141 – naar Nuzafam

Ik kreeg meestal zoveel opdrachten van Fegman dat ik ze maar nauwelijks op tijd afkreeg. Het was fijn dat Otta zo'n goede leerling bleek, ze kon al heel veel basiswerkzaamheden van me overnemen. Dodenmatten kon ze al bijna met de ogen dicht maken. Zo had ik tussen de bedrijven door toch tijd gehad om de beloofde draagzak te maken voor Nuzafam, de vrouw die ik had ontmoet op de tocht naar het Dzikomeer. Toen ik hem eindelijk af had, vroeg ik op een vrije dag aan Mia of ze zin had om mee te gaan. Eens een andere weef van binnen zien, dat hadden we nog nooit gedaan doordat zij en Otta als vakleerling binnen onze weef waren gebleven. Bo was met Burman naar de markt, de jongens zouden voor ons koken die avond.

Samen liepen we onder de Visietunnel door, ik vroeg me af of Blufam daar met Mia over praatte, ik merkte wel dat ze haar pas versnelde. Buiten de weef waren we extra voorzichtig met wat we luidop zeiden, alle huizen hadden oren, de mooie, hoge witte huizen van Barraspira, vol met gehoorzame burgers die zichzelf met hun wapenrusting in toom hielden. Zij hadden daar geen Helvarderaflu voor nodig. Ik nam het niet elke dag, maar wel steeds vaker, steeds als ik bij mezelf zo'n cynische, bittere gedachte ontwaarde. En ook wanneer ik de weef uitging.

Langs de hoofdstraat liepen we, tot we bijna bij het Palast waren. Daar sloegen we linksaf naar de weef van Nuzafam. Door het hek zag het er precies zo uit als bij ons: een vierkant van borgen, een wei met een oven en een waterput, kinderen en kippen en geiten.
Ik trok aan de bel. Een oudere vrouw kwam naar ons toe en ik zei dat we voor Nuzafam kwamen.
Haar gezicht verstrakte.
"Die woont hier niet."
"Maar –" zei ik, "ik heb iets voor haar gemaakt, ze vroeg of ik …" Ik hield de draagzak omhoog.
"Ze zit in de Tunnel. Noordkant."
"Waarom?"
"Dat gaat jullie niets aan," zei de vrouw. "Maar laat het een les zijn. Haar zoon pleegde hoogverraad, had zich op de jongensborg bij een verkeerde groep aangesloten. En dan wordt de moeder natuurlijk ook gestraft." Ze zei niets meer maar bleef ons strak aankijken. Toen draaide ze zich om, zonder een woord, en liet ons daar staan, geschrokken en bang, onze gedachten bij Bo.

Thuis vertelden we er niets over, of tenminste niet aan Blufam of Letifam, niet omdat we hen niet vertrouwden maar omdat alles wat je wist gevaarlijk kon zijn. Ook het feit dat wij naar een verraadster hadden gevraagd. Nuzafam, zo blij met haar amethist en haar maansteen. Nu voor eeuwig in die donkere hel.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

140 – het verhaal van Mia en Bo

Ik begon met de korte, simpele versie. Over Dunkitaba, over Hebotva. Over het witte haar dat daar een zonde was. Iets waar ik achteraf nog steeds niets van begreep. Over mijn vlucht via de Zanden. Over Rodvabroer.
En over Mia. Miama.
Ik pakte haar handen en verzekerde haar: "Sindsdien ben je mijn dochter, zo heb ik dat ook altijd gevoeld."
Ze staarde in de verte, ze zei: "Daar komen mijn dromen vandaan."
"Ja," zei ik.
Bo zei: "Dus ik heet eigenlijk Hebotva, en niet Boman."
"Ja," zei ik.
We hielden elkaars handen vast.

Toen zei ik: "Maar je moet dit niet aan de jongens vertellen, Bo. Niemand mag dit weten. Fegman weet het niet, zelfs Storeman weet het niet."
Bo zei meewarig: "Geloof je dat echt? Machthebbers in heel Inhemren weten alles. Eén misstap en ze gebruiken het tegen je." Bitter klonk het ook. Bitter en opstandig. Hij trok zijn hand los.
"Bo," zei ik smekend, "wees voorzichtig."
"Dat zeggen moeders altijd," zei Bo. "Maar dan verandert er dus nooit iets."
Weer kreeg ik dat rare gevoel in mijn hoofd, van dingen die er niet in pasten, die ik niet kon behappen, me niet kon voorstellen. Het woord verandering kwam in mijn denken niet voor. Dingen waren zoals ze waren, in steen gehakt. En tussen die stenen door moest je zo plezierig mogelijk zien te leven.

Het was of Mia ons allebei begreep. Ze zei tegen mij: "Dat zoiets kan, dat mijn zusje – de tranen sprongen in haar ogen – verdronken wordt als een jonge kat, dat is toch … dat is niet goed, Yimama. Ik vind het dapper dat Bo … Maar je moet wél voorzichtig zijn," zei ze tegen Bo. "Wij hebben je nodig."

Hij stond bruusk op van tafel. Het was tijd om terug te keren naar de jongensborg. We keken hem na terwijl hij de wei overstak, gevolgd door Kuuksi die hem bijna deed struikelen. Hij pakte haar op. Over zijn schouder keek ze terug naar Mia en mij. Ik trok Mia tegen me aan. Ze legde haar hoofd op mijn schouder, ze was nu even groot als ik.
Bo verdween door het hek en wij gingen naar binnen.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

139 – wie was mijn vader?

Bo veranderde erg toen hij eenmaal uit huis was. Hij kwam alleen thuis op de vrije dagen, en zelfs dan ging hij voor de nacht terug naar de jongensborg. Hij groeide en ging steeds meer op zijn vader lijken. Of liever op zijn grootvader, want hij had gelukkig niets van het oppervlakkige, ijdele, van zijn vader. Soms zag ik zelfs een glimp van mijn broer in hem, iets stoers en onverzettelijks, en ook de manier waarop hij soms zijn haar naar achteren streek. Zijn spierwitte haar, net zo zilverig als dat van mij.

Toen we op een avond met zijn drieën aan tafel zaten, Bo en Mia en ik, vroeg hij opeens: "Wie was mijn vader?"
Ik herinner me nog dat Mia verbaasd opkeek, dat ze leek te denken 'hoezo, mijn vader, waarom zeg je niet onze vader'?
Ik aarzelde met antwoord geven. We waren alle drie veiliger als ik het niet vertelde. Er was toch altijd die onderhuidse angst, al leek daar geen enkele reden voor te bestaan. Maar angst is wijzer dan redelijkheid.

Bo zei: "Alle jongens weten wie hun vader was, en waarom hij er niet is, dood of anders. Ik weet van de Visietunnel, we krijgen dagelijks te horen hoe het daar is, en voor welke misdrijven je kunt worden opgepakt. Sommige jongens schamen zich voor hun vader, voor hun afkomst, maar anderen zijn trots en denken dat ze … dat ze hetzelfde gedaan zouden hebben. Iets goeds. En dat de straffen onrechtvaardig zijn."
Zijn gezicht gloeide, zijn handen frunnikten aan zijn sjerp.
Mijn hart kromp samen, alsof de grote Hemren het samenkneep in zijn enorme stenen hand.

Mia zat hem gespannen aan te staren.
Ik zei: "Lieve jongen, wees voorzichtig met wat je zegt, met wie je praat. Voor je het weet verraadt iemand je …"
Mia zei zacht: "Ik wil het ook wel weten. Otta … haar moeder heeft het haar pas verteld. Dat ze een tweelingzusje heeft gehad."
Ik had me de laatste dagen afgevraagd of Otta iets onder de leden had, zo stil was ze. Nu begreep ik het. Ik stond op en liep naar boven, waar ik hun kinderkleertjes onder mijn kleren vandaan haalde. Mia had onze kommen al weggehaald, en ik legde de kleertjes op tafel: Mia's grauwe wollen pakje en Bo's rode geborduurde zijden tuniekje en broekje.
Nu moest ik wel álles vertellen.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 4 Reacties

138 – terug naar huis

Nuzafam woonde in de eerste weef aan de rechter kant, ze hoefde niet onder de Visietunnel door, of helemaal omhoog te klimmen door al die straatjes. Ik durfde niet te vragen of ze het niet vreselijk vond om die baby'tjes te maken, misschien had ze geen idee van het echte verhaal daarachter. We praatten wat over onze kinderen, zij had een zoon van Mia's leeftijd die assistent van hun Weefheer wilde worden – dat bleek Stedman te zijn, die ik me nog herinnerde van de overtocht vanuit Wyda Moor.

Toen we de poort door waren, namen we afscheid. Zij sloeg meteen rechtsaf en ik begon aan de klim naar huis. En ik schrijf huis, maar ik weet dat de essentie van dat woord toen veranderd was voor me. Omdat ik van de wereld en de vrijheid had geproefd.
Natuurlijk was ik blij met de blijdschap waarmee Mia me tegemoet liep."Yimama!" riep ze, alsof ze nog dat kleine meisje was, in plaats van een al bijna volwassen vrouw. Ze maakte thee voor me en ik vertelde over de reis. Letifam en Otta kwamen bij ons zitten, ik kon vertellen dat er ook twee grote stukken boomstam meegekomen waren.
Het was goed om weer thuis te zijn, zei ik tegen mezelf. Maar mijn hoofd was vol groene heuvels en glinsterend water.

"Vertrekken er wel eens vrouwen uit de stad?" vroeg ik op een avond aan Blufam. Mia en Otta zaten binnen bij Letifam.
"Heb je de smaak te pakken?" zei Blufam met een lachje. Om dan zonder lach te antwoorden: "Nee. Ze houden ons immers altijd in de gaten. En wie betrapt wordt, mag meteen door naar de Visietunnel, richting hoogverraad."
"Waarom eigenlijk?"
"Machtsvertoon. Controle. Laten zien wie de baas is en dat daar niet aan te tornen valt. En alles onder het mom van onze veiligheid, onze bescherming. Haal je niks in je hoofd, Yifam. Een moeder in de tunnel, dat wil je je kinderen niet aandoen."

Ze had gelijk.
Die avond nam ik voor het eerst, in al die jaren dat ik nu in Barraspira woonde, een drupje Helvarderaflu. Toen ik overeind kwam nadat ik de kluis op slot had gedaan, zag ik Kuuksi de deur uit rennen.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

137 – het Dzikomeer (2)

Met pijn in het hart nam ik afscheid van het Dzikomeer, overtuigd dat ik het vast geen tweede keer zou zien, nu ik eenmaal aan Rietmeisje had getoond welke soorten riet mijn voorkeur hadden. Ook onderweg had ik dat gevoel. De ruisende bossen, al die verschillende vogels die we hoorden en zagen onderweg, de mensen die hier zo anders leefden dan wij in de stad, niet rijker, maar vrijer misschien.

Er werd van alles ingeslagen op de terugweg, onbewerkte stenen, klompjes goud zelfs, schapenvachten, vlas … De mensen hier droegen geen wapenrusting, ze hadden grofgeweven kleding aan in verschillende kleuren. "Bij een blauwe ben je veilig," zei Rietmeisje zacht tegen me. Ze groette de vrouw in het blauw, die ons bosbessensap verkocht. Zij keek nieuwsgierig naar mij. "Dit is Yifam," zei Rietmeisje. Ik boog me opzij naar de vrouw om de beker sap van haar aan te nemen. Ze keek me doordringend aan, alsof ze zich mijn gezicht wilde inprenten.

Een wachter bracht zijn paard naast het onze. Hij snauwde tegen de vrouw: "Geen kletspraatjes."
Onderdanig bood ze hem een beker sap maar hij sloeg het af. "Schiet op," zei hij tegen mij.
Ik dronk mijn beker half leeg, zei tegen Rietmeisje: "Wil je ook?"
"Idioot!" Hij sloeg me de beker uit handen. Water was meer dan genoeg voor Tweede Meisjes.
De vrouw raapte de beker op uit het mulle zand, keek mij nogmaals recht aan, en verdween tussen de bomen.
"Oppassen of ik rapporteer je," zei de wachter dreigend tegen mij.
Ik wist wat dat betekende. In elk geval dat ik nooit meer de poort uit zou mogen, en mogelijk zelfs straf. Ik zou bijna willen dat ik mijn flesje Helvarderaflu bij me had.

Nadat we de Tweede Meisjes hadden afgezet, liep ik in het kielzog van wachters en paarden samen met de ander weefvrouw – Nuzafam heette ze – langs de muren terug naar de grote poort van Barraspira. Zij droeg haar stenen in een zware tas, ze keek jaloers naar mijn draagzak. "Zal ik er een voor je maken?" vroeg ik.
"Graag," zei ze.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

136 – het Dzikomeer

Het meer was onze verste bestemming. Pas op de terugweg zouden we de andere producten meenemen. Ik rook en hoorde het meer voor we het zagen. Rietmeisje keek achterom en glunderde. "We zijn er bijna!" Ze wilde het paard wel aansporen, maar we konden natuurlijk niet voorop gaan. Wachters eerst.

We hielden halt bij wat bijna een klein dorp was, met rietgedekte stenen huisjes. Daar woonden de rietsnijders en de vissers die leefden van dit meer. Ik liep het pad af naar het water, dat glinsterde en murmelde in het late licht, omringd door wuivende pluimen. Heel in de verte zag ik nog een glinstering, dat moest de Helvarderaflu zijn. Ik keek recht tegen de zon in en verbeeldde me dat er een streep voorlangs liep. Dat kon toch haast niet? Kon je hier vandaan de Heerweg al zien? Wat groot was de wereld, voor het eerst in al die jaren besefte ik dat Barraspira, ondanks alle schoonheid en levendigheid, toch ook een soort gevangenis was.

Rietmeisje kwam naast me staan. "Prachtig hè?" Ze schepte water op met haar handen en verfriste haar gezicht.
"Ik dacht dat we zelf riet moesten snijden," zei ik.
Onderzoekend keek ze me aan. "Waar kom jij toch vandaan Yifam?"
"Ik moet dat rietvlechten toch ergens geleerd hebben?" zei ik luchtig. Want er stond alweer een rode mantel naast ons. We moesten het nachtkamp opslaan, we moesten vis bakken en brood. Geen getreuzel of geklets, ze moesten ons onveranderd terugbrengen naar Barraspira.

Ik zag dat de wachter een gat in zijn hand had. Een rond gat, je zou er net een vinger doorheen kunnen steken, omringd met goud. Een enkele keer had ik zo'n gat bij andere mensen gezien, bij kooplui op de markt bijvoorbeeld. Maar omringd met goud? Toen we in de tent lagen, alle vrouwen bij elkaar, vroeg ik het fluisterend aan Rietmeisje. "Dan heeft hij een gevangene naar de Visietunnel gebracht en is geraakt," zei ze.
Geraakt door zo'n sissende druppel.

Vroeg in de ochtend zochten we samen riet uit, van dun tot heel dik. Twee muilezels die zonder berijder meegekomen waren, werden volgeladen. Wat een rijkdom! Zoveel riet had ik nog nooit bij elkaar gezien. Rietmeisje lachte me een beetje uit.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

135 – de expeditie

De volgende morgen bracht Fegman me hoogstpersoonlijk naar het vertrekpunt van de expeditie. Rietmeisje zat al te paard, ik zou bij haar achterop zitten, want zelf kon ik niet paardrijden. Of zou het net zo zijn als met roeien? Als je moet kun je alles?
In elk geval was ik blij geweest toen ik het hoorde, ik had me voorgesteld dat we zouden moeten lopen, of hooguit af en toe op een ezeltje mogen zitten, zoals destijd met Pucima. Maar het Dzikomeer was immers veel verder weg dan de kreek, drie dagreizen, had Rietmeisje die eerste keer gezegd, en het landschap was heuvelachtig met af en toe dichte bossen.

Er reisden nog een paar Tweede Meisjes mee, voor andere producten. Bij een van hen zat ook een weef-vrouw achterop, net als ik herkenbaar aan haar witte tuniek. Zonder wapenrusting konden we natuurlijk niet op reis. Zij maakte visjes uit amethist en babytjes van maansteen. Ik droeg er ook een, omdat dat zo hoorde. Ik wist dat vrouwen geloofden dat ze hielpen om geen Tweede Meisje te krijgen.

Onze kleine stoet werd omringd door in felrode mantels gehulde wachters te paard. Opeens vond ik het een naar idee, om zo ver weg te reizen van de kinderen. Maar onderweg vergat ik dat. Het was heerlijk om de stad uit te zijn, ik genoot van de geuren van bossen, van water, van alles wat ik als kind alleen maar uit verhalen kende. We kwamen langs kleine nederzettingen waar we vruchten konden kopen, of zelfs vlees.
Ik had niet gedacht dat de weg zo probleemloos zou zijn, tot ik me herinnerde dat de hoofdstad van Lopweteka – Harstamar – voorbij het Dzikomeer lag. Aan de overkant van de Helvarderaflu, aan de Heerweg.

Voorbij de Heerweg lag het lege kwartier van Lopweteka, het desolate westen van het land waar niemand woonde, waar je tot aan de Westzee niemand zou tegenkomen. Ik kon me dat als kind totaal niet voorstellen. Hoe kon een land volkomen leeg zijn? Hoe kon zo'n koopvrouw uit Ukufila ons dan bereiken, als ze eerst een half land moest doorkruisen waar niemand je vruchten of vlees zou geven, waar je geen onderdak zou kunnen vinden? Ik had het zelfs aan de Dogman gevraagd. Hij keek me verwijtend aan en vroeg: "Twijfel je aan mijn kennis, Yima?"
Mijn hoofd schudde nee, maar mijn binnenste schreeuwde ja.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

134 – de jongensborg

Wij moeders mochten mee toen de jongens naar de jongensborg gingen, zodat we konden zien waar ze zouden slapen en eten. Er waren twee slaapzaaltjes, een voor de schoolgaande jongens en een voor de ouderen die al aan het werk waren of ergens in de leer. Eten deden ze gezamenlijk, ze leerden zelfs koken, zodat ze eventueel ook voor zichzelf konden zorgen. Vanaf nu moesten ze een speciale sjerp over hun tuniek dragen: zwart, met grote ronde gaten erin die met gouddraad waren afgezet. Mia had hem voor Bo genaaid.

Ik had het gevoel dat ik Bo nu echt uit handen gaf, dat ik nu niet meer kon sturen hoe of wie hij worden zou. Hij zelf deed stoer als altijd, helemaal als Burman erbij was. Alleen het afscheid van Mia leek hem zwaar te vallen. Tegenover haar had hij de laatste tijd echt de rol op zich genomen van de man in huis, van degene die haar beschermen moest, al wist hij niet tegen wat of wie. Of dat dacht ik tenminste, wie weet wat kinderen horen en weten.

In elk geval had ik nu de handen vrij om naar het Dzikomeer te gaan. Fegman vroeg en kreeg dispensatie voor me. Ik liet Mia achter onder de hoede van mijn buurvrouwen, pakte mijn draagzak in met warme kleren voor onderweg, gedroogde vruchten, brood en harde kaas … ik dacht er zelfs even over om mijn schild mee te nemen. Ik trok het achter de waskast vandaan. Mia zat op haar bed en keek toe, voor zover ik wist had zij het sinds onze aankomst hier niet meer gezien. Het was stoffig geworden en het ritselde van droogheid. Ik legde het op mijn bed en vouwde de paneeltjesbloem open. Langen San en Schorre Clif ontbraken, maar de rest was nog intact.

"Wanneer heb je dit gemaakt?" vroeg Mia. Even was ik in de verleiding om haar alles te vertellen. Maar het was niet verstandig.
"In mijn leertijd," zei ik. "Bij ons in Registana mocht je allerlei vakken en technieken uitproberen. Ik heb van alle landen een paneeltje gemaakt." Ik noemde de namen, Mia kende ze natuurlijk van school.
"En waarom zijn deze eraf?"
"Die heb ik onderweg aan iemand gegeven," zei ik. Wat herinnerde zij zich nog van die reis? Waarschijnlijk niets. Ik vouwde de paneeltjes weer dicht, knoopte ze vast, en schoof het schild weer achter de kast. Ooit moest ik Mia de waarheid vertellen, maar niet nu.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

133 – vakleerlingen

Ik hoopte dat Mia rietvlechter wilde worden, maar zij wilde liever kinderkleertjes maken, zoals Blufam. Haar gezichtje gloeide van enthousiasme toen ze me dat vertelde, en ik dacht aan de dag waarop ze in mijn leven kwam en ze zo straalde omdat ze grote zus geworden was. Ik had het pakje dat ze toen droeg altijd bewaard, en ik vroeg me af of ik het haar moest laten zien. Misschien was nu de tijd om haar over haar afkomst te vertellen. Of zou het niet verstandig zijn? Hoewel ik me al lang niet meer onveilig voelde, was het misschien toch beter dat niemand wist dat Mia niet mijn dochter was. Ik stopt het pakje terug onder een stapeltje van mijn eigen tunieken. Bo's prinsenpakje lag daar ook.

Tot mijn verrassing leek mijn vak Otta wél wat. Ze kwam het verlegen aan me vragen. Letifam zat voor haar borg te werken, ze lachte en knikte naar me. Ik vond het heerlijk om mijn vakkennis over te dragen, ik dacht aan mijn tijd bij Pucima.
Als vakleerling mocht Otta met me mee naar de warenmarkt. De eerste keer was ze zó stilletjes.
"Wat is er?" vroeg ik, terwijl we langs de rommelige verzameling kramen liepen, op weg naar Rietmeisje.
"Ik wist niet dat het zo was," zei ze, haar hoofd gebogen. "Op school leren we dat de Tweede Meisjes onmisbaar zijn, ik dacht dat ze hier mooie pakhuizen zouden hebben …"
"Tweede Meisjes zijn onmisbaar én ongewenst," zei ik. "Overal waar ik geweest ben …" Nee, dat moest ik niet zeggen, ik dacht aan haar tweelingzusje. Otta keek me vragend aan. "Nee," zei ik. "Hoe minder je weet hoe beter het is."

Het was de strategie van de gesloten ogen. Ik had zolang we in Barraspira waren nooit weer in het potje met het ronde teken gekeken, maar dat was ook niet nodig. Met gesloten ogen bleef je in elk geval in leven, en kon je binnen je mogelijkheden toch een fijn bestaan hebben. Ik keek ook niet meer omhoog naar de schaduw.
Rietmeisje vroeg: "Je dochter?" En toen ik zei: "Nee, mijn vakleerling, Otta," straalde het kind van trots. Ik moest ook haar niet in gevaar brengen. Ik hoopte maar dat Blufam net zo voorzichtig met Mia zou omgaan.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 4 Reacties

132 – Wispelerflu

Aan Letifam vertelde ik op een avond wel over het flesje Wispelerflu dat ik had gekocht. Het was warm, de kinderen lagen al in bed maar of ze ook sliepen? We praatten zachtjes.
Letifam keek me met grote ogen aan en lachte.
"Heb jij het weleens gebruikt?" vroeg ik nieuwsgierig.
De lach verdween en verscheen op haar gezicht, alsof het een heerlijke herinnering was. Ze knikte.
"Wat doet het?"
"Lichtzinnig word je ervan. Je krijgt zin om te dansen, je hoort liedjes in je hoofd."
"Liedjes?" Ik wist niet meer wat liedjes waren. Ik kende alleen getrommel, of het opdreunen van rijtjes: letters, plaatsnamen, geboden.
Heel zacht kwam er iets van muziek uit Letifams gesloten mond. En opeens wist ik weer dat ik ooit gezongen had voor Bo, toen hij pas geboren was. "Kleine Bo'tje wilde varen, in een bootje over de baren, over de grote, woelige zee, Bo'tje neem mij met je mee …"

"Maar je moet er voorzichtig mee zijn," waarschuwde ze me toen. "Je krijgt er ook … je wordt er … dat je naar een man verlangt."
Dat was iets waar ik maar zelden aan dacht. Die eerste fijne weken met Hebotva, hoe ik ervan genoten had … Meestal rolde ik 's avonds doodmoe mijn bed in. Soms droomde ik … en dan had mijn minnaar het gezicht van Liduva, zijn ogen schitterend als parelmoer.
"Zou jij weer willen trouwen?" vroeg ik aan Letifam.
"Niemand wil mij nog hebben," zei ze kort.
Het was een ontnuchterend besef. Er was ook niemand die mij zou willen hebben. Of het moest de zoon van Fegman zijn, bedacht ik cynisch. Maar dan alleen als tussendoortje.

De kinderen van de zeven weefs – de onze was de middelste – werden door bemiddeling van de grote kooplieden aan elkaar uitgehuwelijkt, want voor de smetteloze kinderen van Barraspira waren ze geen goede partij. Weigeren was geen optie, ze moesten blij zijn dat hen de mogelijkheid tot een normaal leven werd geboden. Naarmate de jaren verstreken moest ik daar steeds vaker aan denken. Ik praatte er wel over met Letifam, vooral toen onze meisjes klaar waren met school en weer thuis kwamen wonen om een vak te leren. Nog even en Burman en Bo zouden verkassen naar de jongensborg, en alleen nog thuiskomen op de dagen dat er geen school was.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen