179 – naar de Rondweg

Maar natuurlijk. Zo ver kon de schaduw niet zijn, we waren pas een paar uur onderweg. Wel moesten we dan de grote weg naar het Dzikomeer kruisen, maar verder moest het te doen zijn.
Er waren genoeg kleine stroompjes in het bos om onze dorst mee te lessen, maar honger kreeg ik zo langzamerhand ook. Ik had geen geld meer, geen gouden kettingen … vrij en licht was ook arm en licht.

We bogen af in de richting van de Rondweg. Nu we geen pad meer volgden moest ik wel beter uitkijken waar ik liep. Burman had laarzen aan, hoge laarzen van soepel leer. "Van Blufam gekregen," zei hij, toen hij me zag kijken. "Waren van Zaloman geweest."
Wist Burman dat Zaloman een verrader was? Moest ik dat vertellen? "Heb je een plan?" vroeg ik maar zo achteloos mogelijk.
"Ik wil Otta zoeken," zei hij.
Het duurde even voor ik het begreep. De andere Otta, zijn tweede zusje.

"Wat weet jij van Ukufila?" vroeg hij.
Ik vertelde van de koopvrouw, van mijn muntjesdoek. Zou Ukufila het vrouwenland zijn waar Storma het over had gehad? Ik wist het niet. Maar hoe dan ook moesten we eerst Harstamar zien te bereiken, daar waren we het over eens.
"Jij moet schoenen hebben," zei Burman. "En we moeten aan eten zien te komen. Ik heb wat geld, dat had Blufam uit onze kluis gehaald voor Morfam de borg leeghaalde. En ik heb een mes." Hij had het in zijn laars verborgen, en het geld droeg hij in een buideltje om zijn nek.
Hij was een man geworden. Wat had hij gedaan in de weken dat Blufam gevangen zat?

"Waarom ben je hier gebleven?" vroeg ik. "Waarom ben je niet meteen weggevlucht?"
"Dat komt door Kuuksi," antwoordde Burman glimlachend. "Die eerste avond ben ik de poort uit gevlucht en heb geslapen in het kamp van de Tweede Meisjes. Die zeiden ook allemaal: maak dat je wegkomt van hier. Maar toen ik wegliep, kwam Kuuksi me voor de voeten lopen, ik struikelde gewoon over haar. Ze dwong me de andere kant op, naar de begraafplaats. Daar staat een hutje, met scheppen en steenhouwersgereedschap enzo. Daar vond ik onderdak."

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

178 – weet jij de weg?

Daar liepen we in het vroege morgenlicht. Het was een wonderlijke ervaring. Niet alleen waren er opnieuw mensen gedood om mij, ik was nu zelf een moordenaar. Mijn eigen handen hadden iemand vermoord. En tegelijk ademde ik met gretige teugen de vrije, frisse lucht in, de geuren van het bos en het mos, ik liep op blote voeten en voelde me zo vrij en licht, ik dacht helemaal niet aan mijn kinderen of aan het leed van de jongen naast mij, ik was een levend organisme, een bloem die zich naar de zon keerde, een boom die boven andere bomen uitgroeide. Het was een prachtige dag, dat weet ik nog heel goed, het bos was vol vogelzang en geruis van blaadjes en water. Voor ons uit huppelde Kuuksi, zij leek wel net zo opgetogen als ik.

Toen vroeg Burman: "Weet jij de weg?"
Mijn zwevend-vrolijke geest daalde terug in mijn lichaam.
De weg. Waarheen?
"Wacht op mij in Harstamar."

Ik wist helemaal niet of Mia daar was, of Bo met haar mee gegaan was. Of ze het gered hadden. En in elk geval moesten we niet dezelfde weg nemen als die naar het Dzikomeer. Die was veel te open en te rechtstreeks, er waren vast boodschappers gezonden naar de hoofdstad. Ik probeerde me weer de kaart van Inhemren voor de geest te halen. Waarschijnlijk hadden we tot nu toe in noordelijke richting gelopen, maar dat was geen goed idee. Dan zouden we op een gegeven moment bij de grens komen, de streng bewaakte grens met Madzi Osangalala, het land van de Wispelerflu.

"Nee," zei ik tegen Burman. En zonder te weten hoe of waarom vervolgde ik: "Zullen we de Rondweg opzoeken?" Ik herinnerde me opeens wat Bo gezegd had: "Voor vrouwen is de Rondweg beter dan de Heerweg." Zou Burman dat ook weten?
Burman knikte. "Wacht," zei hij. Hij keek omhoog, liep een stukje verder, en klom toen in een hoge boom. Ik had niet verwacht dat hij zo lenig was, in een mum van tijd zat hij bovenin en keek om zich heen. En wees: "Daar!"

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

177 – ontsnapt

"Ontsnapt," zei Storeman. "We hebben de omgeving uitgekamd, de Tweede Meisjes ondervraagd. Dat zullen ze niet gauw vergeten."
Ik dacht aan de woorden van Rietmeisje. Tweede Meisjesverkrachter. Wat gaf die mannen toch het recht om zo met ons om te gaan? Met ons, ja. Want gevangenen zoals wij waren immers net zo rechteloos.

Mummelend vervolgde het gezelschap de weg langs de muur – "Grote Hemren, sluit onze ogen voor het Ronde Pad, Grote Hemren, sluit ons de ogen voor het Ronde Pad …" - langs de warenmarkt, terug naar de stadspoort, terug naar die mooie witte vrome stad die me zo lang in haar luxe, veilige greep had gehouden. Er was een opstand onderdrukt, de schuldigen waren uitgemoord en meteen vergeten, en het leven zou er blijven zoals het was. Hebotva zou terugkeren naar Dunkitaba en vast verkondigen dat ik om het leven was gekomen bij een gevangenisuitbraak. Wat hij over Bo verzinnen zou? Dat hing ervan af of hij nog een zoon had gekregen, dacht ik.

Ik weet niet hoe lang ik daar lag. Na verloop van tijd kwam Burman opnieuw. Hij had een emmer water bij zich. Hij hielp me de vieze tuniek uitdoen, zodat ik mijn hoofd en haar kon wassen. Hij had een mes bij zich, ik schrok ervan, Burman, die bescheiden jongen, het rekenwonder dat vast een goede baan in het Palast had kunnen krijgen …

Maar nu een wees in gevaar, tegen wil en dank opeens volwassen. Hij zei: "Ik ga je haar eraf snijden. Ik heb een rode tuniek bij me."
Ik begreep wat hij bedoelde. Ik liet hem zijn gang gaan. Natte lange lokken op het mos, met zijn voet schoof hij ze zo dicht mogelijk tegen de muur aan. Toen bond ik de muntjesdoek om mijn borsten en trok de rode tuniek aan. Geen goede schutkleur in het bos, maar in Inhemren was het altijd beter om een man te zijn dan een vrouw.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

176 – slachtpartij

De meesten van ons hadden geen Graysaflu gebruikt, de meesten werden meteen om het leven gebracht, lange messen flikkerden in het maanlicht.
Ik bleef doodstil liggen aan de voet van de muur die inmiddels weer dicht was. In de loop van de nacht kroop ik voorzichtig verder, steeds luisterend of er nieuwe wachters kwamen. Zouden ze de lijken opruimen? Of laten liggen ter afschrikking? Langzaam werd het licht, ik kon de hele slachtpartij overzien met de koude ogen die inmiddels de mijne waren geworden. Hoe laat zou de tunnelinspectie zijn? Voor die tijd moest ik weg zijn, weg van hier. Zoeken naar mijn kinderen.

Ik voelde een koud neusje tegen mijn neus. Kuuksi! Lief dier, je bent een beter wezen dan ik. Ik streelde haar magere ruggetje en voelde hoe uitgeput ik was. Toen hoorde ik voetstappen, een man kwam langs de muur gelopen, een gewone jongeman met de sjerp van een weefjongen. Hij stopte bij mij, onder de schaduw.
Burman!

Hij had iets smerigs bij zich, hij bukte zich en drukte het tegen mijn hals. Bloed rook ik, en slachtafval. "Houd je dood en bedek je haar," zei hij. Hij pakte Kuuksi op en nam haar mee, hoe ze ook spartelde en klauwde, ze zou mij kunnen verraden. In de morgenstilte hoorde ik het wonderlijke geluid van een muur die openkraakt, een geluid als van vallende stenen. Een gezelschap hoge heren in prachtige kledij stroomde naar buiten.

Toen ik Storeman hoorde zeggen: "Dan moet ze hier tussen liggen," sloot ik mijn ogen en hield me dood, mijn tuniek over mijn haren. Ik hoorde ze rondschuifelen tussen de lijken door, af en toe een opmerking "natuurlijk, volkomen terecht, je moet een voorbeeld stellen" en meer van dat fraais. Langzaam kwamen ze mijn kant uit. "Daar ligt nog wat."
De stem van Hebotva.
"Niet meer te herkennen." Met zijn voet schoof hij de tuniek wat opzij, maar alles zat inmiddels onder het bloed. Ik hoorde hem kokhalzen. "En mijn zoon?" vroeg hij toen.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

175 – het gebeurde echt

Maar het bed naast me was leeg, en toen ik het schuren van de steen hoorde was ik weer in het hier en nu. Aan de mannenkant klonk gelach en schuine taal, ze verdrongen zich en een paar vrouwen kwamen giechelen aan onze kant. Sisifam zat het aan te kijken met een blik van: laat ze maar even. Morgen is het weer voorbij.
Toen ze opstond nam ik vliegensvlug Murmerflu en Graysaflu.

Sisifam duwde met een paar vriendelijke woorden de dames opzij en wachtte op Zaloman. Waar zij anders zacht met elkaar praatten, zei ze nu voor iedereen hoorbaar: "Alles klaar aan jullie kant?"
"Zeker," antwoordde Zaloman.
Ging het alleen over de zogenaamde inspectie?
Ik wachtte op een teken, ik wist niet wat ik moest doen, ik kon niet opeens gaan staan, ik ging op mijn hurken zitten om sneller overeind te kunnen komen, ik haalde het touw van mijn hals en verborg het in mijn mouw.

Opeens een knal en een ijselijke kreet, geschreeuw, gebonk … Ik schoot overeind, sloeg mijn touw om Sisifams hals en trok het aan. Ze trapte naar achteren maar ik was sterker, ik was zo verschrikkelijk sterk, de moordlust loeide in mij en ik bedacht heel even hoe ik hier ooit voor boeten zou, ik trapte achteruit naar vrouwen die mij wilden wegtrekken, ik draaide het touw aan tot Sisifam bewegingloos op de grond viel. Ik trok de sleutel onder haar tuniek vandaan en rende naar het eind van de gang.

Sommige vrouwen hadden door wat er gebeurde, anderen waren te zwak of te … hoe moet je dat noemen, ze konden zich geen ander leven meer indenken, de gevangenis voelde veiliger dan de onbekende wereld. Ik ontsloot de tussendeur, Geruman kwam erdoor met de afgehakte hand van Zaloman, het bloed liep over zijn arm, hij hield de hand omhoog en het gebeurde, het gebeurde echt … de muur week en wij stroomden de begraafplaats op, spoken in onze zwarte tunieken, op blote voeten en met niets dan het vege lijf.
Meteen klonk er geraas en gestamp van paardenhoeven. Wachters!

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 5 Reacties

174 – schoonmaak

Ik had genoeg gezien. Ik draaide me om en zag Gladefam naar me kijken.
"We hebben zijn hand nodig," fluisterde ik snel. "Ik heb Graysaflu."
Een vreemde, wrede, koude opwinding maakte zich van me meester. Zou ik moorden om mezelf te bevrijden? Was ik dan niet even slecht als de beulen die over ons regeerden? Kon het me wat schelen?

De volgende dag hoefden we niet te spinnen. We klopten onze bedden uit en veegden daarna de hele tunnel schoon. Toen de berg stof was weggehaald, werden er een paar grote tonnen binnengerold en naar het eind van de gang gebracht. Toen ze rechtop gezet waren en de deksels eraf gingen, geurde de hele tunnel naar rozenwater, een geur zo bekend, zo geliefd dat dat me – na alle verschrikkingen – tenslotte wél aan het huilen bracht.
Heel eventjes maar, hoor. Murmerflu hield me bij de les.

Om de beurt mochten we ons wassen, en naast de tonnen lagen stapels schone broeken en tunieken. Gladefam was al lang schoon toen ik aan de beurt was. Ze kwam op de emmer zitten terwijl ik me waste. We waren alle schaamte voorbij, waarvoor zou je je nog schamen als je had gezien wat wij hadden gezien.
"Vanavond," fluisterde ze. "Geruman pakt Zalo, jij pakt Sisifam en de sleutel."

De stinkende berg van onze oude kleren werd snel weggebracht. Morgen zou de inspectie zijn. De inspecteurs zouden denken dat we voor onze lol daar zaten, omdat we zo van spinnen hielden. Hebotva zou me lachend aanwijzen en me mee terugnemen naar Dunkitaba. Een publieke rechtszaak op het plein, zodat mijn ouders ook hun dochter zouden verliezen.
Het mocht niet gebeuren. Het mocht niet gebeuren!

Voor het eerst kregen we die avond iets warms. Een soort pasteitje leek het wel, met vlees erin en stukjes ui, het smaakte verrukkelijk. En in de ton zat deze keer geen water maar druivensap. De hemelse zoetheid! Alle waakzaamheid verliet me, ik kon alleen nog maar denken aan mijn mond die in een vrucht was veranderd, ik smakte bijna bij het drinken, zoals Kuuksi dat vroeger deed als ze visnat opslurpte. Ik zat languit op mijn matrasje en droomde weg.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

173 – de sleutel

Wel ging ik – en ik keek uitdagend naar Sisifam, of ze er iets van wilde zeggen – op Blufams matras zitten, zodat haar hoofd in mijn schoot rustte. Spinnen was bijna onmogelijk zo, maar het kon me niet schelen. Ik streelde het haar weg van haar voorhoofd. Koortsig en vaag keek ze me aan. Wat er ook in de drank gedaan was, het was een prettig vergif. Beter dan een doorgesneden keel. Langzaam gleed het leven uit Blufam weg, ik wilde huilen maar er kwam niets, ik was zo leeg van binnen. Ik legde haar netjes neer en sloot haar ogen, ik fluisterde: "Dankjewel voor alles." En toen ging ik als een razende aan 't spinnen.

Toen Sisifam op een gegeven moment naar de emmer ging – of deed alsof – nam ik een drupje Murmerflu.

Na het avondeten werden de overleden gevangenen naar het eind van de tunnel gedragen. Ik hielp Sisifam om Blufam weg te brengen, haar arme voeten in mijn handen, de geur van verrotting bijna ondraaglijk. Maar in elk geval werden ze niet daarheen gesleept en neergekwakt als stukken dood vlees zoals Nuzafam, we legden ze – in totaal waren het er vier, ze pasten maar nauwelijks in de beperkte ruimte – netjes naast elkaar en ze kregen allemaal een Hemrengelaatje op de borst.
Opnieuw sprak Sisifam met Zaloman, op luidere toon berichtte ze van het overlijden van Blufam, hij bromde iets terug in de trant van "beter zo." Heel zacht hoorde ik haar zeggen "vanavond."

Ondanks de Murmerflu moet ik toch weggedoezeld zijn die nacht. Ik werd wakker omdat er opnieuw een flesje op me viel. Hoorde ik een zachte gemiauw? Ik keek op het flesje. Graysaflu.
Ik realiseerde me dat Sisifams bed leeg was. Gauw dronk ik wat en sloop toen naar het einde van de gang. Sisifam en Morfamzus ontdeden de dode vrouwen van Hemrengelaatjes, overkleed en broek. Alleen in hun onderhemd lagen ze daar, wit en broodmager en weerloos.

Sisifam ontsloot de tussendeur.

Sisifam ontsloot de tussendeur. Zij had een sleutel. Een sleutel die aan de band van haar broek hing. Mijn moordzuchtige handen kromden zich.
Van de mannenkant sleepten ze samen drie doden binnen en lieten ze onverschillig half over de vrouwen vallen. Toen siste Sisifam luid: "Zaloman!"
Hij stapte door de deur. Hij hief zijn hand met de Hemrond en de muur opende zich. De vrouwen sleepten de doden naar de begraafplaats.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

172 – een rustdag

Blufam verzwakte met de dag. Ze lag op de vuile stenen vloer, half tegen haar bedrol aan, brood ongegeten in haar hand. Toen de deur weer openging en Morfamzus binnenkwam met de vlasstokken, kwam ze met moeite overeind.
Sisifam voegde zich bij de bewaakster en wees sommige vrouwen aan, die daarop geen vlasstok kregen. Blufam was een van hen. Toen alle stokken waren uitgedeeld en het spinnen was begonnen, verhief Morfamzus haar stem.
"Vrouwen die ziek zijn, krijgen dispensatie vandaag. Een rustdag." Ze sprak het uit alsof ze het stadsfeest aankondigde. "Storeman heeft ter ere van de vergadering van Opperva's bevolen dat jullie een speciale versterkende drank krijgen, helemaal uit Blyntera, door Opperva Hemren zelf meegenomen."

Mijn buik krampte van een onberedeneerbare angst. Ik smeet mijn spinnerij op de grond en rende naar de emmer. Er kwam niets, er kwam immers haast nooit iets. Ik keek schuin achterom naar Gladefam, die grimmig terugkeek. Toen ik opstond – Morfamzus oreerde nog steeds – kwam ze naar me toe en fluisterde: "Ze vermoorden de zieken."
Een beetje kromgebogen liep ik terug naar mijn plek en pakte gauw mijn werk weer op.
Morfamzus beëindigde haar toespraak: "Laten we dus zorgen dat onze tunnel de netste gevangenis van Inhemren is."

"Wat heb ik gemist?" fluisterde ik tegen Sisifam.
"Er komt inspectie. Morgen moeten we de tunnel schoonmaken, en 's avonds mogen we ons wassen. Als het meezit krijgen we zelfs schone kleren," zei Sisifam, nu weer helemaal in haar rol van onverschillige gevangene.

Even later kwam Morfamzus weer binnen, een grote kan in haar hand. Ik rook van veraf de zoete geur van honing, het water liep me in de mond. Alle vrouwen die geen vlasstok hadden gekregen, kregen een mooi porseleinen kopje – ik had ze op de markt weleens gezien bij een theeverkoper – dat ze meteen moesten leegdrinken. Ik wilde het Blufam wel uit de handen slaan! Maar ik zag ook hoe ze elke dag leed, hoe haar voet rauw en rood was, misschien was het een verlossing? Of praatte ik hier goed wat niet goed te praten viel?
Ik zei het al eerder: overleven is een wrede zaak.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

de ware narcisten

Ik ben verdrietig. Misschien ben ik daarom wel zo verschrikkelijk moe, wie zal het zeggen. Maar om dag in dag uit te horen en te lezen dat je tot een minderwaardige mensensoort behoort, gaat je uiteindelijk niet in de kouwe klere zitten. (White privilege, I know.)

Ik heb mij namelijk niet laten vaccineren. Sinds de vaccins werden geïntroduceerd heb ik mij verdiept in bijwerkingen, bijsluiters en adviezen. Ik ben geen wappie, ik geloof niet in hydroxychloroquine of ivermectine of wat Klazien uut Zalk in de aanbieding heeft.
Maar ik word wel bang als de Gezondheidsraad zegt dat ze eigenlijk niet weten wat de vaccins doen bij auto-immuunziektes. Het gaat al niet geweldig, maar de pijn en de andere narigheden kan ik verdragen, ik weet wat ik eraan kan doen, en sleur me verder zo goed mogelijk door de tijd.
Om dat precaire evenwicht te verstoren met een vaccin waarvan niet of nauwelijks is onderzocht wat het doet bij auto-immuunziektes (zoals bijvoorbeeld het verergeren van de bestaande aandoening) heb ik niet aangedurfd.

Toen ik later las hoe het vaccin in gevallen als dat van mij vaak helemaal niet of in elk geval veel minder aanslaat, en dat zulke gevaccineerden nog precies zo voorzichtig moeten zijn als voorheen, was dat voor mij eigenlijk nog een reden om het risico niet te nemen.
Ik ga dus nergens heen. Ik zal niemand besmetten want ik begeef me niet onder de mensen. Ik doe 2x per week boodschappen in mijn buurtsupertje, met mondkapje en afstand, en verder maak ik voornamelijk wandelafspraken of ontvang hooguit 1 persoon op bezoek die zeker weet niet besmet te zijn.

En toch word ik over 1 kam geschoren met militante en asociale anti-vaxxers, en ik zie steeds vaker redelijke (dacht ik) mensen het eens zijn met behoorlijk harde oordelen.
Wie ervoor kiest zich niet te laten vaccineren heeft de dood van hart- en kankerpatiënten op zijn geweten. Steeds meer mensen lijken het eens met wat in feite levensgevaarlijke glijdende schalen zijn. Zo werd vandaag het stuk van Sander Schimmelpennick (die ik verder totaal niet ken) door velen met instemming gedeeld.

Dixit S: Hoewel een debat over de inperking van vrijheden best gerechtvaardigd is, hebben vaccinweigeraars geen plek in dat debat. Zij vertegenwoordigen namelijk geen enkel redelijk belang. Hun uitsluiting is zelfgekozen en bedenkelijk bovendien, want op basis van religieus fanatisme of extreemrechtse complotdenkerij. De vrijheid om te kiezen betekent niet dat we blind hoeven te zijn voor de motieven van de weigeraars.
[…]
Het nemen van een vaccin is een zwart-witkeuze, je kunt je niet een beetje laten vaccineren. Wie tegen alle adviezen in dat vaccin niet neemt, kiest een kant. Een kant die bestaat uit mensen die weigeren mee te doen aan het grotere geheel, omdat hun altruïsme beperkt is tot mensen uit hetzelfde gezin of religie, of omdat ze door hun narcisme niet meer tot altruïsme in staat zijn.
Want narcisme, de voortdurende zelfobsessie gevoed door sociale media, is de werkelijke pandemie. Narcisme verklaart het fenomeen van jonge moeders die vanuit hun huiskamer vloggen over hun ‘strijd’ tegen een wereldelite en andere malloterie, alleen maar omdat andere idioten bereid zijn hun zelfverzonnen importantie te bevestigen. Narcisme verklaart waarom vaccinweigeraars zichzelf bovengemiddeld vaak als content maker zien, verstrikt in een web van zelfbevestiging en instantbevrediging.

Hartstochtelijk narcisme-bestrijder als ik ben was dit het punt waarop ik dacht: Ho! Zo laat ik mij niet behandelen. En bovendien: wie zijn in het coronadebat de echte narcisten? Waardoor loopt het allemaal zo uit de hand?

Uit de definitie die S. tussen neus en lippen door geeft van narcisme "de voortdurende zelfobsessie gevoed door sociale media" blijkt al dat hij er niets van begrijpt. Als narcisme "de werkelijke pandemie" is, is dat omdat zoveel regeringsleiders narcisten zijn. Mensen die álles doen voor hun imago, tot glashard liegen en victim blaming aan toe. Zowel Rutte als Hugo de Jonge maken zich daar schuldig aan.
Waardoor ik niet langer het gevoel krijg dat "de kwetsbaren" werkelijk beschermd worden. Nee, kwetsbaren worden altijd genegeerd door narcistische leiders, omdat ze 1) geen idee hebben dat die bestaan of 2) doodsbang zijn dat zulks hun eigen onkwetsbare ikje zal treffen.

En waar ik een 'redelijke' (of liever gewoon bange) vaccin-weigeraar ben, snap ik tot op zekere hoogte de wappies ook. Niet wanneer voorheen goede vriendinnen opeens met Baudet gaan heulen, maar wel het gevoel dat de overheid onbetrouwbaar is. Ik verdiep me dan in medische literatuur uit betrouwbare bronnen, zij gaan naar Klazien. En het is nu eenmaal zo dat veel mensen die zelf onzeker zijn, zich scharen achter narcistische leiders. De rastadansleraar is er ook zoeen. In die zin is narcisme echt wel een pandemie. Alleen moet je wel de ware schuldigen aanwijzen.

Al deze ferme meningen hebben alleen maar tot gevolg dat mensen zich harder en vertwijfelder opstellen achter hun ferme leiders. En de media werken daar van harte aan mee. Zo kondigt het tv-programma Op1 aan: Philip Huff is hartpatiënt en moet door de bezette IC-bedden langer wachten op zijn hartoperatie. Hij vindt ongevaccineerden asociaal.

Maar wie zijn de ware schuldigen?
Lees bijvoorbeeld deze draad van Ginny Mooi:
"Waarom heeft NL eigenlijk zo buitenproportioneel veel 'wappies'? Vanwege de totaal krankzinnige communicatie, het waanzinnige beleid, de idiote uitspraken van het kabinet, het totale gebrek aan sturing, aan logica, aan eenduidigheid. Maar hé, nooit doen ze iets fout."

Ik probeer me te troosten met de ethische overpeinzingen van Caren Kunst: "Moest nadenken over opmerking van onze minister VWS dat de zorg grenzen moet trekken 'u mag hier eigenlijk niet liggen op IC, want u wilt niet vaccineren'. Het 1e dat ik dacht was: vraagt hij mij (BIG pleeg) om mijn beroepseed en beroepscode op te blazen?" […] "Waar eindigt dit? Als we deze visie toelaten als gedachtengoed? U mag hier niet liggen want u heeft uw lever kapot gezopen? Hier trek ik een streep. Als de beroepsgroep dit stuk zeep door de handen laat glijden is het onomkeerbaar moreel kompasloos …"

Maar het valt niet altijd mee.

toevoeging 021121
uitstekend stuk van Lars Duursma in de Volkskrant
"niet het virus, de ongevaccineerden zijn de schurk. Bijkomend voordeel: zo groeit het demissionaire kabinet snel uit tot de nieuwe held. Slim als kortetermijn-pr-strategie, desastreus bij pandemiebestrijding."
"deze zondebokpolitiek lijkt vooral een witwasoperatie van het eigen falen"

voor bij de #persco heb ik een #narcisme-bingokaart gemaakt

Geplaatst in autobio, tijdgeest | Getagged , , | 11 Reacties

171 – waar blijft Hebotva?

Waarom duurde het zo lang? Als Hebotva werkelijk in Barraspira was, zouden ze hem toch direct kunnen vertellen waar ik zat? Of hadden Morfam en Tikman toch iets meer eigen rechter gespeeld dan officieel toegestaan was? Of hielden de machthebbers van Inhemren elkaar de hand boven het hoofd, lieten ze elkaar vrij in de manier waarop ze hun onderdanen straften, zo lang het maar gebeurde en de mensen – en dan vooral de vrouwen – niet in opstand durfden komen? Ik dacht aan alle verschillende gebruiken rondom de Tweede Meisjes op de eilanden. Nooit had iemand kritiek geuit, hoe wreed en verschrikkelijk het er ook aan toe ging. Het gebeurde, en iedereen sloot de ogen.

Ik kon me goed voorstellen dat Hebotva en Storeman samen in alle luxe aten en praatten, lachend om zo'n dom vrouwtje dat weggelopen was. Waarschijnlijk had Hebotva al lang een nieuwe vrouw en nieuwe kinderen. Maar dat zo'n wegloopster gestraft diende te worden, daarover waren ze het vast eens. Stel dat Storeman echt geen idee had. De oude Fegman kon hem niet meer vertellen waar en hoe hij me had opgepikt. Maar dat de uilen niet allemaal op het Palast landden, dat moest hij toch weten?

De dagen regen zich aaneen. Ik piekerde en spon en sliep maar nauwelijks. Heel af en toe lukte het om een woord te wisselen met Gladefam, maar zij wist niets meer dan ik. Er kwamen geen geschenken of boodschappen.
Op een dag zei Morfamzus tijdens het ontbijt tegen Sisifam: "Meekomen." Sisifam zette haar mok neer en volgde de bewaakster de gang uit. Ik liep snel naar de deur en luisterde, maar ik kon niets verstaan. Ik zat net weer op mijn plek toen Sisifam terugkwam, haar gezicht zoals altijd een toonbeeld van welwillendheid en kalmte.

"Wat moest ze?" vroeg ik nieuwsgierig, want dat had ik zonder mijn verdenkingen ook gedaan.
"Dat hoor je zo," antwoordde ze. En zei langs me heen tegen Blufam: "Ik zou maar gauw weer gaan zitten als ik jou was."

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen