17 – het schild

Voor het schild kreeg je op de laatste schooldag van de dogman twee buigzame twijgen die je aan elkaar moest bevestigen zodat je een bladvorm kreeg. In het midden – als de hoofdnerf van het blad – maakte je een rechte twijg vast, die iets uitstak, als de steel van het blad. In de jaren daarna moest je het blad opvullen, zo mooi en stevig mogelijk, met gevlochten riet, met geweven stof, met borduurwerk, met paneeltjes van schelpen, metaal of aardewerk. Alle handwerken waarin de vrouw mocht uitblinken. Zo kon je als meisje ontdekken waar je talent lag. Je moest bij allerlei vakvrouwen langs om het ambacht te leren.

Je nam het schild mee in je huwelijk. Het werd ceremonieel boven het huwelijksbed gehangen. Dan had je immers geen beschermend schild meer nodig, dan werd je beschermd door je man. Ma's schild is van prachtig bewerkt leer.

Misschien heb ik het wel van mijn vader, dat ik de dingen altijd een beetje anders wil maken. Ik maakte mijn schild uitklapbaar. Langs de hele rand knoopte ik kleine paneeltjes vast, die als bloemblaadjes konden uitklappen zodat het schild haast twee keer zo groot werd. Zo kon ik nog meer technieken toepassen, nog meer versierselen aanbrengen.

In het midden van het schild blijft een kleine bladvormige opening, waar je het kunt vasthouden aan de rechte twijg. Zo kun je het voor je gezicht houden, of boven je hoofd, als de zon te fel schijnt, of de hagelstenen pijnlijk op je schedel ratelen. Alles heeft mijn schild meegemaakt. De kleuren zijn nauwelijks nog zichtbaar, maar de structuur heeft het altijd gehouden, door alle jaren, door alle landen.

Terwijl ik het natuurlijk helemaal niet hoor te hebben. Het schild wordt overgedragen aan de echtgenoot. Zou ik als jong meisje al voorvoeld hebben dat ik het ooit weer moest kunnen vervoeren? Ik ben de armband waaraan ik het schild droeg toen ik trouwde, altijd blijven dragen. Als mijn echtgenoot me een nieuw sieraad wilde geven, schudde ik altijd mijn hoofd. Ik wilde altijd blijven denken aan ons huwelijksfeest, aan de huwelijksnacht die zo warm was en zo koud. Omdat ik het zo koud kreeg toen hij mijn sluier afdeed.

hier staan nog twee afbeeldingen van Yima's schild

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

16 – normaal

Toen ik thuiskwam, was Ma op de binnenplaats al met het eten bezig. Brood lag te garen in gloeiende as, kool met geurige kruiden stoofde in een pan op het vuur in de stookplaats. Va en Rodva waren nog aan het werk, ik hoorde de vertrouwde geluiden van beitels op steen.
Vragend keek Ma me aan. Zwijgend deed ik mijn sluier af. Ze sloeg haar hand voor haar mond, haar ogen werden groot en vochtig. Ik knielde naast haar neer, ze omhelsde me.
"Het is beter zo," fluisterde ze.
Zou ik het nu durven vragen? Ma, waarom …

Maar het hek knarste, de mannen kwamen thuis.
Rodva grinnikte: "Hèhè, eindelijk een normale zuster. Hoef ik me daar tenminste geen zorgen meer over te maken."
Va's gezicht verwrong even, heel even – maar ik zie het nog voor me alsof het gister was – in een wrede, afschuwelijke woede. Alsof wij vrouwen hem iets afgenomen hadden wat hem rechtens toekwam. Ma's arm gleed van mijn schouder en ze pakte met haar vuurvaste vingers de broodjes uit de as. Ik haalde de kookpot van het vuur, en spreidde de inhoud over de wijde schaal uit, waar al een bol geitenkaas op lag. Toen ik de schaal midden op de mat zette, was Va's gezicht weer gewoon. Hij lachte naar me en zei: "Rodva heeft gelijk. Het is voor iedereen beter. Nu kun je je rustig aan je schild wijden. Als je maar zorgt dat je uitblinkt!"

Als we van school af waren, moesten we een schild maken. De goedkeuring van je schild – door de vrouw van Hebotva - betekende dat je als vrouw volwassen was, en mocht trouwen. Je mocht er niet meer dan zeven jaar over doen. De jongens maakten een speer met een koperen punt. De punt moesten ze zelf smeden en bewerken, de schacht was van hout dat ze zelf van snijwerk en kleur moesten voorzien, of omwikkelen met draad.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 4 Reacties

15 – Storma 4

"Toch waren er nog altijd vrouwen niet tevreden. Dat moest afgelopen zijn. Vrouwen waren nodig voor het nageslacht, ze moesten zorg dragen voor een vreedzaam huishouden, en dat was dat. Om vrouwen eraan te herinneren aan wie ze uiteindelijk alles te danken hadden – de Vader die ons heeft en geeft – stelde hij de regel vast dat iedere tweede dochter uit een gezin op pelgrimstocht moest gaan. Om namens het gezin dank te zeggen, om aan alle families van Imhemren te laten zien hoe gezegend ze waren om hier te mogen wonen.
Als ze de Rots hebben aanschouwd, en het lichtend gelaat van de Grote Hemren, zijn ze vrij om terug te keren. Maar er keert nooit een meisje terug. Ze blijven daar, in eeuwige gelukzaligheid."

"Echt?"
"We weten het niet," zei Storma. Maar ze keek van me weg.
Op het marktplein hoorden we winkeltjes opengaan, gekletter van metaal en aardewerk, geroep van kooplui.
Ik kon niet in een keer bevatten wat ze had verteld. Eigenlijk drong alleen maar tot me door wat ik tot nu toe niet had toegelaten: dat Vulema ook op weg moest, binnen een paar jaar. Als haar schild af was.

"Kom," zei Storma.
Ik schoof op mijn knieën naar haar toe. Ze wikkelde de doek los, en liet mijn donkerrood glanzende lokken door haar vingers glijden. Ze pakte de theepot en de kommetjes van het blad, en hield het me als een spiegel voor.

"Wit haar betekent een bijzonder leven," voorspelde ze. "Zorg dat je goed voorbereid bent. Leer alles wat er te leren valt. Houd het verven goed bij. En zoek een dier."
Ook dat legde ze niet verder uit.
"Spreid mijn bed even voor me."
Ik rolde de kleurige matras uit. Moeizaam ging ze erop liggen. Ik dekte haar toe met een warme sjaal. Ik sloeg mijn eigen sluier weer om en hing de zwarte doek te drogen. Zacht sloop ik haar huis uit, hopend dat niemand me had gezien.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 4 Reacties

14 – Storma 3

Natuurlijk had ik wel gehoord van de Tweede Meisjes. Iedereen wist van de jaarlijkse processie. En mijn vriendin Vulema was een Tweede Meisje. Maar het fijne wisten we er niet van. Of wilden we niet weten. Alleen dat er eens per jaar, als de zon op zijn laagst stond, meisjes naar het begin van de Heerweg werden gebracht, in Nuktatharsta. Het was een feestdag, het was een privilege, zo leerden wij het. De vaders van de meisjes en de erewacht van Hebotva brachten ze weg. De Heerweg leidde naar de Rots, zij zouden de Hoogste aanschouwen.

Storma bleef me aankijken.
"Niet echt," antwoordde ik maar.
"En Vulema?"
"We weten allebei niet … We weten immers helemaal niets, wij meisjes. We zien alles, we horen alles, we nemen het op, maar we begrijpen het niet. Er zijn zoveel vragen en er komen nooit antwoorden."

"Ssstt," vermaande Storma. Er waren immers altijd overal oren. "Schenk nog wat thee in."
Zacht begon ze te vertellen. Eerst dacht ik: dit verhaal ken ik al. Het begon net als dat van Va, over de heidense nomaden en de Grote Hemren. Hoe hij en zijn raad van wijze mannen het land hadden opgedeeld, en wetten hadden opgesteld. "Wie zich niet aan de wetten wenste te onderwerpen kon vertrekken. Met een bootje de zee op, kijken of het in Gralda of Mingia beter was.

Er brak een rustig tijdperk aan, er ontstonden steden, er was handel en welvaart. De enigen die af en toe morden waren de vrouwen. Als jong meisje moesten ze doen wat hun vader zei, en daarna ging het gezag over op hun echtgenoot. Mochten zij niets zelf bepalen? De Grote Hemren gaf toestemming dat vrouwen konden kiezen om niet te trouwen. Ze konden dan verteller worden, of vroedvrouw, of zich vestigen in het vrouwenland."
Vragend keek ik Storma aan, maar ze legde het niet verder uit.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 4 Reacties

13 – Storma 2

"Jij bent voorbestemd om te trouwen, om kinderen te krijgen. En jij hebt te veel vragen." Ze zei het niet afkeurend, ze stelde het gewoon vast. "Ga je schild maken, en je vindt wel uit waar je hart ligt, qua werk dan. Op al je vragen vind je ooit antwoord, geloof me.

Er is maar één probleem dat we moeten oplossen. Op mijn leeftijd is het normaal om wit haar te hebben, maar als jong meisje was ik net als jij. Omdat mijn moeder hoopte dat ik toch gewoon zou kunnen trouwen …" (Ik herinner me nog hoe ik schrok. Ik wist niet dat wit haar een huwelijk in de weg zou kunnen staan, mijn ouders hadden er nooit op gezinspeeld.) " … heeft ze een haarverf ontwikkeld die watervast en lichtecht was. Ze was weefster, ze maakte kleurige sjerpen van geitenhaar, ze wist het een en ander van kleurstoffen. Voordat ik voor het eerst naar school zou gaan, heeft ze mijn haar geverfd. Ik heb het aan je moeder verteld, toen jij nog heel klein was. Je zwarte babykrulletjes vielen uit, en er kwam wit haar voor in de plaats. Ze was wanhopig. Waarom is ze nooit bij me geweest?"

Ik had geen idee.
"Ga eens water halen, kind. Dan doen we het nu meteen."
Ze gaf me een grote kruik. Ik deed mijn sluier om en liep het hete, stoffige marktplein op naar de put. Er was nog steeds niemand. Alleen bij het Palast stonden twee wachters. Mogelijk waren er van achter de vensteropeningen vele ogen op me gevestigd, ik voelde me schuldig en bekeken. Ik liet de kruik in het water zakken en haalde hem langzaam weer op. Geroutineerd zette ik hem op mijn schouder en liep terug naar Storma's huis.

Zij had inmiddels een wijde schaal neergezet, met ernaast een klein flesje met een donkere, lobbige vloeistof erin. Henna zat erin, inkt van galappeltjes en inktvissen, sap van donkere bessen … Ik knielde bij de schaal en boog mijn hoofd. Ze goot water over mijn haren, en masseerde de kleurstof erin. Ze gaf me een oude, zwarte doek, en ik wikkelde mijn haar erin.
Toen vroeg ze: "Je hebt wel gehoord van de Tweede Meisjes?"

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 5 Reacties

12 – Storma 1

Ik besloot Storma op te zoeken, de oude verteller. Een vrouw die – met terugwerkende kracht – een van mijn mentors zou worden. Omdat ze alles had gezien, alles wist, en desondanks kon doorleven omdat ze wist dat ze niet gemist kon worden. Omdat ook haar vezel belangrijk was voor de hele wereld. Zo ver was ik toen nog niet. Ik zag mijn eigen belang altijd in termen van dienstbaarheid, zo was ik opgevoed.

Storma was verschrikkelijk oud. Niemand in DunKitaba weet hoe oud hij precies is. Mensen in Dunkitaba weten niet precies hoe oud ze zijn. Tot je eenentwintigste houden je ouders het voor je bij. Ze tellen de jaren aan de hand van de zonnewijzer. Ze zetten een streepje op de muur als je geboren wordt, en wanneer de zon opnieuw dat streepje bereikt, is er een jaar voorbij.

Na zeven jaren mag je naar school. Ieder kind krijgt dan een ijzeren staafje met zeven kralen, dat horizontaal aan de muur bevestigd moet worden. Zes doffe kralen en één prachtige kraal. De kraal van de schooldag. Meisjes op één dag, jongens op een andere. Ik was altijd zo blij als de mooie kraal weer aan de beurt was. Van blauw glas was hij, met bloemetjes erin.

Storma's gezicht was rimpelig en kreukelig, haar haar was spierwit. Ik kon me niet herinneren dat ze ooit bij ons thuis geweest was, maar zij herkende mij. Ze legde haar handen om mijn gezicht, en deed met haar vingertoppen mijn sluier een beetje naar achteren.
"Heeft iemand je hier zien binnengaan?"
Ik schudde mijn hoofd. Het was midden op de dag, het marktplein was uitgestorven. Storma's huis leek op een winkel, of op een theehuis, open zodat iedereen kon zien wie daar binnen was.

Ze wenkte me, en ik volgde haar naar haar slaapvertrek. Zij ging tegen haar bedrol zitten, ik knielde bij het koperen dienblad met de kopjes en de kan.
"Doe je sluier eens af?" Met haar heldere ogen, als kralen van tijgeroog, nam ze me in zich op.
Ik werd er verlegen van. "Wilt u dat ik thee schenk?"
"Dat is goed, dat praat makkelijker. Vertel eens Yima, wat kom je doen?"
"Zou ik verteller kunnen worden?"
"Nee," antwoordde Storma direct.
Ik schrok ervan, ik knoeide met de thee, ik veegde het blad af met een punt van de sluier die op mijn schoot lag.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 4 Reacties

11 – reizigers

Reizigers uit Inhemren kwamen soms naar DunKitaba. Kooplieden, voornamelijk. Ze droegen exotische kledij en spraken met een wonderlijk accent. Ze kwamen binnen door de poort, hun rij- of lastdier werd naar de Tuin gebracht om te grazen in de schaduw. De koopwaar werd onder de bogen rond het marktplein uitgestald, waarna Hebotva's klerken beoordeelden of dit mannen- of vrouwenspullen waren. In het laatste geval ging een klerk door de straten om de huisvrouwen op te roepen om naar de markt te komen. Ik vond het altijd weer opwindend: de andere mensen, de kleurrijke spullen of sappige lekkernijen.

Daar had ik ook mijn sluier met de muntjes vandaan. Die kwam uit UkuFila, een kleine Heerlijkheid waar we op school niets over leerden. De dogman had ooit de ligging aangeduid: aan zee, in het oosten begrensd door de Bridawertflu.

Omdat het ver bij de Heerweg vandaan lag, kwamen er nauwelijks reizigers uit UkuFila naar het diepe zuiden. Het wonderlijkste van alles: deze reiziger was een vrouw. Ze droeg mannenkleren, een wijde wollen broek en een vilten jas (het was winter en dus niet zo heet in Registana), met om haar hoofd zo'n sluier met muntjes, die zachtjes rinkelden als ze zich bewoog. Ma en ik stonden haar in ons op te nemen, we vergaten gewoon naar de koopwaar te kijken. Wollen kleden vooral, die zacht en warm zouden zijn op de lemen zitbanken in ons huis, en een paar ragdunne wollen doeken met muntjes erop genaaid.

Ma zag me kijken, ze zei: Wil jij zo'n doek? Vol ongeloof keek ik mijn moeder aan. Mocht dat zomaar? Zou Va dat goed vinden? Ma begon te onderhandelen over de prijs van een kleed. De vrouw spreidde het voor haar uit op de grond, rood, oranje, bruin en zwart vlamden op. Ik speelde onverschilligheid, zo gehaaid was ik intussen wel. Even onverschillig zei mijn moeder: ik ga akkoord als ik er zo'n doek bij krijg. Snel keek ik naar de vreemde vrouw. Onze ogen ontmoetten elkaar, zij lachte en deed de muntjes rinkelen. Goed, zei ze. Ze wilde de rode doek al over mijn hoofd draperen maar Ma schudde haar hoofd en stak haar hand uit. De vrouw rolde het kleed op. Ma stopte de doek in de zak van haar schort, waar ze ook het geld uit opdiepte. Samen droegen we het kleed naar huis.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

10 – vertellers

Vertellers gingen naar oude mensen die niet meer van huis konden, om ze te vermaken met de bekende wonderverhalen. Sommige ouden wisten nog dingen die jonge vertellers al niet meer hadden meegekregen, en zo hielden ze gezamenlijk het erfgoed levend. Ook bezochten Vertellers moeders met kleine kinderen, om ze voordat ze naar school gingen al het een en ander bij te brengen. En om ervoor te zorgen dat de moeders geen verkeerde verhalen aan hun kinderen vertelden. Sommige moeders hadden voorouders uit andere streken, je wist maar nooit wat voor bijgeloof daar heerste.

Je moest heel veel weten, je moest gezag hebben. Je moest ook van onbesproken gedrag zijn. Zou mijn haar een probleem zijn? Omdat mij van kindsbeen af aan was geleerd mijn haar te verbergen, durfde ik er geen vragen over te stellen.

Vragen stellen was altijd riskant. Op school vroeg ik bijvoorbeeld of er weleens mensen van Gralda of Mingia bij ons waren geweest? Waarom vraag je dat? wilde de dogman meteen weten.
Waarom vraagt een kind iets? Omdat haar nieuwsgierigheid gewekt is. Soms is de vraag er zelfs eerder dan de nieuwsgierigheid. Want nu de dogman de vraag ontweek, werd mijn verbeeldingskracht gewekt. Tegelijk voelde ik de dreiging van de grens die ik blijkbaar bereikt had. Zomaar, mompelde ik, en trok mijn sluier recht.

Va deed dat ook, dat vragen waarom ik iets vroeg. Er waren goede en foute redenen om een vraag te stellen. Goede vragen gingen over het verleden, over werkzaamheden en technieken om iets te doen, over zaken waar je als meisje en vrouw in diende uit te blinken. Foute vragen zetten vraagtekens bij de status quo. Waarom mogen meisjes niet meedoen aan de wedstrijd? Waarom reist niemand naar Gralda of Mingia? Waarom lopen alle straten evenwijdig?

Waarom heb ik zoveel vragen? vroeg ik me vaak af. Hebben andere mensen dat niet? Wil niemand verder kijken dan de zandduinen? Waarom leerden wij dan over de Heerlijkheden? Het woord alleen al maakte toch dat je wilde reizen?

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 3 Reacties

9 – Dunkitaba

Dunkitaba* was geheel ommuurd. Alleen aan de noordzijde – de achterkant, zeiden wij – was geen doorlopende muur. Daar waren de hekken, de toegangspoorten tot iedere straat, die 's avonds op slot gingen. Ze boden toegang tot de werkplaatsen die binnen de muren voor te veel lawaai of te veel rommel zouden zorgen.

Wie het dorp verlaten wilde, werd altijd gezien. Wie naar de markt wilde, liep langs de Omstraat via de zuidwal (zo kwam je langs het Palast, het grote gebouw dat tegelijk de hoofdpoort van de stad vormde. Daar vond de Verering plaats, en ook de rechtspraak), of, zoals ik, langs de hekken.

Omdat ons huis vlakbij een hek was (wij woonden aan het eind van de Vierde Westerstraat, met Va's werkplaats tegen de westelijke omwal), liep ik altijd via de Westelijke Middenstraat, langs de Tuinen, naar de markt om water te halen. Dat was mijn taak, 's morgens vroeg. Het zijn de mooiste uurtjes in de woestijn, 's ochtends vlak voor zonsopkomst en de namiddag vlak na zonsondergang. Dat koele, parelige licht, dat gevoel van rust en vrede, van dat alles in orde is met de wereld, ik kan er na zoveel jaar nog altijd een knijpend heimwee naar voelen. De zon kan een brute vijand zijn, maar ook een tere minnaar.

In het land waar ik nu woon, is de zon een geschenk. De zonsondergangen zijn woeste schilderijen. We hebben seizoenen en ik haat de winterkou. Ik haat de warme laarzen en de wollen doeken waarin ik me moet hullen. De stijfheid in mijn botten en spieren. Het warme zand dat ik als een mantel om me heensloeg, dat een-voelen met de aarde, dat wordt je ontnomen als je je geboortegrond verlaat. Maar teruggaan is geen optie. Ik kan mezelf alleen terug schrijven, en dat is op zich een wonder. En reden genoeg om het te doen.

*Voor de namen van de heerlijkheden ging ik te rade bij een boek over Friese stinzen zoals ze ooit hebben bestaan. Daarin vond ik namen als Offa Jargizma, Sjadde Bonga, Mormertille en Voocklama. Andere landen- of plaatsnamen creëerde ik door hun eigenschappen via Google Translate in het Arabisch te vertalen, of in een andere taal die ik niet ken. DunKitaba betekent (ik weet nu al niet meer in welke taal) NietSchrijven.
Geplaatst in feuilleton | Getagged | 7 Reacties

8 – de grote Hemren (2)

"Nu er letters waren," vervolgde mijn vader, "konden de landstreken genoemd worden. De rivieren kregen hun naam, evenals de meren. De mensen vestigden zich op de plaats waar ze zich het meest thuis voelden, en noemden de steden en de dorpen met de letters die ze hadden meegekregen.

De Grote Hemren koos uit zijn gevolg zes wijze mannen. Met hen vestigde hij zich op de Rots. De plaat met het Rotsvadmijn bleef achter op de Berg. Zelf nam hij twee kleinere stenen met zich mee. Daarop stonden twee geheime letters. Letters die het volk beter niet kon kennen. Onuitsprekelijke letters.

Pelgrims naar de Berg van Verering hopen altijd een glimp van die letters op te vangen, ze hopen dat de Grote Hemren ze in de Rots heeft gekerfd, of dat ze 's nachts tussen de sterren zullen staan. Maar voor de mensheid is het beter om niet alles te weten. Om de levensloop te laten bepalen door Hem die het beter weet. We hebben immers alles aan Hem te danken. Loof de Grote Hemren!"

"Hoe heetten die andere mannen?" vroeg ik de eerste keer.
"Het is beter om niet alles te weten," herhaalde Va.
Inmiddels weet ik hun namen: Thiarck, Folker, Murk, Rodward, Colt, Wigar.

Die verhalen brachten mij op het idee om verteller te worden. Dat was maar voor een paar vrouwen weggelegd. Toen ik veertien was, waren het er drie – twee jonge vrouwen en een stokoude - op een totaal van naar schatting zo'n duizend inwoners.

Dunkitaba telde zo'n 250 huizen in die tijd, de huizen van de wachters niet meegerekend. Rondom het marktplein waren winkels en praktijken van genezers. Sommige kooplieden woonden bij hun winkel. Sommige genezers woonden bij hun praktijk, andere hadden er een kruidentuin. Het dorp was pas vergroot, een aantal percelen lag nog braak, in afwachting van de nieuwe generatie. Het plan kon naar believen worden uitgebreid.

"En de Boom dan?" vroeg ik aan Va. Dat was inderdaad een probleem, zei hij. Misschien moest daar dan omheen gebouwd worden. Misschien was het ook beter om de school binnen de muren te trekken.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 8 Reacties