93 – vervagen

Naarmate de maaltijd vorderde leek het of de mensen vervaagden. Het was een vreemde gewaarwording, ik moest opeens denken aan het begin van mijn vlucht, toen ik zelf na het innemen van de Graysafludrupjes een beetje doorzichtig werd. Ik keek naar mijn handen en zag mijn brood en de tafel er doorheen schemeren. Alleen Bo was nog een ondoorzichtig, stevig mensje. De vrouw die naast me zat wees op hem, en goot wat thee door zijn melk.

Er klonk een gong, luid en galmend door de ruimte.
Aan het hoofd van de tafels stond Gruva. Niet doorzichtig. Hij sprak alsof hij een Hoge Va was.
"Middelgront!" Zo sprak hij de bewoners toe. "Afgelopen nacht is er een tweede meisje geboren, dochter van Rotiva en Jirma. Zij zal aanstonds haar laatste rustplaats vinden in het Graysameer.
Voorts hebben wij een vreemde in ons midden, een vrouw die met haar kind is gevlucht. Dat is ongehoord. Wij zullen haar geen onderdak verlenen. Na de ceremonie zal Ritova haar naar Takasan brengen, alwaar zij zal worden berecht."

Niemand keek naar mij. Iedereen was onzichtbaar, ook voor elkaar. Niemand morde, geen kind schreeuwde of lachte. In grote stilte stond men op van de tafels en liep met beker en mes langs een grote waterton, spoelde het eetgerei af en zette het op een tafel die ernaast stond. Koortsachtig keek ik om me heen of er een mogeljkheid was om te ontsnappen, terug naar het magazijn waar mijn draagzak en schild nog lagen. Maar Gruva liet mij niet uit zijn ogen. Hij sloot achteraan de rij die als een colonne mieren naar het Graysameer liep.

Het lag als een spiegel tussen een kring van pijnbomen. De half doorzichtige mensen vormden een tweede kring, helemaal rondom het meer, met aan de overkant een kleine uitsparing. Daar liep een korte houten steiger het water in.
Een man en een vrouw betraden de steiger. Ondoorzichtig en voor iedereen zichtbaar stonden zij daar, in hun schande. De vrouw had het kindje in haar armen. Ze wankelde, haar man ondersteunde haar.
De stem van Gruva, vlak naast mij, schalde over het water.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 6 Reacties

92 – vluchteling

"Gruva, ik heb een vluchteling," zei Jadva. Gruva, dat was een vrij belangrijke naam, dacht ik. Maar zweeg. Gruva zweeg ook.
"Met een kind," zei Jadva.
"Wat voor kind."
"Een zoon natuurlijk," zei Jadva.
De deur ging verder open en Gruva stapte naar buiten met een grote sleutel.
"In het magazijn staat wel een bed. En ik zal je water brengen."

Jadva en ik volgden hem naar een van de grote gebouwen. Hij ontsloot de deur. Het was een zaal vol stellingen, met stapels van kleden en doeken en kleren, en ook etenswaren. Kaas rook ik, worst, uien. In een hoek lagen matrassen, zakken gevuld met heide en dennennaalden. Gruva liep weer naar buiten. Jadva hielp me de draagzak afleggen. Ik legde Bo op het bed en zette mijn schild rechtop tegen de muur. Even later was Gruva terug met een waterzak.
"Ik sluit je hier vannacht op, dat is het veiligst."
Zowel voor mij als voor zijn spulletjes, bedacht ik.
Gruva stond al bij de deur. Jadva nam gehaast afscheid, ik kon nog net "heel erg bedankt voor alles" zeggen en weg was hij. Ik was alleen met het donker en de onbekende geuren. Nee, niet alleen. Kuuksi cirkelde om mijn benen. Ik pakte haar op en zei vermanend: "Nergens aankomen jij!" Ze wriggelde zich los en verdween tussen de stellingen.

Ik werd wakker doordat aan de buitenkant van het gebouw de luiken losgemaakt werden. Koude ochtendlucht en koud licht stroomden naar binnen. Even laten werd ook de deur geopend en een ploegje mensen liep naar binnen om vanalles van de planken te halen. Gruva liep door naar mij en zei: "Opstaan. We ontbijten gezamenlijk."
Ik verschoonde Bo, dankbaar voor het voorraadje mos dat ik van Taka Haringes had meegenomen. Lizma gebruikte het ook voor haar maanstonden. Met Bo op de arm volgde ik de anderen naar het andere gebouw, dat een enorme eetzaal met keuken bleek. Ik rook versgebakken brood, en zag grote kannen thee op de lange tafels staan.
De mensen waren allemaal in het grijs gekleed, met als enige onderscheid tussen mannen en vrouwen dat die laatsten een hoofddoek droegen.
Er was niemand die iets tegen mij zei. Ik ging maar zo ergens zitten, aan het uiteinde van een tafel, en schonk mezelf thee in. Voor Bo schonk ik wat melk in zijn eigen kopje. Behalve een enkele vermaning van een moeder tegen een kind, werd er niet gesproken.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

91 – dichte ogen

Maar Jadva maakte een eind aan de vredige middag. Na het eten vertelde hij dat er allerlei geruchten de ronde deden. De Hoge Va van Takasan zou opnieuw een legertje wachters op de been brengen en dan vermoedelijk een nieuwe zoektocht beginnen op Taka Haringes.
Had ik me weer in slaap laten sussen? Zouden deze goede mensen nu weer moeten lijden onder mijn komst? Had ik ook helderheidsdrupjes? Ik liep naar de draagzak en liet mijn vingers het werk doen. Het was het andere potje, dat met dat andere vreemde tekentje erop, een rondje met een staartje. Tegelijk begon mijn munt te schrijnen. Ik haalde de dop van het potje. Het was leeg. Ik gluurde er goed in, en zag mijn hele gezicht weerspiegeld op de bodem. Een gezicht met dichte ogen. Die boodschap begreep ik.

"Ik moet weg," zei ik.
Jadva knikte. "Ik breng je naar Middelgront."
Lizma hielp me met inpakken. De draagzak was een stuk voller, met die dikke kledij, zowel voor mezelf als voor Bo. Hij lag al te slapen, naast Jad die zo dol op hem was.
"Maak hem maar niet wakker," fluisterde Lizma. Ze tilde Bo van de slaapbank, en frummelde zijn slaapwarme lijfje op mijn rug. Hij was flink gegroeid, dat kon ik voelen!
Ik omhelsde mijn vriendin. Ik deed weer een gouden ketting af en maakte hem vast om haar hals.

Met moeite, soms zittend, daalde ik de trap af naar waar de boten aangemeerd lagen. Jadva hielp me aan boord. Hij had de boot al losgemaakt toen Kuuksi met een enorme zweefduik vanaf de kademuur aan boord sprong. Ik wilde helpen met roeien maar hij zei: "Dat hoeft niet. Middelgront is niet ver. Ik kom er alleen niet vaak, ze willen haast nooit iets kopen."

Middelgront was zo plat als een brood, en omringd door strand. Er groeiden bomen die in het donker leken op wolken op een stok. Ik snoof, ze roken zo heerlijk. "Pijnbomen," zei Jadva. "Kom, ik lever je af bij iemand die ik ken. De magazijnbewaarder. Ze kopen hier alles gemeenschappelijk in." De huizen hier waren gemaakt van hout. Ze stonden hutjemutje rondom twee grotere gebouwen. Ik volgde Jadva over de zanderige, naaldbestrooide paadjes. Hij klopte ergens aan waar nog licht brandde. De deur ging op een kiertje open. "Ja?"

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

90 – huiselijke weken

Toen ik wakker werd, begon het al licht te worden. Kuuksi had haar warme lijfje op mijn nek en schouders gevlijd en lag luid te spinnen. Behalve het gemekker van een schaap hier en daar was het stil.
Door de stille ochtend liep ik terug naar Lizma's huis. Hoewel alle huizen er hetzelfde uitzagen, wist ik toch waar ik moest zijn, alsof er een rechtstreekse draad liep van haar huis naar het beeld. Of was het Kuuksi die me de weg wees? Ze rende voor me uit, af en toe een pootje uitschuddend vanwege de nattigheid. Pas bij de voordeur was ze ineens verdwenen. Binnen was alles nog in diepe rust. Ik kroop terug op mijn slaapbank, bij Bo, onder mijn warme deken, met een gevoel alsof alle gevaar voorgoed geweken was nu de hand van de vader op mij rustte.

Er volgden een paar van die huiselijke weken. Ik hoefde er geen drupjes voor in te nemen, ik kon – op mijn naam na – zijn wie ik was. Mijn haar was al voor een groot deel wit maar niemand zei er iets van. Buitenshuis droegen we trouwens meestal een capuchon, voor de kou. Ook het gevoel dat ik echt werkte voor de kost was prettig. Soms liet ik mijn gedachten naar een ongekende toekomst afdwalen en dan stelde ik me voor dat ik me ergens vestigde en me in leven hield met mijn vaardigheden. Maar waar zou dat kunnen, als vrouw alleen? Dan moest je ondergaan in de massa, dan moest je in een stad wonen.

"Staat er hier nergens een huisje leeg voor mij?" vroeg ik aan Lizma. Het was heerlijk weer, we zaten voor haar huis en Bo kroop rond over het mos.
"Dan zou je het niet krijgen," zei Lizma. "Lege huisjes zijn voor getrouwde stellen."
"Wat doen jullie met de Tweede Meisjes?"
"Wat deden ze waar jij vandaan komt?"
Ik vertelde over de ceremonie, en dat ze naar het begin van de Heerweg werden gebracht.
"Hier worden ze in de avond naar de Goede Vader gebracht. Ze brengen daar de nacht door. Als ze er de volgende ochtend nog liggen, worden ze naar Takasan gebracht, en van daaruit naar de Heerweg."
"Hoe bedoel je, als ze er nog liggen?"
"Sommigen vluchten in de nacht. We vragen niet hoe. Of ze geholpen zijn door hun ouders, of door wie dan ook … het is beter om het niet te weten. Ze leren hoe het hoort, en de meesten houden zich daar ook aan."
"Om de heerlijkheid van de grote Hemren te aanschouwen," zei ik bitter. "Geloof jij dat?"
"Ik geloof dat de Goede Vader ons de weg wijst," zei Lizma. "Maar ik ben blij dat ik alleen een zoon heb."

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

89 – de blauwe schoot van het beeld

Bo begon te trappelen en op mijn hoofd te slaan met zijn zachte handjes. Lizma lachte en tilde hem uit de draagzak.
"Kun je al een beetje lopen, ventje?"
Ze zette hem op het grindpad, hield hem vast aan zijn handjes, en warempel! Een stapje!
We riepen allebei aanmoedigingen uit en trots deed hij nog een stapje.

Zo kwamen we vrolijk thuis. We aten wat, legden Bo op de slaapbank, en toen aan het werk. Lizma ging verder met wol spinnen en ik waagde mij aan een eerste borduursel op een kinderpakje, langs de mouwen en onderlangs de broekspijpjes. De wol had prachtige kleuren: paars en geel en rood, het maakte me blij. Ik kon zelfs denken: zo zou Ghemma me moeten zien.
Het was een prettige, veilige, huiselijke dag. Als je zo het leven mocht doorbrengen, was dat genoeg. Als ik met Liduva had mogen trouwen, had ik ook zo'n leven kunnen hebben.

Maar in de nacht kwamen de dromen terug. Ik stond tussen de Hemrenvas en smeet met stenen vissen en stenen baby's naar de mannen daar beneden, ik hoorde hun lichamen breken en rook weer die verschrikkelijke geur, ik schreeuwde het uit en schreeuwde mezelf wakker. Bo sliep gelukkig gewoon door, en ook Lizma verroerde zich niet. Zachtjes trok ik mijn laarsjes aan, hulde me in een extra wollen doek, en opende voorzichtig de deur.

De nacht was helder, er was alleen wat grondnevel waar de ruggen van de schapen als kleine eilandjes op dreven. In de verte zag ik het blauwe beeld, ik kon de vorm nu onderscheiden, een grote man die in kleermakerszit op een verhoging zat. Hij deed me denken aan de dogman.
Er liep niet echt een pad naartoe. Mijn voeten zochten hun weg over de verende heidestruikjes, Kuuksi huppelde voor me uit alsof ze ook een schaapje was, grijsblauw in de stille nacht.

De verhoging waarop de Goede Vader zat, bleek een bordes met treden. Het kostte me moeite ze te beklimmen, zo door en door moe was ik, zo versteend voelde ik me. Maar ik klom door, van het bordes af klom ik op de grote blauwe schoot van het beeld. Langs zijn been legde ik me neer, mijn hoofd op zijn knie. Het was alsof een grote hand op mijn schouder gelegd werd. Ik voelde me leeg en beschermd. Dit was overgave. Zoals een kind zich vol vertrouwen aan je overgeeft, zich laat dragen en zijn hoofdje tegen je schouder laat rusten.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 5 Reacties

Heldinne’s Kaarten

Tussen het schrijven door ben ik nog steeds lekker bezig met collagekaarten maken. Ik verkoop ze als originelen maar ook als fotoreproductie.
De originele series die nog te koop zijn, staan hier.
De series die als reproductie na te bestellen zijn, staan hier.
Alle series kosten €6,00 exclusief verzendkosten (die bedragen op dit moment €2,88).

Geplaatst in heldinne's kaarten | Getagged | Een reactie plaatsen

88 – het beeld

"Je dromen kun je misschien kwijt bij het Beeld."
Ik begreep niet wat Lizma bedoelde.
"We kunnen er straks even naartoe gaan. Ik heb je draagzak ook schoongemaakt." Ze zag dat ik schrok en voegde eraan toe: "Ik heb alleen de kleren en Bo's doeken eruit gehaald en gewassen. Hij heeft voor hier ook warmere kleertjes nodig, en schoentjes."
Hij had nu slofjes aan, die vast ooit van Jad waren geweest.
"Zijn ze nu weer naar Kraeckten San?" Ik kon me niet voorstellen dat iemand daar ooit weer vrijwillig naartoe zou gaan.
Lizma schudde haar hoofd. "Nee, vandaag gaan ze naar Schorre Clif. Wol en vlees ruilen tegen eieren en gevogelte."

Het brood was zo anders dan het brood dat ik kende, niet plat en slap en rond, maar stevig, donker, Lizma had twee plakken voor me afgesneden en het vulde geweldig.
Mijn kleren waren nog niet droog, maar een blik naar buiten zei me dat ze ook veel te dun waren voor hier. Lizma pakte een paar viltlaarsjes voor me. "Deze zijn van Jad, zijn voeten groeien sneller dan hijzelf, ik denk dat ze jou wel passen."

En zo stapten we even later naar buiten, waar het mistig was en kil, maar ook heerlijk geurde naar bloeiende heide. Groot was het eiland niet. We liepen het helemaal rond, langs de kring van vierkante huisjes, als een mond vol tanden. Af en toe groette iemand Lizma, en keek nieuwsgierig naar mij. "Een nicht van Jadva, uit het Noorden," antwoordde Lizma op vragende blikken. Het voldeed, voor nu. Ik bedacht voor het eerst dat er op de Zanden nergens zoiets stond als een Palast. Kenden de eilanden geen Hoge Va? Door wie werden ze dan geregeerd? Wie had dat leger naar Kraeckten San gestuurd? Zoveel wachters hadden we – ja, 'we,' het zou nog lang duren voor ik dat kwijtraakte – toch niet? Strekte Boregva's macht zich tot hier uit?

Toen we de halve cirkel hadden afgelegd, begon de mist een beetje op te trekken. Ik zag schapen her en der, en in het midden iets hoogs en blauws.
"Dat is het beeld van de Goede Vader," zei Lizma. "Daar brengen we onze zorgen naartoe."
Alweer een vader. Met walging dacht ik aan Horva. Met woede dacht ik aan de vader van Bo. Met oneindig verdriet dacht ik aan Rodva en de kleine Roddy die nu vaderloos moest opgroeien. Als dat hem tenminste gegund was. Huilen kon ik niet. Ik dacht aan Vulema's moeder. Ik kon niet huilen. Alsof huilen me zo zwak zou maken dat ik het niet meer kon opbrengen om te blijven leven. Rouwen was voor later. Voor ooit.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

87 – op Taka Haringes

Lizma kwam naar me toe en streek mijn capuchon naar achteren. Nu realiseerde ik me pas dat zij geen sluier droeg. En dat haar haar grijs was, en dat van de mannen ook.
"Kom," zei ze. "Jad, jij let op die kleine." De jongen lachte, hij was al kiekeboe aan het doen met Bo.
Achterin de kamer was een hoek afgescheiden met een gordijn. Op een kist stond een grote kan water met een schaal ernaast. "Ga je wassen. Was de dood van je af. Trek maar iets van mij aan, we zijn even groot. Je kleren wassen we morgen."

Ik had het gevoel dat ik het vuil van me af moest schrapen. Mijn munt was aan de achterkant bruin van aangekoekt bloed. Nog vier gouden kettingen had ik, ze waren dof van zweet en vuil. Ik goot het vuile water in een kom die opzij van de kist stond. In schoon water waste ik ook mijn haren. Toen het voor mijn gezicht hing zag ik dat het al wit aan het worden was. Dat zou hier in elk geval geen probleem zijn.
Gehuld in een broek en tuniek van Lizma, met warme sloffen aan mijn voeten, betrad ik het woonvertrek. Boven het vuur hing iets te pruttelen wat heerlijk rook.
Ik kreeg een kom soep met schapenvlees. Lizma voerde Bo, hij vond het heerlijk.
Daarna wees ze mij een slaapplek, een soort ligbank van rotsblokken opzij van het vuur. "Jad komt straks bij je liggen," zei ze. Ze verschoonde en waste Bo, dat hoorde ik nog vaag, maar dat ze hem bij me legde merkte ik niet eens meer.

Toen ik ontwaakte uit een nacht vol walgelijke dromen, waren de mannen al vertrokken. Bo kroop over de grond en vermaakte zich met kluwentjes wol in allerlei tinten. Lizma zat bij hem en bestudeerde mijn schild.
"Heb jij dit gemaakt?"
Ik knikte.
"Dit ook, dit borduursel? En deze met die kraaltjes?"
Ik knikte weer. Mijn hoofd zat nog in de droom, in de geluiden van geslacht vlees, in de stank van bloed en uitwerpselen.
"Zou je een tijdje willen blijven? Zolang het veilig is? En mij helpen?"
Ze wees naar een nis in de muur waar een stapel kleren lag. "We leveren kleren aan Schorre Clif en Wyda Moor. Ik probeer er wel variatie in aan te brengen door de stof in verschillende kleuren te laten weven, maar met versiering zouden ze veel meer opleveren. Je zou het mij kunnen leren?"
"Dat is goed," zei ik. Ik hoorde zelf hoe toonloos mijn stem was. Lizma pakte brood en schapenkaas voor me, en schonk me een beker thee in.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 4 Reacties

86 – naar Taka Haringes

Ik legde Bo op de bodem van de boot en met ons drieën duwden we hem naar het water.
"Kun je roeien?"
Ik was een woestijnkind, natuurlijk kon ik niet roeien. Maar natuurlijk kon ik wel roeien. Ik was sterker dan de kleine jongen, en samen waren we sterker dan een man alleen.
"Gaan we niet naar Langen San, Va?" vroeg de jongen, die Bo rechtop tegen zich aan had gezet.
"En dan nog zo'n leger tegenkomen zeker. Ik vind het wel genoeg voor vandaag."

We roeiden naar Taka Haringes. We voeren voorbij de Rots. Vanaf hier kon ik de gifboom zien, een wanstaltig groeisel dat als een wrede hand naar de lucht klauwde. Ik huiverde bij het idee aan wat daar op het strand lag. Ik dacht aan mijn broer, die om mij het leven liet, doodgestenigd door de heilige Hemrenvas. Maar ik dacht vooral aan mijn zere armen, en dat ik niet mocht opgeven. Overleven is een wrede zaak.

Taka Haringes had geen strand maar een soort van kademuur van rotsblokken. Boten werden vastgemaakt aan grote ijzeren ringen, en via een trap met veel te grote treden – de kleine Jadva beklom ze op handen en voeten – klommen we aan land. Van rotsblokken opgetrokken vierkante huisjes stonden met hun rug naar de zee, het hele eiland rond. Voor zover ik zien kon, tenminste, het was er mistig en koud. Ik hoorde schapen blaten en het zachte rinkelen van hun belletjes. Er groeiden struikjes die ik nooit eerder gezien had maar die me met hun dieppaarse kleur deden verlangen naar een bed om nooit meer uit op te staan.

Ik was verschrikkelijk koud. Ik keek naar Jadva's voeten in hun vilten laarzen. Die had ik ook nodig!
Ze namen mij mee naar hun huisje, wwaar moeder de vrouw achter een spinnewiel zat, iets wat ik ook niet kende. "Lizma, dit is Stijma met haar zoontje Bo. Ze is gevlucht van Kraeckten San."
"Gevlucht? Waarvoor?'
"Voor een leger van wachters dat achter haar aan zat."
"Oh? Waarom?"

Ik begreep de vrouw zo goed. Natuurlijk was ze als eerste bezorgd om haar eigen mannen, natuurlijk had ze er geen zin in om hen in gevaar te brengen. Ik kon het haast niet opbrengen om het uit te leggen. Het uitspreken maakte het onontkoombaarder, waarder, erger. Ik noemde Hebotva's naam niet, liet ook weg dat ik uit DunKitaba kwam. Ik noemde Rodva's naam niet, maar vertelde wel dat ik mijn broer had gezien, en dat hij nu dood was om mij.
Ik liet me zakken op de grond, met mijn rug tegen de muur.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

85 – de stenen

Toen hoorde ik iets anders. Een spreekkoor van zware stemmen. De woorden kende ik.
"Een man zorgt voor veilige huizen. Een man straft de wettelozen. Een man sluit of opent de deuren. Een man is altijd zonder blaam. Een man staat boven de wet want hij is de wet."
Het kwam van boven. Een geluid als van onweer, iets wat ik hooguit een of twee keer in mijn leven had gehoord, volgde op het spreekkoor. Een onophoudelijk gerommel, gebonk, ik durfde niet te kijken wat het was maar ik hoorde ook geschreeuw en gekreun. Pas toen een enorme kei door het dak van mijn cel viel, begreep ik het: de Hemrenva's stenigden het leger dood. Geen andere mannen op Kraeckten San, behalve zonen.

De steen die mijn cel had getroffen was midden op het kleed gevallen. Bovenop mijn schild. Durfde ik hem eraf te halen? Ik keek omhoog. Ik kon niemand zien, kennelijk stonden ze een eindje van de rand af. Vliegensvlug rolde ik de steen opzij en trok mijn schild onder het kleed uit, zonder te kijken naar wie daar lagen te sterven op het pad tussen de cellen. Ik griste de draagzak van de vloer, waar hij nog lag na onze rotsgang. Achter de gehavende cellen langs schoof ik zijwaarts in de richting van de markt. Een paar andere vrouwen waren op hetzelfde idee gekomen. Nu was niet de tijd om elkaar op overtredingen aan te spreken. We hadden anderen horen schreeuwen, wie weet wat hen was aangedaan.

Langs de wasplaats renden we het marktplein op, waar halflege kleden en tafels wezen op de haastige aftocht van de kooplui. Kuuksi racete voor me uit, door de uitgang naar het strand, waar de kooplui al bezig waren hun bootjes naar de vloedlijn te trekken. Vertwijfeld keek ik om me heen.

Ja, daar! De vader met zijn zoon, de baal wol die boven de rand van de boot uitstak.
Ik zwaaide, ik riep. "Jadva! Wacht! Wacht!"
Kuuksi rende naar ze toe, sprong de boot in. De vader smeet haar eruit, maar ze bleef erin springen, zodat ik ik naar ze toe kon hollen en kon smeken: "Neem me mee!"
Al die tijd was Bo aan het huilen van angst, en ik denk dat dat zijn hart vermurwde, dat doodsbange, jammerende kind.
"Gauw dan!"

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen