Ik schrok op van een groot kabaal bij de ingang van onze vrouwenkloof. Voorzichtig gluurde ik om een hoekje van de voorhang. Een compleet leger van kleurig uitgedoste wachters – die konden nooit allemaal van Hebotva zijn – had zich opgesteld. "Alle vrouwen naar buiten! Gezichtsbedekking af!"
Ik begreep niet wat er gebeurde. Lieten de Hemrenvas dit toe? Horva wist dat het om mij ging, zou hij me niet komen redden?
Waar was Kuuksi?
Ik hoorde haar mauwen en zag de achterhang van de cel bewegen. Ik deed het kleed opzij. Er was een smalle goot achter de cellen, waarschijnlijk om eventueel regenwater af te voeren dat langs de rotswand liep.
Ik pakte Bo van de vloer. Er was geen tijd meer om een drupje Graysaflu te nemen. We verborgen ons achter de cel en hielden onze adem in.
Het leger stampte vol machtsvertoon door de kloof. Voorhangen werden afgescheurd, vrouwen gilden. Waar bleven de Hemrenva's? Waren zij te heilig om aan vechtpartijen deel te nemen? Ik zag nog voor me hoe die ene wachter werd neergestoken, achtelozer dan het slachten van een beest.
"Yima van Hebotva! Geef je over!"
Grijze rots, grijze rots … iets anders kon ik niet bedenken. Verstenen en een worden met de rots, verstenen als de vissen en de baby's op het strand. Alle leven in me laten terugtrekken tot die ene vonk, die enige zekerheid: dat ik niet dood wilde en dat ik Bo moest redden. "Yima van Hebotva! Yima van Hebotva!"
En opeens, daar tussendoor: "Yima van Rodva!"
Nee!
Ik duwde de achterhang een heel klein beetje opzij. Ik zag het stampende, kleurrijke leger, een verzameling hooghartige kerels die dit klusje wel even zouden klaren. En daartussen liep mijn held, mijn broer. In zijn grauwe, versleten werkpak. Hij had het dus niet gered, ze hadden hem betrapt, ik zag hem in een flits maar ik kon zien dat hij mager was. Alles in mij wilde naar hem toe, mijn leven was het zijne niet waard! Maar Kuuksi sprong tegen mijn benen op met al haar nagels in mijn vel, ik liet de achterhang vallen en schreeuwde geluidloos.











