Naarmate de maaltijd vorderde leek het of de mensen vervaagden. Het was een vreemde gewaarwording, ik moest opeens denken aan het begin van mijn vlucht, toen ik zelf na het innemen van de Graysafludrupjes een beetje doorzichtig werd. Ik keek naar mijn handen en zag mijn brood en de tafel er doorheen schemeren. Alleen Bo was nog een ondoorzichtig, stevig mensje. De vrouw die naast me zat wees op hem, en goot wat thee door zijn melk.
Er klonk een gong, luid en galmend door de ruimte.
Aan het hoofd van de tafels stond Gruva. Niet doorzichtig. Hij sprak alsof hij een Hoge Va was.
"Middelgront!" Zo sprak hij de bewoners toe. "Afgelopen nacht is er een tweede meisje geboren, dochter van Rotiva en Jirma. Zij zal aanstonds haar laatste rustplaats vinden in het Graysameer.
Voorts hebben wij een vreemde in ons midden, een vrouw die met haar kind is gevlucht. Dat is ongehoord. Wij zullen haar geen onderdak verlenen. Na de ceremonie zal Ritova haar naar Takasan brengen, alwaar zij zal worden berecht."
Niemand keek naar mij. Iedereen was onzichtbaar, ook voor elkaar. Niemand morde, geen kind schreeuwde of lachte. In grote stilte stond men op van de tafels en liep met beker en mes langs een grote waterton, spoelde het eetgerei af en zette het op een tafel die ernaast stond. Koortsachtig keek ik om me heen of er een mogeljkheid was om te ontsnappen, terug naar het magazijn waar mijn draagzak en schild nog lagen. Maar Gruva liet mij niet uit zijn ogen. Hij sloot achteraan de rij die als een colonne mieren naar het Graysameer liep.
Het lag als een spiegel tussen een kring van pijnbomen. De half doorzichtige mensen vormden een tweede kring, helemaal rondom het meer, met aan de overkant een kleine uitsparing. Daar liep een korte houten steiger het water in.
Een man en een vrouw betraden de steiger. Ondoorzichtig en voor iedereen zichtbaar stonden zij daar, in hun schande. De vrouw had het kindje in haar armen. Ze wankelde, haar man ondersteunde haar.
De stem van Gruva, vlak naast mij, schalde over het water.










