84 – het leger

Ik schrok op van een groot kabaal bij de ingang van onze vrouwenkloof. Voorzichtig gluurde ik om een hoekje van de voorhang. Een compleet leger van kleurig uitgedoste wachters – die konden nooit allemaal van Hebotva zijn – had zich opgesteld. "Alle vrouwen naar buiten! Gezichtsbedekking af!"
Ik begreep niet wat er gebeurde. Lieten de Hemrenvas dit toe? Horva wist dat het om mij ging, zou hij me niet komen redden?
Waar was Kuuksi?
Ik hoorde haar mauwen en zag de achterhang van de cel bewegen. Ik deed het kleed opzij. Er was een smalle goot achter de cellen, waarschijnlijk om eventueel regenwater af te voeren dat langs de rotswand liep.
Ik pakte Bo van de vloer. Er was geen tijd meer om een drupje Graysaflu te nemen. We verborgen ons achter de cel en hielden onze adem in.

Het leger stampte vol machtsvertoon door de kloof. Voorhangen werden afgescheurd, vrouwen gilden. Waar bleven de Hemrenva's? Waren zij te heilig om aan vechtpartijen deel te nemen? Ik zag nog voor me hoe die ene wachter werd neergestoken, achtelozer dan het slachten van een beest.
"Yima van Hebotva! Geef je over!"
Grijze rots, grijze rots … iets anders kon ik niet bedenken. Verstenen en een worden met de rots, verstenen als de vissen en de baby's op het strand. Alle leven in me laten terugtrekken tot die ene vonk, die enige zekerheid: dat ik niet dood wilde en dat ik Bo moest redden. "Yima van Hebotva! Yima van Hebotva!"
En opeens, daar tussendoor: "Yima van Rodva!"
Nee!

Ik duwde de achterhang een heel klein beetje opzij. Ik zag het stampende, kleurrijke leger, een verzameling hooghartige kerels die dit klusje wel even zouden klaren. En daartussen liep mijn held, mijn broer. In zijn grauwe, versleten werkpak. Hij had het dus niet gered, ze hadden hem betrapt, ik zag hem in een flits maar ik kon zien dat hij mager was. Alles in mij wilde naar hem toe, mijn leven was het zijne niet waard! Maar Kuuksi sprong tegen mijn benen op met al haar nagels in mijn vel, ik liet de achterhang vallen en schreeuwde geluidloos.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 9 Reacties

83 – onrein

Er stond een vrouw bij de muur op ons te wachten. "Wat moet dat?"
"Stof kopen," zei ik. "Horvazoon heeft kleertjes nodig."
Gauw betaalde ik voor vlees en stof, en haastte me terug naar mijn cel.
Horva was erg te spreken over de maaltijd, die avond. Toen ik hem de stof liet zien, glimlachte hij toegeeflijk. "Goed dat je iets moois hebt uitgezocht voor Horvazoon. Hij is erg lief geweest vandaag." Bo zat stil als een standbeeldje naar ons te kijken. Mijn eigen kleine levendige Bo was hij alleen in mijn cel, als ik mijn lap afdeed.

De dagen werden weken. Ik liet me in slaap sussen. Zo gauw is een vals gevoel van veiligheid een drijfveer om ergens te blijven.
Maar onvermijdelijk kwam de dag waarop Horva aankondigde: "Morgen moet mijn pij gewassen worden."
Ik werd misselijk van het idee dat hij me zou aanraken.

Ik had al bij andere vrouwen gadegeslagen hoe de pijwasdag verliep. Eerst ontbijt brengen, dan terugkomen met de pij, dan aan de slag met zeep en boender en water, dan de pij te drogen hangen over een van de grote wasrekken … en dan verdwijnen tot het avond werd. Tot de pij weer droog was.
Ik zei: "Maar dat kan niet. Ik ben … ik heb … ik ben onrein."
Zijn serene glimlach veranderde even in een uitdrukking van walging. Viezigheid, hij moest er niets van hebben.
"Goed," zei hij. "Over vijf dagen dan."
Het was niet waar, wat ik gezegd had. Ik nam nog trouw elke dag een drupje Bridawertflu, al begon het flesje akelig leeg te raken. Maar het gaf me vijf dagen respijt.

Sinds ik was aangekomen op Kraeckten San had ik Kuuksi niet meer gezien. Toch moest ze ergens op het eiland zijn, ze was meegevaren, ze had me op de boot beschermd. Zo lang geleden leek het al, ik had me werkelijk in slaap laten sussen door de monotonie van het bestaan, de afgedwongen blindheid. Toen ik op die dag terugkwam van de rotsgang, zat ze in mijn cel. Bo kraaide en stak blij zijn handjes naar haar uit, hij was haar niet vergeten! Vandaag wilde Horva Bo niet bij zich houden, vermoedelijk vond hij het kind nu ook onrein.
Ik zat koortsachtig na te denken. Was vandaag mijn kans? Zou er weer schapenvlees zijn op de markt? Of andere kooplui met wie ik mee kon varen?

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 4 Reacties

82 – naar de markt

Op een dag – Bo was bij Horva - was er schapenvlees op de markt. Ik besefte dat dat van Taka Haringes moest komen. Dat al die grijze wol op Kraeckten San ook daarvandaan kwam.
Ik wees een lap vlees aan, en zei tegen de koopman: "Heeft u ook wol te koop?"
Het was me opgevallen dat er niets gedecoreerd was op dit eiland. Zelfs de borduursels op onze cellen, de namen van de Hemrenvas, waren met grove, onhandige steken aangebracht. Niets was mooi hier, het leek of schoonheid een zonde was. De koopman keek me dan ook verbaasd aan.
"Nee … ja … wel geweven stof, als u dat bedoelt. Het ligt in de boot, het gaat naar Langen San."
"Mag ik het zien?"

Hij deed een graai achter zich. Even dacht ik dat hij daar een lap wol had liggen, maar het bleek een jongen van een jaar of tien, die achter vaders rug lag te slapen.
"Jadva, loop even met mevrouw naar de boot. Neem maar mee terug wat ze kopen wil."
Nieuwsgierig keek de jongen naar me, naar die mevrouw zonder gezicht. Toen wenkte hij me, en ging me voor in de richting van de uitgang van de markt. Ik hoorde een vrouwenstem roepen achter me: "Waar ga je heen?"
Ik liep stug door. Niemand had me gezegd dat het verboden was. Er was een pad naar beneden, naar het strand waar verschillende bootjes lagen. Zo werd het eiland dus van voedsel en andere benodigdheden voorzien.

Jadva knoopt het touw los dat om een grote baal stof gewikkeld zat. Lappen in allerlei kleuren, van dunne, fijne weefsels tot grove stof en vilt. Ook de jute lappen die onze gezichten bedekten zaten ertussen, kennelijk werden die ook op Taka Haringes geweven. "Ik wil wel graag een extra lap," zei ik. En misschien mooie zachte stof om een jasje voor Bo van te maken, ik liet verlangend een rode door mijn vingers glijden. Maar nee, ook de paar kinderen – jongens – die ik hier zag droegen grijs.
"Heb je ook naaigaren?'
Hij toonde me een kistje vol klosjes, ik pakte er twee uit.
"Wanneer varen jullie weer terug?" vroeg ik.

"We moeten eerst door naar Langen San," zei hij, terwijl hij de baal stof weer dichtknoopte. "En dan vanavond terug naar huis. Als het getij tegenzit slapen we soms hier. Maar dat doen we niet graag."
"Hoezo?"
Hij gebaarde vaag naar waar de top van de rots zichtbaar was. "Daar ligt van alles op het strand."
"Wat dan?"
"Versteende baby's. Versteende vissen. Kijk." Hij pakte iets van de bodem van de boot. Een versteende vis die net echt leek, glanzend en nat. "Vreemdelingen betalen er goed voor."
"Maar baby's?"
"Meisjesbaby's."
Het was of het zand onder mijn voeten wegspoelde. Bijna stikkend volgde ik hem terug naar de markt.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 7 Reacties

81 – het potje met het kruisje

Bij de vuurplaats bakte ik snel de visjes. Moest ik ze meenemen naar mijn cel? Een medekookster verzekerde me dat ik ze gerust kon achterlaten. Niemand zou ooit iets wegpakken dat het eigendom van een Hemrenva was. Rijst en tomaten zou ik later klaarmaken. Nu eerst terug naar mijn cel. Waar in elk geval niemand me kon zien. Ik zette Bo op het kleed, legde een paar steentjes voor hem neer om mee te spelen, en ging toen met mijn hand in de draagzak.

Mijn vingers sloten zich om een van de potjes. Die met het kruisje erop. Ik deed het deksel eraf. Er zat een klein zijden zakje in. Ik knoopte het touwtje los en zag piepkleine glazen korreltjes. Kleine kraaltjes leken het wel, maar ze hadden geen gaatjes. Ik goot ze op mijn hand die nu prikte en tintelde. Met mijn andere hand legde ik het zakje op het kleed en streek het glad. Daar goot ik de korreltjes bovenop. Een bergje, als een bergje meel. Het bergje zakte in, als een vulkaan met een krater. Het bergje splitste zich, het verhaal van Horva kwam me voor de geest, het bergje splitste zich nogmaals, een plat brood dat in vieren gesneden was. Toen sloten zich drie van de vier armen van het kruisje. Een weg bleef open. Ik probeerde me te oriënteren … daar lag de Naamloze Zee. Op de een of andere manier moest ik proberen door die uitgang te komen.
Ik goot de korreltjes weer op mijn hand en deed ze terug in het zakje. Touwtje erom, potje dicht, klaar. Voor de zekerheid nam ik opnieuw een drupje Helvarderaflu. Horva mocht niet merken dat ik iets van plan was.

Een paar dagen liet ik verstrijken. Niet alleen om de indruk te wekken dat ik blijven zou, dat ik dankbaar was voor het onderdak mij geboden, maar ook omdat het nu pas tot me leek door te dringen wat ik gedaan had. Mijn hele comfortabele leventje opgegeven, voorgoed alles achter me gelaten wat me vertrouwd was, mijn familie die misschien zou moeten lijden onder mijn ontsnapping … Ik dacht aan mijn dapper broer, zou hij veilig thuisgekomen zijn?
En wat moest ik met de rest van mijn leven en dat van Bo, zou ik ooit ergens veilig zijn, en in staat voor ons beiden te zorgen?

Automatisch verrichtte ik de taken die het leven van een dienares op Kraeckten San uitmaakten. Ontbijt brengen, naar de rots lopen, daarna boodschappen doen, eten klaarmaken, Horva's hut schoonvegen, mijn cel een beetje netjes houden, kleren wassen …
Ik nam elke dag een drupje Helvarderaflu om het vol te houden, om een willoze handpop te zijn.
Wat niet wegneemt dat ik wel mijn ogen openhield.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

80 – Kraeksten San

Toen hij genoeg gegeten had, zei Horva: "Straks gaan we naar de rots. Het is onze taak als Hemrenva. Eens, toen Kraeckten San nog Kraeksten San heette, heeft een vrouw onze rots beklommen. Toen ze boven was, begon de rots te kraken. Het gesteente splitste zich, een diepe kloof die evenwijdig aan het strand liep. De vrouw kon zich nog net vastgrijpen aan de gifboom. Toen splitste het gesteente zich nogmaals. De nieuwe kloof liep van zuid naar noord, precies in de richting van de Ware Rots. De vrouw vond haar dood op het kruispunt van de beide kloven. Het gesteente sloot zich weer, maar bovenop de rots zien we dat kruispunt nog, als een teken van de Grote Hemren. Sindsdien heet ons eiland Kraeckten San. Omdat we weten dat de rots zal kraken als een vrouw zich niet aan de geboden houdt."

Horva vertelde het alsof het een kindersprookje was, Bo zat gefascineerd naar zijn handgebaren te kijken. Horva glimlachte en zei: "Vandaag jouw eerste keer, Horvazoon! Zodra je kunt lopen mag je mee naar boven."

De theekan bleef achter in zijn hut. In processie – Horva voorop, ik er achteraan met het kind, af en toe struikelend vanwege het geringe zicht – liepen we naar de rots. Uit alle hutjes kwamen die processies. Bij een enkele liep een kleine jongen mee.

Van dichtbij leek deze rots een versteende hut, maar dan zonder ingang. Er was een spiraalvormig pad in uitgekerfd. De Hemrenvas liepen over dit pad naar boven. In hun grijze pijen waren ze maar nauwelijks te onderscheiden van het gesteente. De voorste, die al bijna boven was, leek iets te dragen.

De dienaressen stonden onderaan de rots, met hun gezichten – hun jute lappen - in de richting van de Ware Rots. Ik voegde mij in die halve cirkel. Bo zat aan mijn voeten en speelde met de steentjes die hij vond. "Niet in je mond!" zei ik, en ik kreeg een klap van de vrouw naast me.

De rest van de dag verliep zoals de vorige, alleen had ik Bo nu bij me. Ik deed hem in de draagzak toen ik naar de markt ging. Er was vis. Ik besefte dat die was binnengebracht door de andere ingang. Zou die een uitgang voor mij kunnen zijn? Ik voelde in mijn rug hetzelfde getintel dat ik soms in mijn vingers voelde.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

79 – een brandmerk

Met Bo op mijn heup en de vuile schaal in mijn andere hand liep ik het lange eind terug naar mijn cel. Rondom mij stonden de mannenhutjes als puisten op de rotsige grond. De aanwezigheid van vrouwen werd door niets verraden. Behalve dan een enkeling die ik ook met zo'n schotel terug zag lopen. Naamloos, zonder gezicht. In de verte de Rots in het laatste zonlicht.

Ik bracht de schotel terug en waste hem af. Ik haalde water en vulde er een grote kom mee. Toen kleedde ik Bo uit. Hij was helemaal nat en vies. En hij was zo stil, hij hulde niet, hij trappelde niet, hij gaf geen kik toen ik hem liet zakken in het koude water, lieve lieve Bo, wat heeft hij met je gedaan?

We moesten hier weg, al had ik geen idee hoe. Maar eerst moesten we slapen. Ik waste mijn handen en plensde wat water tegen mijn gezicht. Met Bo in een schone doek gewikkeld liep ik terug naar mijn cel. Meteen deed ik mijn lap af, en eindelijk kwam er een lachje bij Bo. Ik deed mijn zwarte mantel uit en nam hem op schoot. Hij greep naar mijn muntje en ik slaakte een kreet van pijn. Het voelde alsof het metaal op mijn huid gebrand zat, au! Ik keek en zag een klein brandmerk in de vorm van een vreemd scheef kruisje.

Ik rolde de bedrol uit. Bo viel bijna meteen in slaap. Ik lag wakker. Hoe kwam ik hier ooit vandaan? Steeds zag ik het beeld voor me van de wachter die neergestoken werd als een beest, ontdaan van zijn mooie kledij, zonder iets van eerbied voor een leven, een dood. Gevoelloos, koud. Werden vrouwen hier zo? Of moest je zo zijn om het vol te houden?

In de ochtend werd ik wakker van een bel en een schelle stem die riep: "Opstaan! Ontbijt!"
We moesten brood en thee naar onze Hemrenva brengen.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

78 – het avondmaal

Horva had niet gezegd wat ik moest kopen. Was het een test? Ik kocht maar wat ik kende, van vroeger, van thuis. Geitenkaas, brood, rijst, kool. En geitenmelk voor Bo.
"Alleen als je vlees koopt, mag je dat meteen bereiden," zei mijn gids. "De rest neem je mee naar je cel. Er wordt alleen 's morgens en 's avonds gegeten. Overdag versterven wij voor de Grote Hemren."
"Maar mijn zoon …"
"De kleine Horva zal het gauw genoeg leren," zei zij streng.
"En waar kan ik me wassen?" Ik voelde me zo vies, na die lange reis. Ik voelde me ook vies en bezoedeld door de gang van zaken hier, maar dat merkte ik pas de volgende ochtend, toen het drupje van de Helvarderaflu was uitgewerkt.

In de avond liep ik met een schotel eten naar Horva – de meeste vrouwen droegen die op het hoofd, dat speelde ik nog niet klaar, ik hield hem in beide handen voor me, doodvoorzichtig lopend omdat ik zo slecht kon zien waar ik mijn voeten neerzette.
Horva zat als een prins rechtop in zijn hut en Bo zat naast hem, stil en gedwee. Hij reageerde pas op me toen ik sprak.
Ik zette de schotel met eten midden op het kleed en wilde er naast gaan zitten.
"Eerst de mannen," vermaande Horva.
Ik had Bo's kopje meegenomen in de zak van mijn zwarte overkleed. Ik schonk het vol geitenmelk en gaf het aan hem. "Drink maar lekker op, mijn prinsje …"

Ik moest blijven staan tot Horva genoeg had. Hij scheurde een stuk van het platte brood en gaf dat aan Bo, die nog helemaal niet wist hoe hij dat eten moest. Kennelijk had Horva geen idee. Ik hurkte bij hem neer om kleine stukjes brood in de melk te dopen. Ik liet hem ook wat kaas van mijn vinger sabbelen.
Horva keek toe alsof ik een varken in zijn hut had toegelaten.
"Neem het kind alsjeblieft mee, en breng hem morgen schoon bij me."
Schoon, hij in zijn ongewassen pij. Maar ik zweeg. Ik schrokte de resten van de schotel naar binnen, mijn vette hand steeds achter de lap, ik had zo'n ontzettende honger.
"Je kunt gaan."

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

77 – ontploffingsgevaar

"Ik kom je zo halen om inkopen te doen," zei de vrouw. Ik was alleen in het schemerige kamertje. Ik rukte de lap van mijn hoofd en haalde diep adem. Ik voelde me alsof ik zou ontploffen zo opstandig – maar dat kon niet, dat mocht niet. Om te beginnen schoof ik mijn schild onder het vloerkleed. Het zou ongemakkelijk liggen, maar dat moest dan maar. Ik liet de draagzak van mijn schouders glijden. Geld, sieraden, flesjes … Die waren het belangrijkst. De sieraden kon ik omdoen, niemand zou ze ooit te zien krijgen. Over de rest moest ik nadenken.

Ik haalde de paar kledingstukken die ik bij me had eruit en hing ze aan de haken. Ik voelde een tinteling in mijn vingers toen ik de flesjes aanraakte. Ik volgde die tinteling. Op gevoel pakte ik een flesje. Helvarderaflu stond erop. Ik deed een drupje op mijn tong en stopte het flesje zorgvuldig terug.

"Ga je mee?" klonk het buiten. Ik knoopte mijn lap weer voor mijn gezicht. Met een soort gedweeheid die niet de mijne leek stapte ik naar buiten. Een vrouw zonder naam, zonder gezicht, zonder ontploffingsgevaar. In dienst van de Hemrenvas, de hoeders van de geboden, van de verering van de Grote Hemren. Het was mijn bestemming en ik vocht er niet meer tegen.

Samen liepen we de kloof door, die zich naar het einde toe verwijdde. Daar was een waterput. Onder een groot afdak waren stenen wasplaatsen. Een paar grijze pijen hingen er te drogen, gedrapeerd over een houten wasrek. Aan de andere kant waren vuurplaatsen waar eten klaargemaakt kon worden. "Hier vandaan breng je je Hemrenva zijn maaltijden," wees mijn begeleidster. "Heeft hij je gezegd wat je moet kopen?"

Voorbij de put ging het pad weer iets omhoog, en daar was de markt, ommuurd met twee ingangen: die waardoor wij nu binnenkwamen, en een aan de kant van de Naamloze Zee. Achter de verste muur rees de Rots van Kraeckten San op. De meeste koopwaar kwam via Langen San, al werden er ook producten uit Mingia aangeboden. De alomtegenwoordige grijze stof kwam van Taka Haringes.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 8 Reacties

76 – de zonde

"Als jouw leven je lief is, zullen wij jouw zoon opnemen en opvoeden tot Hemrenva. Dan zullen we van jouw zonde niet meer spreken."
Hij nam Bo op zijn schoot, en het leek of de kleine voelde dat het belangrijk was om lief te zijn. Ik zat onder mijn lap en sidderde.
"Sommige dienaressen mogen naar Langen San om voedsel of andere benodigdheden te kopen. Er wordt ook voedsel verkocht op de markt bij het vrouwenverblijf. Daar slapen de dienaressen. Zonen slapen bij hun vader zodra ze … zodra het kan."
En dochters? vroeg ik niet. Bo bij hem laten? Hemren sta me bij. Maar Hemren stond Horva bij.
"Zijn naam is nu Horvazoon."

Hij gaf het kind weer aan mij en zei: "Maak hem schoon."
De lap voor mijn gezicht zat me vreselijk in de weg bij deze taak, Bo had er plezier in hoe de stof zijn buikje kriebelde.
In een schone doek gewikkeld zat hij weer bij Horva op schoot. Hij moest ook nodig drinken en eten hebben. Net als ik, trouwens.
"Ga naar de vrouwenzaal. Ze wijzen je daar een slaapplaats. Koop voedsel voor het avondmaal en kom dan terug."
Bo begon te huilen toen ik opstond en door de lage deuropening naar buiten ging. Benauwd had ik het, ik wapperde even met mijn lap om wat frisse lucht op te snuiven. Achter me klonk een vrouwenstem: "Niet doen in het openbaar, dat hoort niet."
Ik herkende het slome geluid van de vrouw die Bo had vastgehouden.
"Horva zal wel blij zijn, zomaar een gezonde zoon!"
Was het dan normaal? Moest ik het normaal vinden? Voorlopig wel. Ik had geen keus. De munt op mijn borst gloeide en schrijnde.
"Loop maar mee, ik wijs je je plek," zei de vrouw.

Het was een flink eind lopen. Overal op de hoogvlakte stonden de hutjes van de Hemrenvas, maar iets wat een vrouwenzaal zou kunnen heten zag ik niet. Tot de grond plotseling uiteen spleet in een smalle vallei met aan weerszijden hoge rotsen. Er liep een pad naar beneden. Aan weerszijden van het pad waren rieten afdakjes gebouwd, tegen de rotswand aan. Onder dat lange rieten afdak was de ruimte in kamertjes verdeeld met lappen grijze stof. Op de voorste lappen waren mannennamen geborduurd. Het kamertje met HORVA was voor mij. Er lag een kleed op de vloer, en een bedrol. Aan de lat waar de achterhang aan was bevestigd, hingen ook een paar haken aan een eindje touw. Zou ik mijn draagzak hier veilig kunnen achterlaten? En mijn schild?

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

75 – Horva de Hemrenva

Van het strand leidde een snel stijgend pad naar de rotsige hoogvlakte die Kraeckten San was. En midden op de hoogvlakte stond in de verte de Rots van Kraeckten San, ik herkende de vorm die ik gezien had, heel lang geleden in een vorig leven, toen met Pucima bij de kreek.
Hier en daar stonden wel bomen, en er vlekte ook wat groen. Verspreid over de hoogvlakte stonden merkwaardige hutjes. Ze leken opgebouwd uit twijgen, bekleed met een grijzige stof.
De vrouw gaf me Hemren zij dank mijn kind weer terug. Zij volgden hun begeleider. "We zien je vanavond," zei ze nog.

Ik bleef over met de derde man. Ook hij droeg zo'n dolk.
Op vriendelijke toon zei hij: "De grote Hemren is mij genadig. Mijn dienares is mij ontvallen, en nu brengt hij jou. En nog wel met een nieuwe man ook."
Hij aaide Bo over zijn bolletje en streek zijn muts naar achteren.
"Een witharige! Helemaal uit het Noorden, mijn manneke?"
Yima de vragenstelster was dood. Stijma de gehoorzame deed niets dan knikken. Bo beschermen en in leven blijven de enige doelen. Ik rilde van moeheid en kou. We liepen naar het hutje van mijn begeleider. Binnen was het vrijwel donker. Het enige licht kwam door de smalle opening van de ingang. Op de vloer lag een dik wollen kleed. Zijn bedrol was tegen de wand geschoven.
"Ga zitten," zei hij. "Straks wijs ik je de weg naar de vrouwenzaal. Nu vertel ik je eerst over je plichten."
Ik liet me zakken op het kleed. In het schemerige hutje zag ik vrijwel niets, ik kon het gezicht tegeover me niet onderscheiden.

"Mijn naam is Horva, onthoud dat." Naar mijn naam vroeg hij niet. "Wij Hemrenvas houden de oude regels in stand. Elke dag beklimmen wij onze rots om de Grote Hemren op de Ware Rots te eren. Wij zijn de Geestelijk Vaders, wij richten ons uitsluitend op het hogere. Dienaressen hebben de eer voor ons lichamelijk welzijn te zorgen. Om onze hutten schoon en zuiver te houden, om onze pijen te wassen, om ons voedsel te bereiden. Dat is een belangrijke taak, dat beseffen alle dienaressen hier op het eiland. Op de dag van het wassen van de pijen zitten de Hemrenvas naakt in hun hut. Als zij het nodig hebben, zal de dienares op die dag bij hem liggen. Soms zegent de Grote Hemren ons dan met een zoon."
Of met een dochter, dacht ik. Maar zweeg.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 4 Reacties