170 – wie is er gevlucht?

Ik gaf het potje zalf terug aan Sisifam. Waarom zat zij hier? Waarom oogde zij minder zwak, minder mager, minder vuil dan wij allemaal en zag ik dat nu pas? Maar ik zei: "Dankjewel," en rolde op mijn zij, mijn rug naar Blufam toe.
Toen ik er zeker van was dat Sisifam sliep – of zo zeker als ik kon zijn in de duisternis – sloop ik naar de emmer aan het eind van de gang. Gladefam had rood haar dat zelfs in deze viezigheid nog rood bleef. Heel zacht raakte ik haar been aan. Ze schoot geschrokken overeind. "Kom," fluisterde ik. Ze volgde me naar het eind van de muur.

Ik vroeg het maar meteen: "Wie is er gevlucht uit Registana?"
"Een oppervrouw met de erfgenaam," fluisterde Gladefam. "Ze wordt gezocht."
We konden elkaar nauwelijks onderscheiden maar ik voelde hoe ze me aankeek.
"Jij?"
"Ja."
"En je zoon?"
"Ontsnapt."
We hoorden de deur aan het begin van de gang. Gladefam kroop snel terug op haar matras, ik liet me op de emmer zakken. Na me met veel geritsel te hebben afgeveegd, liep ik snel terug naar mijn eigen slaapplek. Ik kwam niemand tegen. Het bed naast dat van mij was leeg.

Ik wilde nu maar op één vraag antwoord: wanneer? Ik had nauwelijks gelegenheid om het nog eens aan Gladefam te vragen, en het leek wel of er met opzet voor gezorgd werd dat zij en Geruman elkaar niet meer te spreken kregen. Sommige mannen zaten om een vleierig praatje verlegen en sommige vrouwen vonden dat leuk. De leefregels van Barraspira waren hier snel afgelegd, hoe vroom we onze gebeden ook opzeiden voor de maaltijd.

Maar elke avond sprak Sisifam wel met Zaloman, terwijl Blufam zelden aan de beurt kwam. Ik zag haar wegkwijnen, mijn stoere Blufam die me in de weef altijd zo ferm had bijgestaan. Was het de herinnering aan het idee van Zaloman geweest, die haar overeind hield? Nu leek hij nauwelijks meer in haar geïnteresseerd. Zijn hand kreeg ik niet weer te zien, maar ik wist zeker dat ik het me niet verbeeld had.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

169 – het gesprek bij de muur

In de avond was er weer het gebruikelijke gesprekje bij de muur. Ik had me niet eerder gerealiseerd dat Sisifam meestal naar het gat kwam als Zaloman aan de andere kant stond. Nu Blufam er was, had ze vaak geen gelegenheid om iets tegen hem te zeggen, omdat dan de andere mannen Zaloman verdrongen.

Zaloman vroeg nu vaak algemene dingen aan Blufam, zo van: "Is er nog iets bijzonders aan jullie kant gebeurd?" Of: "Hebben jullie nog geschenken ontvangen?"
Blufan was nog steeds ontzettend zwak en te erg geschokt om helder antwoord te kunnen geven. "Nee," fluisterde ze dan. "Nee, dat denk ik niet."
Dan zei Zaloman wel vriendelijk "ga maar gauw liggen liefste," maar ik hoorde het ongeduld in zijn stem.

Een andere man die regelmatig voor het gat verscheen, heette Geruman. Ook zijn vrouw (of misschien zijn zus) zat in de Visietunnel, haar plaats was bijna aan het eind, vlakbij de emmer en de deur. Ze heette Gladefam. Omdat mijn plaats vlakbij het gat was, kon ik vaak wel iets opvangen van hun gefluisterde gesprekjes. Toen Blufam aan Sisifam vroeg of ze nog een beetje zalf mocht voor haar voet, viel die uit: "Stil!" Alsof ook zij niets wilde missen van het gesprek. Wel gaf ze mij het potje zalf, en ik smeerde het op Blufams voet, die er nog steeds pijnlijk ontstoken uitzag.

Intussen ving ik hier en daar een woord op uit het gesprek van Gladefam en Geruman. "… schijnt ontsnapt te zijn … Registana … gelegenheid … "
Sisifam duwde Gladefam opzij en siste: "Zaloman!" Toen hij verscheen hoorde ik alleen " … wanneer …"
Zijn antwoord kon ik niet verstaan. Hierna werd de steen teruggeschoven.

Met Blufams handen ging het beter. Toen ze ze naar mij uitstak, zag ik opeens hun beider handen voor me, van Blufam en Zaloman, die eerste begroeting. In de linkerhand van Zaloman zat een Hemrond. Zo'n goudomrand gat dat duidde op diensten voor de machthebbers, zo had Bo het ons uitgelegd. Zou Blufam dat weten? Hoe kon hij dan toch in de Visietunnel beland zijn? Waarom had Zaloman zo specifiek naar Bo gevraagd?

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

168 – visioen

Ik kon het aan niemand te vertellen. Het zou hen in gevaar brengen en mij mogelijk ook. Was er echt nog nooit iemand uit de Visietunnel ontsnapt? Waarom heette het eigenlijk de Visietunnel, omdat je er opgesloten werd vanwege een foute visie? Op wat, op de grote Hemren? Op de Heerweg? Op de Rots? Stel dat ik kon ontsnappen, moest ik dan de anderen hier laten zitten? Moest ik in elk geval Blufam en Sisifam redden? Waren de mannen ook met ontsnappingsplannen bezig? Hadden zij hetzelfde voor ogen als ik? Zou Zaloman wraak willen om wat ik Blufam had aangedaan? Zouden er werkelijk mannen bestaan die inzagen hoe onrechtvaardig er in Inhemren met vrouwen werd omgegaan?

Volgens Bo wel. Verzetsgroepen, had hij ze genoemd. Ook Rietmeisje had ervan gesproken, daarom zou Mia naar Harstamar gaan. Volgens Blufam had ook Zaloman zich daarvoor ingezet, dat was immers waarom hij gevangen zat. Maar vertrouwen deed ik hem niet.
Ik was blij toen het licht werd en mijn vragenhoofd rustiger werd door Helvarderaflu.
Ik spon en spon en zweeg en zweeg en dacht en dacht. Elke keer als de deur openging schrok ik, bang dat Hebotva hier binnen zou lopen en mij uit de rij zou halen. Als hij me tenminste zou herkennen, zoveel jaren ouder en zo mager en vuil. Maar Bo was gered! Toch? Ook daar kon ik niet zeker van zijn.

Waarom bleef het woord Visie zo aan me knagen?
Visie … visioen … ik dacht aan mijn schild en hoe de paneeltjes verschoven, destijds op Langen San. Kort keerde hetzelfde visoen naar me terug, ik zag me weer lopen, bergen zag ik, meren, rivieren, ijzige vlakten en donkere bossen. En wat ik toen niet zag maar nu wel: een hand met een gat. Een munt van mijn muntjesdoek kleefde schrijnend aan mijn huid. Toen ik hem lostrok zag ik een bloedend kruisje.
"Wat is er?" vroeg Sisifam.
"Oh niks," zei ik. "Een zweertje."
"Laat eens kijken, misschien heb ik er wat voor."
"Nee joh, gaat wel weer over."

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

167 – Murmerflu (2)

Ik peuterde het flesje uit mijn matras en deed een drup in mijn mok. "Wil je ook?"
Sisifam hield haar beker bij maar zette hem vlug terug op de grond, want er ging alweer een deur open. Een bewaakster – niet Morfamzus ditkeer – liep langzaam door de vrouwengang, haar ogen gespitst op ongewone voorwerpen. Aan een veter om haar nek hing de sleutel die ze gebruikt had om binnen te komen. Zou die ook op de tussendeur passen? De deur tussen de mannen- en de vrouwengang?

Ze bleef voor mij staan. "Jouw gedachten staan me niet aan," gromde ze.
Ik probeerde uit alle macht om aan lichte, mooie dingen te denken. Aan het meer met de vogels, aan de kreek … en hoopte dat mijn gezicht die zou weergeven.
Het was een les: Murmerflu werkt, maar ze kunnen het aan je zien. Ik moest dubbel oppassen nu. Ik spaarde al een hele tijd eindjes garen. In de avond, voor het slapengaan, vlocht ik ze in elkaar en voelde met mijn handen hoe sterk het werd. Mijn handen werden moordzuchtig van Murmerflu, de hand met het gat kromde zich tot een klauw.

Het duurde een aantal dagen voor ik weer een drupje durfde te nemen. Mijn hoofd werd er druk van, ik kon niet slapen en lag vol onuitgekookte plannen omhoog te kijken, naar de vale lichtboog boven mijn slaapplaats. Toen verscheen er opeens het silhouet van een kattenkopje, ik schreeuwde het bijna uit: Kuuksi! Ze mauwde zacht, ze was het echt. Vanaf het dak zakte een draad naar beneden met een scherfje eraan. Er stond iets op gekrast in letters van roet, ik kon ze lezen doordat de maan net onder de schaduw door scheen. HEBOTVA BURMAN.

Wat moest ik doen? Hoe kon dit? Nee, nee, het mocht niet, hij mocht me hier niet vinden … radeloze gedachten buitelden over elkaar heen. Ik moest antwoorden, maar ik had niets om mee te schrijven, er paste ook niets meer bij op het scherfje. De draden om mijn nek leken me te verstikken … ik voelde mijn muntjesdoek.
In het schemerdonker trok ik er een munt af. Zou het genoeg zijn? Zou Burman het snappen? Ik kraste met de munt een Y achterop het scherfje, ik knoopte de munt met de rafels rode stof aan het touw en fluisterde omhoog: "Kuuks! Neem het mee!"
Weer een antwoordmauwtje, toen trippelde ze weg over het dak, het touw met het scherfje en de munt achter zich aan slepend.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

166 – Blufam en Zaloman

Ik verlangde zo naar mijn kat dat het bijna pijn deed. En trots voelde ik me ook.
"Burman is ontsnapt, en Kuuksi ook. Maar Morfam had natuurlijk wel in de gaten dat ik … zij en Tikman hebben me samen naar de tunnel gebracht. Of ik wist waar Burman was. Of ik wist waar Mia en Bo waren. Natuurlijk wist ik het niet, maar kennelijk is het al een leugen als ze je ervan verdenken."
Doodmoe en slap hing ze in mijn armen. Ik rolde haar bed uit en legde haar te slapen. Er was nog een leven lang tijd om met Zaloman te praten.

Dat gebeurde de volgende avond. Toen de steen uit de muur geschoven was, ging Blufam voor het gat staan. Ze stak haar handen erdoor, aan de andere kant pakte Zaloman ze voorzichtig vast. Ik geloof dat ze niet eens iets tegen elkaar zeiden, er was alleen maar die intense aanraking, Blufams rug sidderde ervan, ze kon haast niet op haar benen staan. Toen ze bijna in elkaar zakte, ving Sisifam haar op. Ik ging voor het gat staan en vertelde kort aan Zaloman wat er gebeurd was.
"Jouw schuld dus?"

"Als je het zo wilt zien, ja." Maar in feite de schuld van Morfam, van alle Morfams van deze wereld, die voor eigen gewin heulden met de vijand die de schuld van alles was. Wie was die vijand? Alle leiders van Inhemren? Mochten Morfam en Tikman eigen rechter spelen zonder toestemming van Storeman? Iets van de oude, opstandige Yima herleefde in mij. En ik besefte ook dat het aan mij was om … wat, te ontsnappen? Hoeveel mensen hadden dat voor mij geprobeerd?

Als ik maar wist hoe ik de andere uitgang kon openen!
Als ik maar wist hoe ik de gedweeheid van Helvarderaflu kon tegengaan!
Ik vroeg het aan Sisifam. Het was een risico, ze zou me net zo goed meteen kunnen verraden. Maar dat deed ze niet. Ze keek me weer zo oplettend aan, ze zei: "Zou het helpen om Murmerflu te nemen?"

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

165 – Kuuksi leeft?

"Toen jullie weg waren, heeft Otta je kat opgeraapt. Wonder boven wonder was ze niet dood. Otta heeft haar verzorgd, ze was zó lief voor dat beestje." Blufam wilde met haar geschonden hand over haar ogen wrijven, snel trok ik hem weg.
"Kuuksi leeft?"

"Ik hoop het," zei Blufam. "Op een gegeven moment was ze zo ver opgeknapt dat ze een beetje buiten kwam scharrelen. Net op een moment dat Morfam langsliep. Meteen commentaar natuurlijk, zo van: heb jij je werktijd aan dat beest besteed? Otta antwoordde niet. Ze wilde Kuuksi oppakken maar die ontsnapte en liep de wei in. Morfam er achteraan, ze riep naar boven: Tikman! Ik zat op het dak, ik zag hem verschijnen. Met pijl en boog. Ik riep Otta, zij rende achter de kat aan, Tikman mikte, schoot mis, Hemrenzijdank, maar toen …"

Ze moest even op adem komen. Of zichzelf bij elkaar rapen. Of wat een mens ook moet doen om verschrikkingen onder woorden te brengen.
"Hij riep een uil. Een grootuil."
Ik dacht aan wat Pauma had gezegd, destijds op Schorre Clif. Dat de grootuilen nog nooit een mens kwaad hadden gedaan. Ik voelde nog die verrukking van het zweven door de lucht.
"Weet je hoe groot ze zijn?"
"Ja," zei ik.
"Hij zette zijn klauwen in Otta's schouders, ze schreeuwde, hij vloog met haar omhoog, cirkelde rond, en op een teken van Tikman liet hij haar vallen. Midden op de wei. Een doffe klap. Dood.
Letifam rende naar haar toe, knielde bij haar neer. Nu schoot Tikman wel raak."

Ik nam haar in mijn armen en huilde met haar mee.
Waarom? Waarom?
"En waarom zit jij nu hier?" fluisterde ik.
"Die avond kwam Burman. Zijn moeder en zijn zus lagen in matten gerold op de wei, hij wist nog helemaal niet wat er gebeurd was. Ik riep hem bij me, ik moest het vertellen. Je moet weg, zei ik tegen Burman, je moet nu de stad uit. Ik had nog een flesje Graysaflu, ik heb het hem helemaal laten opdrinken. Toen hij haast helemaal doorzichtig was, kwam Kuuksi binnenwandelen. Hij pakte haar op en wilde met haar de weef uitlopen. Maar natuurlijk stond Morfam weer op het goede moment bij het hek, zij zag alleen de kat en begreep wat ze zag. Kuuksi viel haar aan, wat is het toch een heldhaftig beest!"

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 7 Reacties

164 – Blufam

Nuzafams matras bleef een flink aantal dagen leeg. Soms werd ik midden in de nacht wakker doordat er iemand naast me kwam liggen – Morfamzus. Ik was als de dood dat er weer iets vanaf het dak op me neergegooid zou worden maar dat gebeurde gelukkig niet.

Op een nacht werd er een nieuwe gevangene binnengebracht. Ze was er nog erger aan toe dan ik die eerste nacht zag ik, mijn ogen half dichtgeknepen. Geschopt, geslagen, mishandeld, haar grijze gewaad vol bloedvlekken. Gaten in beide handen en in een voet. Als een baal vodden werd ze op de matras gesmeten. Toen de voetstappen en het licht van de wachters verdwenen waren, de deur was dichtgeklapt, maakte ik zacht Sisifam wakker. Ik legde een hand op haar mond om te voorkomen dat ze schreeuwen zou.
"Een nieuwe, naast me," fluisterde ik. "Zalfje?"
Sisifam grabbelde onder haar matras en gaf het me slaapdronken aan.

Op de tast zocht ik een van de handen van mijn nieuwe buurvrouw. Ze kreunde van pijn.
"Sssttt," fluisterde ik. Ik wreef voorzichtig met de zalf langs de rafelranden van het gat. Zocht haar andere hand, smeerde ook die wond met zalf in. Langs haar benen gleed ik met mijn handen, tot aan de gewonde voet. Nu schreeuwde ze het uit van pijn. "Sssttt," zei ik weer, en dacht intussen 'ken ik die stem'?
Ik viel gelukkig nog weer even in slaap, en zij ook.

In de ochtendschemer kon ik mijn ogen niet geloven: het was Blufam. Ze keek me aan met ogen groot van ongeloof, een soort blijdschap, maar toch vooral heel veel verdriet en pijn. Wat had ze gedaan om drie gaten te verdienen? Dat moest wachten. Eerst moest ze overeind komen, water en brood in ontvangst nemen, leren spinnen. Dat laatste bleek ze al te kunnen, logisch achteraf, zij als naaister. Maar met twee gewonde handen ging het vreselijk langzaam, dus Sisifam en ik sprongen bij en ook de vrouw aan Blufams andere kant deed een stukje.
Pas toen de waterton van het avondeten was weggehaald, vertelde ze me hakkelend het hele verhaal.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

163 – de zoon van Nuzafam

Ik begreep oprecht niet wat Morfamzus bedoelde.
"Schijnheilig wijf, je hebt toch wel iets om mij mee te plezieren? Zo'n prinsesje als jij?" Ze kwam vlak voor me staan en frunnikte met haar smerige vingers aan de halslijn van mijn gewaad.
"Zal ik het scheuren? Net als je mooie witte tuniekje?"
"Nee, wacht," zei ik. Ik trok de gouden ketting onder mijn muntjesdoek vandaan en deed hem over mijn hoofd.
Ze griste hem weg. "Als ik het niet dacht, prinsesje van me. En die lap?"
"Die is van mijn moeder geweest," zei ik zo meelijwekkend mogelijk.
Morfamzus grijnsde. "Dan bewaren we die voor de volgende keer." En ze vervolgde haar inspectietocht.

Het geschenk van de grootuil – was het een cadeau of een verraderlijke truc? - was blijkbaar aan de mannenkant gevallen. Er klonk een afgrijselijk geschreeuw, gevolgd door een doodse stilte waarin alleen een slepend geluid te horen was.
Pas toen de werkgeluiden weer begonnen waren vroeg ik aan Sisifam: "Wat doen ze met de doden?"
"Ze laten ze liggen tot ze beginnen te stinken."
Ik dacht aan de smerige lucht die die eerste nacht uit mijn matras opsteeg.
"Dan dumpen ze ze op het kerkhof."
"Komen ze dan hier … langs ons?"
"Nee." Sisifam keek me even oplettend aan. "Nee …"

Die avond kwamen we aan de weet dat het Nuzafams zoon was die ze hadden gedood. "Maar het geschenk is veilig," voegde de man die het doorgaf er aan toe.
Nuzafam schreeuwde het uit. "Wat kan mij dat schelen! Hij is dood! Mijn jongen!"
Sisifam en ik probeerden haar te kalmeren terwijl andere vrouwen de steen snel terugschoven in de muur. Nog geen tel later ging de deur open. Een mannelijke bewaker stapte onze afdeling op, trok de huilende vrouw uit onze armen en sleepte haar mee naar het eind van de tunnel. Haar gejammer verstomde acuut.
We moesten onze behoefte doen daar waar zij lag, haar keel doorgesneden, na een dag krioelend van ongedierte. Op de ochtend na de derde nacht was ze verdwenen.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 3 Reacties

162 – Murmerflu

De hele dag dacht ik tijdens het spinnen aan mijn droom. Aan Storma, aan het touw. Aan het eind van de dag haalde ik twee el van mijn gesponnen draad af en knoopte het om mijn hals. Onder de muntjesdoek, bij de ketting die ik nog altijd droeg.

Ik had aanvankelijk niet echt begrepen wat Sisifam bedoelde, toen ze zei dat het zalfje haar via het dak bereikt had. Op een nacht viel er iets op mijn hoofd, het deed gemeen zeer! Het was een flesje met een stop erop. Pas toen het licht werd, zag ik dat er een M op stond. In gedachten ging ik de flesjes van Storma na … het moest Murmerflu zijn. Ik wist nog steeds niet waar dat voor diende. Gauw stopte ik het in de zak van mijn broek.

Toen het ontbijtritueel achter de rug was en de tunnel gevuld was met het gebonk van vlasbraken, vroeg ik zacht aan Sisifam: "Wat is Murmerflu? Weet jij dat?"
"Moordwater," zei ze. "Hoe kom je daar zo opeens bij?"
Ik trok mijn gewaad omhoog en liet de dop van het flesje uit mijn broekzak piepen. "Kwam vannacht."
"Heb jij hulp?"
"Niet dat ik weet," zei ik. Hemren mocht weten wat er met Mia en Bo gebeurd was, en in elk geval waren ze nu ver van hier. Verder had ik niemand.
"Het maakt hard en gewetenloos," zei Sisifam. "Misschien moet je het aan Zaloman vertellen, vanavond."

Onze handen werkten door, de spintollen draaiden en zoefden, gebonk klonk van de andere kant, er werd gehoest, een heel enkele keer hoorde je geroep van een vogel op het dak. Nog zeldzamer was het geluid van een grootuil. Juist nu landde er eentje met een oorverdovend oehoe op de tunnel. Ogenblikkelijk ging de deur aan het begin van de tunnel open. Bewakers liepen dan bij ons langs om te kijken of we iets gevangen hadden. Ik duwde het flesje achter mijn bedrol. Morfamzus had deze keer dienst. Tergend langzaam liep ze bij alle vrouwen langs. Bij mij stopte ze. Ze keek me sluw aan.
"Wat is het je waard?"

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 5 Reacties

161 – alles went

Ik weet niet hoeveel dagen er zo verstreken. Ze waren allemaal gelijk. Alles went, zelfs gevangen zitten in een schemerige, stinkende tunnel, jezelf zo vies voelen, en hongerig, zwak, suf, wanhopig op een doffe, berustende manier, geen uitweg zien en daar ook steeds minder aan denken, een monotone brij van schemerige dagen en pikdonkere nachten.

Alleen in mijn dromen dacht ik aan Mia en Bo, aan het mottige lijfje van mijn dode Kuuksi. Van mijn broer droomde ik, van Vulema, en op een nacht van Storma. Ik zat weer naast haar, ze keek me vanaf haar bed vermanend aan. Ze wees naar de kist waar haar toverspullen in zaten. Deze keer was hij niet gevuld met potjes en flesjes, maar met een grote kluwen touw. Ik trok eraan, probeerde het begin te vinden, en opeens kronkelde het zich, als een bezworen slang, naar het dak, naar de punt in de hoge koepel, waar het zich doorheen slingerde alsof het werd opgeslurpt.

Ik werd wakker doordat Sisifam me heen en weer schudde. Snel rolde ik mijn bed op en ging in de houding staan met mijn mok. "Grote Hemren, dank voor onze rijkdom. Grote Hemren, sluit ons de ogen voor het Ronde Pad." Zodra ik water en brood had gekregen, snelde ik naar de emmer, de grote, onzegbaar gore emmer aan het eind van de tunnel. Het eind waar aan de andere kant van de muur de begraafplaats lag. De tussenmuur eindigde daar, er was een deur, waarschijnlijk stond de emmer voor de mannen daar achter.

De emmer werd iedere nacht geleegd – hij was nu nog bijna leeg – en terwijl ik erop plaatsnam bedacht ik dat ik nog nooit iemand langs had zien of horen komen in de nacht. Dat moest ook haast niet te doen zijn als hij vol was. Zou hij aan deze kant geleegd worden? Ik keek naar de muur maar zag er niets bijzonders aan. En toch … ik stond op, veegde mezelf af met wat bladeren, en keek nogmaals. Ik hief mijn rechterhand en keek door het gat. Verbeeldde ik het me? Zag ik heel even bomen en grafstenen?
Ik hoorde dat de vlasstokken werden uitgedeeld. Vlug liep ik terug naar mijn plek.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen