150 – Morfams boodschap (2)

Mia kwam vanuit Blufams borg naar ons toe, ze had daar op het dak zitten naaien. "Wat moest Morfam?" En met een blik op mijn behuilde gezicht: "Wat moest ze, Yimama? Wat is er aan de hand?"
"Pak even een werkje," zei Letifam.
Met een rood tuniekje kwam Mia bij ons zitten.
Onze borg stond lijnrecht tegenover die van Morfam, ik hield steeds in de gaten of ik haar zag. De mand die ik aan 't vlechten was werd bepaald geen kunstwerk. Maar de jonge Fegman had daar gelukkig ook totaal geen oog voor.

Ik zei het maar meteen. "Tikman wil met je trouwen, Mia."
"Tikman? Dat rotjong?"
"Meneer de torenwachter voor jou," zei ik cynisch.
Mia keek me even onderzoekend aan. "Dat meen je niet, hè?
"Natuurlijk niet. Maar Morfam deed of het een hele eer was. Ik wil het ook niet, Mia. Maar … op de een of andere manier weet Morfam wie de vader van mijn kinderen is."
"Van mij toch niet?"
"Dat is het enige wat zij níet weet."
"Vertel het haar dan!"
"Het zou kunnen dat Tikman je dan niet meer wil. Maar ik denk dat het voor Morfam een reden zal zijn om ons allemaal te verraden. Het is niet voor niets dat er zo vaak grootuilen landen op onze toren, wie weet met wie zij in contact staat."

"En nu dan?" vroeg Mia. "Wat moeten we doen?"
"Ik wil er met Bo over praten," zei ik. De glans die even over Mia's gezicht streek ontging me niet.
Toen mengde Letifam zich in het gesprek. "Ze staat te loeren. Ga naar binnen, het is etenstijd. En Yifam, waarom steek je je licht niet eens op bij Rietmeisje?"
Dat was een idee. Ik dacht aan die eerste keer dat ik haar zag. Wat ze gezegd had over Tweede Meisjes die naar de Heerweg werden gebracht. Door Palastwachters.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 1 reactie

een verlaat feest

Het begon ermee dat ik in de Amerikaanse boekjesmaakgroep vroeg hoe een "luikvouw" in het Engels heette. Gatefold. Ik dat opzoeken, en dan kom je dus allerlei mooie sites tegen waar nog veel meer leuke vouwwijzen op staan, waaronder het Maltezer Kruis. Kreeg meteen zin om dat uit te proberen.


Ik vond een template, maar dat was denk ik alleen geschikt voor folders van heel dun papier. In mijn geval werd de voorpagina veel te kort om over al die lagen heen te passen. Opnieuw geprobeerd, nu met de voorpagina een halve centimeter langer dan de rest.
Ik zag het meteen sprookjesachtig voor me (ik denk door het woord Maltezer dat me deed denken aan kruisridders) en besloot het goud te verven.

Inmiddels had ik ook mijn cirkelsnijder weer aan de praat (leve Youtubefilmpjes waarop ze dingen uitleggen die in een normale gebruiksaanwijzing niet werken), dus sneed ik fraaie cirkels uit gelli prints en plakte die op het goud.
Met op maat geknipte lapjes ter bescherming stopte ik het geheel in de pletter.

Diepe droefheid de volgende dag toen het tóch weer mis bleek met die goudverf. Ik had het kunnen weten, ik had al eerder zo'n plakdrama meegemaakt.
Maar wat zonde van mijn mooie cirkels! Gelukkig kon ik ze voorzichtig lospeuteren.

Het goud-idee liet me niet los. Ik bestelde een pakje goudpapier bij Amazon, waar een andere besteller mooie foto's van zelfgemaakte kerstkaarten bij geplaatst had: precies wat ik zocht.
Opnieuw een Maltezer Kruis uittekenen, -snijden en vouwen, en dat beplakken met op maat gesneden gouden vierkantjes. De cirkels er weer op, de omtrekjes gekleurd … en nu moest het nog ergens over gaan.


Ik sneed eerst de maskers uit gelli prints (mbv een zelfgemaakt sjabloon dat ik hier ook gebruikt heb). Toen begon ik zinsneden uit boeken te knippen. Er begon zich een thema af te tekenen, dat uitkristalliseerde toen ik de strookjes op een soort volgorde ging leggen.
Wel waren ze wat te wit, gauw nog even met een lichtbruin potlood er overheen. Zo ontstond de volgende tekst.

een verlaat feest

Hier werd de strijd voortgezet
in de diepte van deze kamer
de barbarij van zoo veel jaren
grillig en toch onveranderlijk

de monsters onzer eeuwe
wildernissen, wouden
tot aan het einde van het pad
beswaeyt met groene pluymen

naar de diepste punten der menselijke ellende
het trotseeren der booze machten
gespannen vragende zinsvormen
dan bersten schier de steenen

't scheepken des gemoeds
zware pauzen
gebroken rhythme
ruwe letters en symbolen
beefde voor elk woord

het karakter van een maanlandschap
verzamelde verschijnselen
hoge galgen met roofvogels
misschien kunnen ze niet anders

mijn aanwezigheid vergeten
warm en weerloos als een vogel
sierlijk gesmede tralies

gloedvol en bovenaards wordt het in hun hart
de onmetelijkheid van mijn geluk

een verlaat feest
in beeld en vers

radicaal afgedaald

Dan volgt er nog het geknutsel met de foto's. Want goud scannen, dat wordt nix, dat wordt poepiebruin. Dus heb ik met de telefoon foto's van goudpapier gemaakt, met verschillende lampen en zonnen erop. Van de mooiste maakte ik de achtergrond van de bladzijden zoals ze hier nu – eindelijk – staan.

nieuwe Maltezer kruisboekjes kun je hier bekijken

Geplaatst in creatief, heldinne's reisboekjes | Getagged | 2 Reacties

149 – Morfams boodschap

Ik nam haar mee naar binnen, waar het niet zo netjes was als ik het hoopte te hebben als Morfam op bezoek kwam. Ik zag haar afkeurende blik. Ze veegde met haar hand de zitbank schoon voor ze aan tafel plaatsnam. "Ik hoop dat je Mia beter hebt opgevoed," zei ze.
"Ik ook," zei ik, met een poging tot luchtigheid.
Maar grapjes waren aan Morfam niet besteed. Ze zei: "Tikman wil met Mia trouwen." Op een toon alsof het daarmee al een voldongen feit was én een hele eer.

Ik schrok me kapot. Ik had Tikman zien opgroeien in de weef, het was altijd een nare jongen geweest die niets liever deed dan andere kinderen tegen elkaar opzetten, meedogenloos de baas spelen, of schoolgenootjes verraden. Een ideale torenwachter, dat wel.
Ik zei: "Goh. Nou. Ik zal het er met Mia over hebben." En ik dacht: waarom? En ik vroeg: "Waarom?"

Morfam glimlachte op een manier die bij haar voor toegeeflijk moest doorgaan. "Je weet hoe die jongens zijn. Mia is een mooi meisje, je kan zien dat ze van goede komaf is."
Ik voelde hoe het bloed uit mijn gezicht wegtrok. Wat wist Morfam? Ze keek mij aan als een slang die zijn prooi hypnotiseert. Ze lachte weer dat akelige lachje en zei: "Ik zal het niet verder vertellen hoor, maak je geen zorgen. Laat me maar zo snel mogelijk weten wat Mia ervan vindt."
Alsof Mia nu nog een keus had.
Ik liet Morfam uit, ze liep de wei op en zwaaide even naar de torenwachter. Kuuksi rende haar achterna, liep haar voor de voeten zodat ze bijna struikelde. Gelukkig schopte Morfam mis.

"Wat moest ze?" vroeg Letifam.
Ik vertelde het haar. Ik kon mijn tranen niet bedwingen, ik zei: "Dat wil ik niet! Het kind heeft zo'n verschrikkelijke start gehad, ik wil haar niet aan zo'n … Ik wil het niet!"
Pas nu vertelde ik dan eindelijk mijn hele verhaal aan Letifam.
"Morfam kan je dus chanteren," zei Letifam tenslotte.
Ik knikte.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

148 – huwelijkskandidaten

Onze dochters begonnen zo langzamerhand wel de leeftijd te krijgen om aan trouwen te denken. Toen Nuzafam me destijds vertelde dat ze een zoon had van Mia's leeftijd, had ik gedacht: wie weet een huwelijkskandidaat? En nu dacht ik soms: zou Burman geschikt zijn voor Mia? Beetje jong nog, misschien ook niet krachtig genoeg, maar wel een lieve en aantrekkelijke jongen. Als hij zich veilig voelde, had hij dezelfde humor als zijn moeder.

We lieten de meisjes vaak zonder ons naar de markt gaan, Letifam en ik. Dan konden ze af en toe andere jongens zien. De ongetrouwde weefjongens waren altijd te herkennen aan hun sjerp. Ik dacht er vaak aan hoe anders mijn leven verlopen zou zijn als ik gewoon met Liduva had mogen trouwen. Ik zag hem na al die jaren nog steeds duidelijk voor me, zijn lange, magere gestalte, zijn krulhaar, zijn ogen die ook wel van parelmoer leken – of sloeg ik nu op mijn oude dag aan het romantiseren … In elk geval wist ik nog hoe het voelde, en wist ik ook dat ik dat aan Mia gunde, een huwelijk met een man van wie ze kon houden. En dan niet Bo, natuurlijk.

"Heeft Otta al iemand op het oog?" vroeg ik aan Letifam. We zaten voor onze borg, de handen druk en de gedachten ook. Het had geregend die nacht, soms viel er een koude drup vanaf het rieten afdak in mijn nek. Het weer in Barraspira was eigenlijk altijd fijn, nooit te koud of te heet, en regen viel vaak 's nachts. Heel soms was er een storm die vanaf de Naamloze Zee over de Middelzee naar Barraspira woei. Dan bleven de schepen in de haven.
"Ik geloof van wel, een jongen uit de zuidweef, hij is wever, vloerkleden enzo."
Nu ze het zei kon ik me die jongen wel voor de geest halen, hij stond soms op de markt met zijn kleden. "Dat zou mooi bij Otta's rietmatten passen," zei ik.

"Vooropgesteld dat iemand Otta wil hebben," zei Letifam plotseling somber en zacht.
Ik begreep meteen waar ze op doelde. "Maar dat hoeft hij toch niet te weten?"
"Dat weet iedereen," zei Letifam. "Jij toch ook?"
Ik knikte, met een gevoel van schaamte. Ik was er nooit over begonnen, het leek me te pijnlijk.
"Als ze willen trouwen, moeten ze samen met hun Weefheer naar Storeman, voor goedkeuring. Reken maar dat alles dan boven water komt. En Otta weet het zelf niet eens. Goh, wat een lastige plank is dit met al die knoesten!" Het kwam zo onverwacht dat ik het pas begreep toen Morfam al onder ons afdak stond.
"Kan ik jou even alleen spreken?" vroeg ze aan mij.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 5 Reacties

147 – na Fegmans dood

Ik stond op van mijn bed, liep op stijve benen naar de waskast, het geritsel werd luider, en toen ik met het schild op het bed ging zitten, voelde ik Kuuksi in mijn rug. Ik knoopte de paneeltjes los. Weer keek ik met verbazing naar dat van Lopweteka, hoe ik het schip had voorzien, en ook de Weefheer in zijn rode mantel.

Maar het paneeltje dat ritselde, dat zich leek te willen loswrikken, was dat van Izwi Lamanzi, het land ten noorden van Lopweteka. Ik zag een meisje dat wegdook, een meisje dat eerst op mij leek en toen in Mia leek te veranderen, wegduikend voor giftige zaden uit een vreemde bloem. Ik legde er mijn hand op en de siddering liep door mijn hele lichaam.
Laat in de middag werd ik wakker, het schild als een deken over me heen, Kuuksi met haar kopje naast me op het kussen.

De sfeer in de weef veranderde daarna. De gemoedelijkheid was weg, we moesten veel harder werken, en nu Tikman de zoon van Fegman was opgevolgd als torenwachter werd er nog meer op ons gelet. Morfam werd baziger, ze kon soms zomaar je borg binnenvallen om te kijken of je wel ijverig met iets bezig was. Ik liet de voorhang altijd open, zodat ik tenminste kon zien dat ze eraan kwam. De enige plek waar je nog een beetje ongestoord kon praten, was op het dak. Al kon Tikman je wel zien. Waarschijnlijk gaf hij zijn moeder een teken als iemand al te lang op het dak zat te praten. Voordien streken de grootuilen alleen neer op de torens van het Palast, maar nu landden ze veel vaker op 'onze' toren, met wie weet wat voor boodschap.

Bo kwam niet vaak meer thuis, hij woonde nu in de wachtersborg bij het Palast. Wij konden hem daar ook niet opzoeken. Mia miste hem ook zo, het leek wel of ze hem sinds ze de waarheid wist niet meer puur als een broer zag. Ik wilde dat niet aanmoedigen, het was immers iets wat niemand weten mocht. Sinds Bo dat gezegd had, dat alle machthebbers van heel Imhenren alles wisten, maakte ik me vaker zorgen. Een man als Hebotva zou toch uiteindelijk zijn wraak willen.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

146 – de begrafenis van Fegman

De begraafplaats van Barraspira ligt buiten de muren aan de noordkant, in die kleine strook land voor de grens met Madzi Osangalala. Ik was er in al die tijd nog nooit geweest, al had ik soms wel een begrafenisstoet gezien, de dode in zijn mat gerold bovenop een zee van mannen, met een zee van weeklagende vrouwen er achteraan. Nu maakten wij weefvrouwen deel uit van die klaagzee, Fegman in zijn mat door vele armen opgetild voor ons uit. Door de poort gingen we, waar Bo stond opgesteld in een rij Palastwachters. We knikten elkaar even toe, verder bleef hij natuurlijk strak in de plooi.

Langs de haven ging de stoet, langs die mooie schepen, ik was zo moe na de doorwaakte nacht dat de schittering van het water me even deed wankelen. Mia en Otta grepen me elk bij een arm, en we liepen door. Langs de koude noordmuur liep een pad dat geleidelijk iets naar het noorden afboog. In een wijde kring van bomen lag de begraafplaats. De stenen waren net zoals in DunKitaba van die speerpunten en van die ogen (al kende men in Barraspira het gebruik van schilden niet), maar hier bleven de vrouwenstenen beter staan in de bemoste grond. Hier ook geen schurende woestijnwind, maar ritselende blaadjes en grootuilen die somber oehoe-den in de bomen.

Fegman junior hield een toespraak en ook Storeman zelf sprak verheerlijkende woorden. Er was weer een man dood die nu zeker mocht verblijven op de Rots bij de Grote Hemren. Daarna dreunden we de geboden op, hier aangevuld met "sluit onze ogen voor het Ronde Pad" wat ook wel nodig was want vanaf de begraafplaats kon je de schaduw duidelijk zien. Het leek zelfs of een deel van de graven er onder lag. Allemaal vrouwenstenen, zag ik. Zouden ze daar Tweede Meisjes begraven?

Thuis wilde ik heel even gaan liggen, maar slapen kon ik niet, de begrafenis had te veel omgewoeld in mij. Ik lag daar, heel stil, en hoorde geritsel. Mijn schild. Het ritselde, of droomde ik dat?

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 4 Reacties

145 – een angstig voorgevoel

Ik kon niet slapen, die nacht. Had Bo maar niets verteld! Wat had Morfam gehoord? Ik droomde van Nuzafam in de Visietunnel, een vrouw vol gaten met in ieder gat een baby van amethist. Ook Mia lag te woelen en te draaien.

Met een angstig voorgevoel zaten we aan het ontbijt, de volgende morgen. Ik wist dat we er allebei over wilden praten, zij met Blufam, ik met Letifam. Maar het zou de andere vrouwen in gevaar brengen, we zouden onszelf al in gevaar brengen als we er nu iets over zouden zeggen. Zwijgend kauwden we op onze broodjes, zwijgend dronken we onze thee. Ik deed er bij ons allebei een drup Helvarderaflu in. Voor het eerst in Barraspira was ik bang.

Toch gebeurde er aanvankelijk nog niets.

De eerste grote verandering – want achteraf was het net zo als in DunKitaba, zo'n aanloopperiode, waar je als je erin zit nauwelijks op bedacht bent, al had ik nu wel meer kennis en levenservaring – was dat onze Weefheer overleed. Fegman junior kwam het met tranen in zijn ogen vertellen. Ogen die intussen wel afdwaalden naar de huwbare dochters in onze weef. Terwijl hij zelf, voor zover ik wist, al lang getrouwd was. Wij murmelden de vereiste woorden. Hemren zij met hem.

"Het betekent," zei hij, met droge ogen, "dat ik jullie nieuwe Weefheer ben. Ik heb jullie lang genoeg van bovenaf kunnen waarnemen om te weten dat er harder gewerkt kan worden. Het moet afgelopen zijn met de buurpraatjes bij de oven of de waterput. Ik zal straks met ieder van jullie de productie doornemen. De nieuwe torenwachter zal nauwgezet verslag doen van jullie activiteiten."

Hij kwam als eerste bij mij, want de overleden Weefheer moest natuurlijk een prachtige dodenmat krijgen, die de volgende dag al af moest zijn.
Gelukkig had ik genoeg van het speciale brede riet in voorraad. Otta en ik werkten er de hele dag en de hele nacht aan. Een grote ronde mat met de letters F en H in het vlechtwerk verwerkt.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 4 Reacties

144 – Bo’s geheim (3)

"Ik stond daar in de hoek en had echt geen idee. Toen voelde ik opeens Kuuksi rondjes draaien om mijn benen en steeds opspringen naar mijn linker hand, nageltjes uit, je kent dat wel, steeds feller tot je eindelijk doet wat haar bedoeling is. Echt zó vals! " Hij liet de kras zien op zijn pols. "Ik trok mij hand los, bijna tot voor mijn gezicht. Ik keek door mijn hand naar de muur, en opeens zag ik de warenmarkt, de Tweede Meisjes, de verte. Ik kon er zo doorheen lopen. Terug bleek het niet te werken, ik moest helemaal omlopen via het Palast, en daar aan de wachters uitleggen hoe ik buiten gekomen was. Met een wachter terug naar het plein, hij liet me pas los toen de dogman mijn verhaal bevestigde. Toen we 's avonds naar bed gingen heb ik erop gelet: verschillende jongens van onze … met wie ik bevriend ben hebben een gat in hun hand. Maar we laten het wel uit ons hoofd om erover te praten."

Even was ik te geschokt om iets te zeggen. Toen schoot me te binnen hoe Fegman destijds had gelogen over mijn wapenrusting, en hoe er toch niets gebeurde toen we de Visietunnel weer passeerden.
"Je moet die leugen dus in de Visietunnel vertellen?" vroeg ik. "Het is echt een test?"
Bo knikte. "Als een koopman de boel bedriegt, op de markt of in zijn winkel, dan kan iemand een wachter vragen om hem mee naar de tunnel te nemen."
Ik vertelde over de wachter met het goud-omrande gat.

"Dat noemen ze een Hemrond," zei Bo. "Want een Hemgat zou te oneerbiedig klinken." Hij grinnikte oneerbiedig, ik moest me inhouden om er niets van te zeggen. "Dat is een gat dat je oploopt in de uitoefening van goede werken, ter ere van, zeg maar. Dan is het geen stigma maar juist een eregat." Hij grinnikte weer, en vergat bijna te fluisteren.
"Maar is het voor jou dan wel een stigma?" vroeg Mia bezorgd.
"Nee hoor," zei hij luchtig. "Ik kan in elk geval Palastwachter worden."
Ik zei: "Wees in Hemrensnaam voorzichtig Bo. Denk aan Nuzafam. Jouw daden … "
Kuuksi sprong op tafel en Bo zei: "Jij past wel op me, hè Kuuks?"
Ze gaf hem een kopje en begon zijn bord uit te likken.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

143 – Bo’s geheim (2)

"We gaan dan met een ploegje jongens die het nog nooit geprobeerd hebben naar het plein. 's Ochtends heel vroeg, voor de markt begint. We gaan naar die hoek waar de Tweede Meisjes verdwijnen, tussen de stadsmuur en de muur van de Visietunnel. Er is niets te zien, geen poort, geen deur, zelfs geen scheur, niets. Ik stond ervoor en hief mijn hand."
Het was zijn linker hand. Hij droeg een rode tuniek, vol wapenrusting, met heel lange mouwen. De mouw schoof naar beneden. Hij had een gat in zijn hand.
Ik schreeuwde het uit: "Bo! Wat hebben ze … wat heb je gedaan?"

"Yifam!" klonk het bij de voorhang. Morfam. Wat moest zij? Hoe lang stond ze daar al?
Ik liep naar haar toe, haakte het zware gordijn opzij en zei: "Ja?"
"Heb jij … heb je nog wat brood over? Tikman is ook thuis en hij heeft … ze hebben altijd honger hè, die jongens?" Ze lachte vriendelijk naar mijn kinderen.
Mia pakte een paar broodjes en gaf ze aan Morfam.
We keken haar na tot ze in haar eigen borg verdwenen was. We lieten de voorhang half open.
"Zie je dat je nergens echt veilig bent?" zei Bo. Hij fluisterde, hoewel dat moeilijk ging met zijn jonge bromstem. Op dezelfde toon vervolgde hij zijn verhaal.

"Het is waar wat ze zeggen," zei Bo. "Als je gelogen hebt, brandt er een gat in je. Ik had afgekeken bij Burman, hij is veel beter in rekenen dan ik. Ik zei natuurlijk dat het niet waar was. En dan neemt de dogman je dus mee naar de Visietunnel en vraagt je te herhalen wat je zei."
"Deed het niet verschrikkelijk veel pijn?" vroeg Mia.
"Ja," zei Bo. "Ik lag echt te janken in bed."
"Dáárom kwam je toen een keer niet thuis," zei Mia. "Toen Burman kwam zeggen dat je ziek was."
Ik kon alleen maar zijn geschonden hand in de mijne houden. Mijn kind! Afblijven!
Zacht trok hij zijn hand los en hield hem voor zijn gezicht.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

142 – Bo’s geheim

Een paar manen later - we zaten weer aan tafel - vertelde Bo ons een geheim.
"Doe maar niet," zei ik aanvankelijk. Het liefst wilde ik niets weten wat me in gevaar kon brengen, wat aan mijn mond kon ontsnappen als ik niet oplette.
Maar Bo keek me streng aan en ik zag dat hij op een bepaalde manier ook iets van mijn vader had, en dat hij nu ook echt de man des huizes was.

"We krijgen onderricht in de verdediging van de stad," begon hij.
"Tegen wie?" vroeg Mia.
"Tegen de verzoekingen van het Ronde Pad?" zei Bo cynisch. Zo leerden ze het blijkbaar.
"De Rondweg," zei ik.
Hij keek me verbaasd aan. "Wat weet jij daarvan, Yimama?"
Ik dacht na. Wat wist ik er eigenlijk van? Behalve dat ik een paar keer in mijn leven de schaduw ervan had gezien? "Niets, eigenlijk," zei ik tegen Bo.
"Wij van de … ik heb gehoord dat het … voor vrouwen is de Rondweg beter dan de Heerweg," zei Bo. "Maar ik wil iets anders vertellen, en zweer dat je er nooit met iemand over praat. Jij ook niet Mia!"
"Natuurlijk niet," zei Mia.

"Als het stadsfeest is, en de Tweede Meisjes uitgezet worden, dan verdwijnen ze opeens, toch? Alsof ze worden opgeslokt door de muur?"
We knikten allebei. Ik dacht aan het potje met het kruisje, aan de beide uitgangen die het me gewezen had.

"Een uitgang kan ook altijd een ingang zijn," zei Bo op een toon die duidelijk een geleerd lesje verried. "Daarom leren wij erover op school. Eén voor een mogen we proberen om die uitgang te vinden. Het lukt lang niet iedereen, en we mogen ook maar één poging wagen. Wie het lukt, mag Palastwachter worden. Het is mij dus gelukt. Niet dat ik per se Palastwachter wil worden."
"Wat wil je dan worden?" vroeg Mia.
"Ik wil alleen maar heel veel weten," zei Bo. "En paardrijden. Maar stil nou."

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 5 Reacties