51 – weelde

Na het bezoek van Pucima braken er betere tijden aan. Mijn man keerde terug in ons bed, mijn lichaam begon weer naar hem te verlangen. Ik vroeg niet waar hij was geweest. Ik deed een bepaald gedeelte van mijn binnenste op slot, voor hem, voor iedereen, zelfs voor mezelf. We wandelden iedere namiddag naar de Tuin, Bo bij zijn vader op de arm, ik ernaast als stralende jonge moeder. Bo maakte zo'n blijdschap in me wakker met zijn heldere oogjes die alles opnamen. Alle dorpsbewoners die we tegenkwamen konden het niet laten om naar hem te zwaaien of kiekeboe te doen.

We kwamen altijd langs het huis van Storma, meestal waren de luiken dicht, maar op een middag zat ze buiten op een krukje, leunend tegen de muur. Ik nam kleine Bo op de arm en knielde bij haar neer. "Storma, hier is mijn zoon!"
Haar oude handen streelden de gladde jonge wangetjes, streelden over zijn zwarte krullen, trokken er tersluiks even aan, ik zag het wel en zij zag dat ik het zag, in haar blik een waarschuwing, het schoot me te binnen wat ze destijds verteld had over mijn eigen zwarte krulletjes. Nog een beetje moeizaam kwam ik overeind met het kind.
Storma zei: "Ik heb een versterkende drank voor je, kom even mee." Aan mijn handen trok ze zich op, mijn man wachtte toegeeflijk, van alle kanten van het marktplein kwamen mensen naar hem toe om kleine Bo te aaien.

Wij verdwenen in het donkere binnenste van Storma's huis. Ze rommelde wat in een grote kist en haalde er een klein stopflesje uit. Bridawertflu stond erop. "Neem elke dag een druppel. Het zal ervoor zorgen dat je niet zwanger raakt voor je zeker bent dat je kind …" Ik begreep wat ze bedoelde, al overzag ik in mijn jongemoedersgeluk de reikwijdte niet. Nu alles weer goed was wilde ik aan niets anders denken.

Zo werkt het brein blijkbaar, het zal een vorm van zelfbescherming zijn, een mens kan niet voortdurend ongelukkig of op haar hoede zijn. Ik dacht ook niet aan de ruzie tussen Va en Ma die ik had afgeluisterd. Ik dacht aan niets behalve mijn man, mijn kind, mijn rijkdom. Want ik genoot ervan, van de luxe, het heerlijke eten dat ik niet zelf hoefde klaar te maken, het zachte bed dat ik nooit hoefde op te rollen, mijn kast vol tunieken, broeken en japonnen van zijde, katoen of wol. Elke dag droeg ik mijn gouden kettingen en ik zag ze niet als ketens, ik zag ze als glinsterende bewijzen van liefde en voorspoed.

Dit bericht is geplaatst in feuilleton met de tags . Bookmark de permalink.

2 Reacties op 51 – weelde

  1. Fenna schreef:

    Mooi die opmerking over de juwelen ;”ik zag ze niet als ketens”.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *