden ze samen op, het was de huwelijksgelofte die iedere vrouw had afgelegd. "Een man zorgt voor veilige huizen. Een man zorgt dat zijn kinderen alleen de rechte weg kunnen volgen. Een man onderricht zijn kinderen in de wetten. Een man straft de wettelozen. Een man sluit of opent de deuren. Een man ontwikkelt de talenten van zijn kinderen. Een man moet altijd zonder blaam zijn en is altijd zonder blaam. Een man staat boven de wet want hij is de wet. In alles staat de man boven de vrouw."

Toen zag ik opeens wat ze bedoelde: de wetten van Inhemren zeiden niets over vrouwen. Ze gingen er zo vanzelfsprekend vanuit dat wat voor de man gold universeel was, geldig voor ieder wezen onder de zon, dat ze de helft van de mensheid gewoon buiten beschouwing lieten. En de dieren ook, ik bukte me om Kuuksi te aaien, waar kwam ze nu weer vandaan, Ghemma zei Kssjjt! want zij wilde geen beesten in het Palast.

Er waren natuurlijk wel vrouwen die vonden dat de geboden écht voor iedereen golden, Ghemma was er goed in om dat uit te vogelen, zodat ze niet ooit bij haar eigen man verantwoording zou moeten afleggen voor haar licht subversieve adviezen. Ze hoorde het vaak al als de vrouw in kwestie met heldere stem de geboden mee reciteerde.

Toch was het niet zo dat ik echt haar vertrouwelinge werd. Ze was zich van haar hoge positie wel degelijk bewust, koesterde die ook, en als gewoon dorpsmeisje met een lage naam was ik nu niet direct de gedroomde opvolgster. Waarom ze me dan toch gekozen hadden? Vanwege mijn schild? Om mijn gezonde, verse bloed?

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

51 – weelde

Na het bezoek van Pucima braken er betere tijden aan. Mijn man keerde terug in ons bed, mijn lichaam begon weer naar hem te verlangen. Ik vroeg niet waar hij was geweest. Ik deed een bepaald gedeelte van mijn binnenste op slot, voor hem, voor iedereen, zelfs voor mezelf. We wandelden iedere namiddag naar de Tuin, Bo bij zijn vader op de arm, ik ernaast als stralende jonge moeder. Bo maakte zo'n blijdschap in me wakker met zijn heldere oogjes die alles opnamen. Alle dorpsbewoners die we tegenkwamen konden het niet laten om naar hem te zwaaien of kiekeboe te doen.

We kwamen altijd langs het huis van Storma, meestal waren de luiken dicht, maar op een middag zat ze buiten op een krukje, leunend tegen de muur. Ik nam kleine Bo op de arm en knielde bij haar neer. "Storma, hier is mijn zoon!"
Haar oude handen streelden de gladde jonge wangetjes, streelden over zijn zwarte krullen, trokken er tersluiks even aan, ik zag het wel en zij zag dat ik het zag, in haar blik een waarschuwing, het schoot me te binnen wat ze destijds verteld had over mijn eigen zwarte krulletjes. Nog een beetje moeizaam kwam ik overeind met het kind.
Storma zei: "Ik heb een versterkende drank voor je, kom even mee." Aan mijn handen trok ze zich op, mijn man wachtte toegeeflijk, van alle kanten van het marktplein kwamen mensen naar hem toe om kleine Bo te aaien.

Wij verdwenen in het donkere binnenste van Storma's huis. Ze rommelde wat in een grote kist en haalde er een klein stopflesje uit. Bridawertflu stond erop. "Neem elke dag een druppel. Het zal ervoor zorgen dat je niet zwanger raakt voor je zeker bent dat je kind …" Ik begreep wat ze bedoelde, al overzag ik in mijn jongemoedersgeluk de reikwijdte niet. Nu alles weer goed was wilde ik aan niets anders denken.

Zo werkt het brein blijkbaar, het zal een vorm van zelfbescherming zijn, een mens kan niet voortdurend ongelukkig of op haar hoede zijn. Ik dacht ook niet aan de ruzie tussen Va en Ma die ik had afgeluisterd. Ik dacht aan niets behalve mijn man, mijn kind, mijn rijkdom. Want ik genoot ervan, van de luxe, het heerlijke eten dat ik niet zelf hoefde klaar te maken, het zachte bed dat ik nooit hoefde op te rollen, mijn kast vol tunieken, broeken en japonnen van zijde, katoen of wol. Elke dag droeg ik mijn gouden kettingen en ik zag ze niet als ketens, ik zag ze als glinsterende bewijzen van liefde en voorspoed.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

50 – het kind 3

"Ga eens staan?"
Stram als een oude vrouw kwam ik overeind en zette mijn blote voeten op de vloer. Pucima legde Bo op het bed. Ze deed twee dubbel gevlochten banden over mijn schouders. "Het is een draagzak. Nu kan hij erin liggen, als hij eenmaal goed zitten kan, kan hij rechtop zitten op je rug en zelf naar de wereld kijken." Ze vlijde het kind, dat alweer begon te morren, in de draagzak. "Loop eens een beetje heen en weer?"

Mijn benen konden me nauwelijks meer dragen. Ik schuifelde van het raam naar de deur, van de kast naar het bed. Bo wriemelde op mijn rug, ik hoorde de smakgeluidjes die aangaven dat hij bijna in slaap viel. Toen ik niet meer kon hielp Pucima me de draagzak afdoen. Ze legde hem zacht op het bed. Bo gaf geen krimp. Ik ging met een zucht naast hem liggen.

"Ben je geheeld? Heb je nog pijn?" vroeg Pucima.
Nee, de pijn was over. Alleen de kracht – mijn leven – kwam niet terug. Alles wat ik was zat nu in Bo. Iedereen was alleen geïnteresseerd in zijn welzijn. Alleen Hilma maakte zich nog zorgen om me.
"Je zwelgt," zei Pucima streng. "Je moet je kracht terugwinnen, voor hém. Wat als je hem moest redden uit een brandend huis en je kon niet lopen omdat je je benen zo lang niet gebruikt had? Wat als je hem moest wegrukken voor een tijger? Uit de handen van een ontvoerder? Je moet weer sterk worden Yima! En je moet op je haar letten," voegde ze er zacht aan toe.
Ik schuifelde naar de spiegel en zag dat ze gelijk had. "Wil jij mijn moeder waarschuwen?"
"Alleen als je doet wat ik zeg. Elke dag oefenen. Elke dag naar buiten. Met het kind naar de Tuin, hij zal het heerlijk vinden."

Op dat moment kwam Hilma binnen. Verbaasd keek ze van mij naar Pucima.
"Ik geef haar op haar kop," zei Pucima, nu luchtig en lachend. "Zorg jij er ook voor dat ze haar kracht weer terugkrijgt? Dat ze beweging krijgt en frisse lucht?"
"Kijk wat ik gekregen heb," zei ik. "Nu hoef jij Bo niet meer voor me te dragen."

Hilma knikte instemmend, gaf Pucima groot gelijk, en tegelijk wist ik opeens niet meer zo zeker of ik haar vertrouwen kon. Alweer iets waarvan ik achteraf niet begrijp dat ik het destijds niet zag: wat viel er te vertrouwen? Moest ik dan iets verbergen? Ik vertelde Hilma niet over de geheime bergplaats, al ging ik er wel vanuit dat Brima het haar waarschijnlijk verteld had. Behalve het koordje met de munt en mijn rode doek zat er niets in, haar verven deed ik altijd bij mijn moeder. Toch trok ik die avond een draad uit de doek en legde die over het luikje, precies over een knoest in het hout.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

49 – het kind 2

Na een lange dag vol pijn, die ik maar half bewust meemaakte, werd kleine Bo geboren. Het voelde alsof ik helemaal werd opengereten, en alsof hij alle leven die ik in me had, voor zich opeiste. Het kleine wezentje dat in mij overbleef stroomde over van liefde voor dit mooie, schreeuwende kind met zijn zwarte krulletjes. Hilma legde hem aan en hij begon meteen te zuigen. Nog meer levensbloed van mij in hem, ik voelde me zo licht in mijn hoofd dat ik bijna boven ons zweefde.

Toen ik weer wat opgekalefaterd was en mijn zoon stil en voldaan, kwamen Ghemma en Hebotva en mijn man me danken voor mijn geschenk. Mijn zoon droeg hun naam, hij was in feite meer van hen dan van mij. Ik wist niet eens waar mijn naamplaquette was gebleven.
"Hij lijkt op je," zei Ghemma tegen haar zoon en harkte haar vingers door zijn krullen.
Hij knielde naast het bed en kuste me teder. "Het spijt me dat ik zo lang wegbleef," zei hij zacht. "Ik kon er niet tegen jou zo te zien lijden!" Niet dat hij me aankeek bij deze mooie woorden. Hij streelde de krulletjes van zijn zoon.

Ik was zo uiteengereten dat het weken duurde voor ik weer een beetje normaal kon zitten en lopen. Hilma verzorgde mij en het kind, er was nu voor haar een veldbed in onze kamer gezet. Waar mijn man sliep, wist ik niet. Ik kreeg af en toe bezoek: mijn moeder, Jonnama. Ghemma kwam elke dag wel even kijken. Mannen en vaders lieten zich niet zien, maar dat hoorde zo. Zolang de vrouw haar huwelijkse plichten –
Wat klinken die woorden me koud en vies in de oren. Zelfs nu nog.

Ik had geen haast om beter te worden. Zolang het met kleine Bo maar goed ging. Ik zong liedjes voor hem. "Kleine Bo'tje wilde varen, in een bootje over de baren, over de grote, woelige zee, Bo'tje neem mij met je mee …" Ik zong het op een namiddag, ik denk dat hij al twee manen oud was, ik was alleen, Hilma was naar de markt om versterkende etenswaren voor me te kopen, ik leunde in de kussens en Bo leunde tegen mijn opgetrokken knieën. Hij vond zingen fijn, hij lachte, ik was zijn hele universum en hij het mijne. Toen de deur openging, verwachtte ik Hilma, maar het was Pucima. Ze had iets bij zich dat van heel dun touw gevlochten was. Niet-begrijpend hield ik de vorm open met mijn handen terwijl zij Bo op de arm nam.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 3 Reacties

48 – het kind

Jonnama kreeg een zoon, kleine Roddy werd hij voorlopig genoemd, ik moest haast lachen toen ik hem zag, zo zag ik mijn broer terug in dat kleine ronde gezichtje. Jonnama straalde van geluk, en mijn ouders net zo. "En nu jij, lieve zuster," zei Jonnama. De tranen sprongen in mijn ogen. Ik had een zuster. Moeizaam boog ik me voorover en gaf haar een kus.

Die nacht begon het bij mij. Niet met weeën maar met een plas geurloos water die uit me stroomde terwijl ik rusteloos voor het raam stond. Pijn voelde ik nog niet, ik wist eigenlijk niet wat ik moest verwachten, maar ik besloot toch om Hilma te waarschuwen. Zij had een tante die vroedvrouw was, zij wist wat er gebeurd was. De weeën moesten opgewekt worden, anders zou het kindje sterven van de dorst. Nadat ze de vloer gedroogd had, en mij terug in bed gestopt, ging ze kruiden halen bij Metyva.

Ik lag half slapend in bed, mijn buik voelde als een leeggelopen ballon, ik droomde over hoe het kindje daarin rondtolde als een vis die naar adem hapte, ik was zo bang, waar was Hebotva? Ik voelde de lege kant van het bed, mijn hand ontmoette het vachtje van Kuuksi, ze legde een zacht pootje op mijn arm en maande me tot rust. Het zou goedkomen, Kuuksi was nergens bang voor.

Hilma was algauw terug met een potje poeder, waarvan ze een schepje met water vermengde. "Zilverkaars en frambozenblad, kruiden uit Gralda," zei ze. Ze steunde me in mijn rug terwijl ik het glaasje leegdronk.
Er werd op de deur geklopt. Het was Ghemma. "Is het begonnen?"
"Nog niet, Hoge Ma," antwoordde Hilma. "Maar het komt eraan."
"Waar is mijn zoon?" Keek ze mij nu beschuldigend aan?
"Ik weet het niet."

Ghemma draaide zich om en liep met boze passen weg. Niet dat het de bedoeling was dat een vader de bevalling bijwoonde, maar hij hoorde toch minstens in de buurt te zijn.
Aan mij ging het op dat moment grotendeels voorbij. Ik weet nog wel dat Hilma de kat wilde wegjagen, dat Kuuksi hard naar haar blies, en toen weer zacht spinnend tegen me aankroop.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

47 – huwelijksleven

Terug in het Palast begreep ik dat het sprookje voorbij was. Mijn man werd dagelijks in beslag genomen door bestuurlijke aangelegenheden – Hebotva bereidde hem voor op de tijd dat Dunkitaba door hem geleid zou worden – en ik leerde van Ghemma wat er verwacht werd van een Hoge Ma. Al droeg ik die titel natuurlijk nog niet.

Na de geboorte van ons kind zou ik eerst Jonge Hoge Ma zijn. Heel af en toe was ik in de gelegenheid om alleen ergens heen te gaan, om mijn moeder op te zoeken, of Pucima. Ik miste Vulema soms verschrikkelijk. Gelukkig was Jonnama ook al in verwachting, we konden samen over onze kwaaltjes en verlangens praten. Ma had mijn slaapkamer nu als vrouwenkamer ingericht, met kussens langs de wanden. Daar konden we ongestoord en onbespied samen zijn.

In het Palast voelde ik me constant bekeken, het was of ik altijd op m'n mooist en m'n liefst en m'n gehoorzaamst moest zijn. Ik kon er ook niet tegen om niets met mijn handen te doen. Ghemma probeerde me voor borduurwerk te interesseren – er moesten tenslotte ook kleertjes voor de kleine gemaakt worden, en doeken – maar daar had ik het geduld niet voor. Of het deed me te erg aan Vulema denken. Ik wilde zere handen krijgen van riet, ik wilde zelfs beitelen in marmer, ik wilde wel in de keuken helpen of wasgoed uitwringen, maar nee, ik moest rust nemen want het welzijn van de toekomstige erfzoon – hoe wisten ze dat zo zeker? – ging voor alles. Terwijl Jonnama gewoon alles bleef doen en er veel fitter uitzag dan ik.

Mijn man leek zijn interesse in mij te verliezen. Was hij dan niet blij dat we een kind kregen? Natuurlijk wel, lieverd. Ik ben gewoon bezorgd, daarom laat ik je zoveel mogelijk met rust. Jonnama vertelde me eens, giechelend en fluisterend, over haar toegenomen lustgevoelens. Heb jij dat ook? Ik geloof dat ik haar alleen maar stom, verbaasd, heb aangekeken. Wij lagen 's nachts met de ruggen naar elkaar toe. Vaak sloop Kuuksi in de nacht in bed, en vlijde zich tegen mijn buik aan. Ik voelde de baby reageren, zijn handje uitsteken naar het levende wezen aan de buitenkant van zijn wereld. Als ik wakker werd, was zij verdwenen.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen