131 – overal ogen

In de weef moest ze een ruzie beslechten tussen Tikman en een andere jongen, zodat ik Hemrenzijdank mijn aankopen zonder toezicht kon uitpakken. De flesjes stopte ik meteen in de kluis. Toen ik me voorover boog, voelde ik de munt aan mijn huid plakken. Het schrijnde, het ronde teken bloedde. Voor het eerst sinds tijden draaide Kuuksi een achtje om mijn enkels. Ze was er bijna nooit, behalve 's nachts, als Bo een nachtmerrie had, dan kroop ze soms tegen hem aan.

Het liefst was ik meteen het dak op gegaan, om aan Blufam te vragen of zij iets wist over een verzetsgroep … maar van wie dan? Of liever, tegen wie? Maar ik wist dat Morfam op me lette.
Het was de eerste keer in jaren dat de oude Yima, de vragenstelster, weer ontwaakte. Niet voorgoed, daarvoor waren de kinderen nog te klein. Maar vergeten deed ik het niet. Ik dacht vaak aan Vulema, aan de zus van mijn moeder, aan het zusje van Mia.

Pas een aantal dagen later durfde ik er tegen Blufam over te beginnen. Een verzetsgroep in Harstamar, was dat net zoiets als waarover ze verteld had? Mannen die opkomen voor vrouwen, die ingaan tegen … die niet geloven … ik kon het nog steeds nauwelijks over mijn lippen krijgen.
Ze keek me aan en knikte.
"Wees voorzichtig," zei ze. "Wees altijd op je hoede. Je kunt niemand vertrouwen. Mij wel, maar Morfam niet. Fegman niet."
"Letifam?"
"Dat weet ik niet zeker. Haar man heeft … Otta is er een van een tweeling. Hij heeft geprobeerd het Tweede Meisje het land uit te smokkelen … haar mee te geven met een koopvrouw uit Ukufila."

Met een schok dacht ik terug aan de markt in Dunkitaba, waar we mijn muntjesdoek hadden gekocht van een vrouw uit Ukufila.
"Natuurlijk werd hij gesnapt. Er zijn altijd overal ogen. Hij is direct ter dood gebracht. Misschien is dat wel beter dan levenslang in de Visietunnel."
"En het kind?"
"Ze zeggen dat de vrouw het meegenomen heeft, onder haar kleren verborgen."
Ik zag haar nog zo voor me, in die stevige kleren, en kon me voorstellen, durfde te hopen, dat het waar was.

"En Burman?"
"Die is hier geboren, Letifam was net opnieuw zwanger geworden. Ze mag er niet over praten. Zij wordt net zo streng in de gaten gehouden als ik. Breng haar niet in gevaar."
"En jij dan?"
"Ik heb geen kinderen," zei Blufam. "En voor Zaloman is er geen redding meer."

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

een boekje over rouw

Nadat ik zo dom was geweest om naar Politiek24 te kijken en met eigen ogen te zien dat ook Sigrid Kaag een narcist is, werd ik de volgende dag nog woedender. Want oh, zij had de Morele Lat zó hoog gelegd, zij verdiende zóveel respect!
Iedereen leek de glasharde leugens van de vorige dag vergeten, nu was Hare Kaag weer heilig, en wie dat niet vond was vast tegen vrouwen in de politiek. Ik lig hier krijsend en trappelend op de grond. Hoe kan iedereen zo blind zijn en niet zien dat dit de perfecte narcistentruc was?

Ik weet dat dit een terugkerend thema is bij mij. Het gebeurt steeds weer, en steeds opnieuw vraag ik me af: hoe kan ik hier mee omgaan zonder mijn gezondheid te schaden? Toen ik het aan kindeke vertelde, zei zij laconiek: "Ik wist helemaal dat ze afgetreden is."
Zo wil ik het niet, ik wil wel op de hoogte blijven.
Maar niet zo dat ik weer een enorme flare krijg, met alle koorts en pijn van dien.

Intussen gaat het met de knutselarij heel goed. De laatste serie kaarten die ik online zette, was binnen 5 minuten verkocht. Die kaarten zijn puur esthetisch, vormen en kleuren en texturen. Maar nu had ik een sterk gevoel dat ik weer eens iets uit mijn hart moest maken. Het houdt het midden tussen een boekje en een kaart, het heet een luikvouw, het gaat over ROUW.

Want er is weer zoveel om over te rouwen. Het gevoel dat ik steeds verder buiten de samenleving geduwd word, het gevoel dat er de rest van mijn leven niets anders te verwachten valt dan dit. Ik mag niet klagen van mezelf. Ik heb een mooi huis, geen geldzorgen, lief kindeke, lief katje … Maar tegelijk voel ik af en toe de ergernis van anderen, zo van 'doe niet zo moeilijk, houd eens op met ziek zijn en laat je gewoon vaccineren,' een beetje hetzelfde mechanisme als wanneer je andere gezondheidsadviezen niet aanneemt ('maar je moet ook abrikozen eten!'), dan is het je eigen schuld, dan moet je het verder zelf maar uitzoeken.

Heel veel dagen heb ik genoeg aan wat ik heb, het schrijven, het creëren, af en toe wandelen met een goed gesprek, mooie boeken lezen, leuke series kijken. Maar er zijn ook dagen waarop ik mezelf niet uit het moeras krijg. Daar gaat dit boekje over, denk ik.

HRB137/21 te koop voor €9,95

Geplaatst in autobio, tijdgeest | Getagged , , | 8 Reacties

130 – naar de warenmarkt (2)

"Ga anders een keer mee naar het meer," zei het rietmeisje.
"Mag dat?" vroeg ik ongelovig.
"Dispensatie vragen," zei ze.
Wat een idee. Ik werd er helemaal opgewonden van.
Het meisje lachte en zei: "Koop je nog wat vandaag?"
Oja. Ik moest mijn draagzak wel vullen. Ze had mooi gras voor kleine tasjes.

"Hoe heet je eigenlijk?' vroeg ik, na al die jaren.
Ze keek me doordringend aan met die zwarte ogen van haar. Boosheid en verbazing. "Tweede Meisjes hebben geen naam, dat weet je toch wel?"
Dat wist ik niet. Ik was ervan uitgegaan dat Tweede Meisjes net zo heetten als hun zusjes, zoals dat in Dunkitaba gewoon was. Ik was nog altijd een buitenlander.
"Het spijt me," zei ik tegen Rietmeisje. Ik boog me over mijn draagzak om het riet erin te doen.

Mijn munt gleed onder mijn tuniek vandaan, ik wilde hem terugstoppen toen Rietmeisje vroeg: "Wat is dat?"
"Mijn geluksmunt," zei ik luchtig, op een toon van 'daar geloof ik niet echt in, dat snap je natuurlijk wel.'
"Laat eens kijken?" Ze bekeek hem van dichtbij, draaide hem om en zei: "Ik heb ooit iemand gezien die precies zoeen had. Zelfde tekens achterop, zelfde gezicht … ben jij dat?"
Ik wist niet wat ik moest zeggen. Had zij Vulema ontmoet? "Hoe lang is dat geleden?" vroeg ik.
"Heel lang geleden. Ik was net buiten de muren, het was mijn eerste tocht naar het Dzikomeer. Je kunt daar de Heerweg zien, of de schaduw dan, hè, aan de overkant van de Helvarderaflu. In Harstamar is een verzetsgroep …"

Heel toevallig kwam Morfam er toen aan. Om te kijken waar ik bleef, ik was al erg lang weg. Vragend keek ze naar mijn draagzak.
"Ik heb wat cadeautjes gekocht voor de kinderen," zei ik. Ik hees de tas op mijn rug, zei "tot de volgende keer" tegen Rietmeisje en volgde Morfam terug de stad in.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

129 – naar de warenmarkt

Ik keek uit over de haven, zag een paar van die mooie koopmansschepen liggen, en onderscheidde ik Wyda Moor, daar in de verte? Ik dacht opeens aan mijn schild, dat nu al jaren achter mijn waskast schuilging, en aan het visioen van een reis die oneindig veel langer was. Ik schudde mijn hoofd om het kwijt te raken. Het leven was immers goed zo.

In de zon rondde ik de muren van Barraspira, in mijn witte kleren, in volle wapenrusting, want dat was van het grootste belang, had Morfam gezegd. Wegens de bandeloosheid, ze keek er zo vies bij dat ik bijna in de lach schoot.
In plaats van direct naar mijn rietmeisje te gaan, liep ik langs alle kramen en stalletjes. Er werd anders naar me gekeken, dat merkte ik wel. Brutaler, uitdagender. Het waren niet alleen jonge meiden, sommige vrouwen leken al behoorlijk oud, al kon dat ook met hun harde leven te maken hebben. Een vrouw deed me opeens aan Storma denken. Zij wenkte me en wees op een houten kastje dat achter haar stond. Vol flesjes.

"Heilig water kopen?" vroeg ze, en pakte een flesje met Helvarderaflu erop.
Ik griezelde ervan, nee, dat wilde ik liever nooit weer innemen. "Heb je ook Bridawertflu?" vroeg ik. Niet dat ik het idee had dat ik dat ooit nog nodig zou hebben. Toch voelde het goed. En Graysaflu wilde ik ook wel aanvullen. Voor het geval dat. Rare gedachten!
"En deze?"
Murmerflu. Die had ik nog helemaal niet gebruikt. Ik schudde mijn hoofd.
"Deze dan?"
Wispelerflu? Die kende ik niet. Ik herinnerde me wat Fegman had gezegd, over de grensbewaking. "Waar is dat voor?"
De oude vrouw grinnikte. "Word je vrolijk van."

Dat kon geen kwaad. Ik betaalde voor de drie flesjes en stopte ze heel diep onderin de draagzak, die nog steeds dienst deed, maar nu voor riet.
Ik kocht een mooi lint voor Mia en een stuk bergkristal voor Bo.
Het rietmeisje had deze keer niet precies wat ik zocht. Fegman had me gevraagd of ik weer een nieuwe voorraad dodenmatten kon maken.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

128 – naar school (2)

Twee jaar later ging Bo, dat voelde toch heel anders. Letifam zag het aan me, of tenminste dat het me veel deed, ze zei begripvol: "Einde van een tijdperk hè? Van nu af aan groeien de kinderen steeds verder van ons weg." We keken ze na bij het hek, Burman had Bo's hand gepakt, je kon zien dat hij bang was. Bo vond het alleen maar reuze stoer dat hij nu eindelijk Tikman achterna ging.

"Ja," zei ik tegen Letifam. Zij wist niet dat het anders lag voor mij, dat Bo mijn échte kind was, de reden voor mijn vlucht, de oorzaak van mijn verblijf hier, in Barraspira, in de weef. En ook de zorg die ik soms had, dat Bo meer van zijn vader in zich had dan ik zou kunnen verdragen.

De jongens leerden hun letters aanvankelijk ook op zo'n wastafeltje, maar later mochten ze ze schrijven op leisteen, of op potscherven zoals ik ze gezien had op Schorre Klif, toen Manuva me bij zich had geroepen met de boodschap dat er naar me gezocht werd. Heel soms zag ik ook hier een grootuil door de lucht zeilen, met een boodschap onderweg naar het Palast van Storeman. Ik vond het heel logisch dat jongens dat leerden, en meisjes niet. Wat hadden wij vrouwen te schrijven? Af en toe kwam Fegman met een specifieke opdracht, om iets te maken voor een bepaald persoon, dan verwerkte ik soms letters in mijn ontwerpen, en ik vlocht soms amuletjes met de letter H, maar dat was het dan ook.

Nu ik zo'n gevestigde inwoner van Barraspira was geworden, kreeg ik toestemming van Morfam (en van Fegman) om in mijn eentje naar de warenmarkt te gaan. Ik kreeg er een passeer voor – een ronde munt waar een stadspoort op stond afgebeeld – die ik aan de wachters bij het Palast moest laten zien. Op de terugweg werden mijn aankopen gecontroleerd, waarschuwde Morfam, de eerste keer dat ik ging. Alsof ik … ik had geen idee wat voor smokkelwaar een mens zou kunnen kopen. Toch gaf het een speciaal gevoel, om zonder begeleiding de poort uit te lopen, de wereld in.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

127 – naar school

Mia was als eerste aan de beurt om naar school te gaan. Ze kreeg precies zo'n kralenstaafje mee naar huis als we in Dunkitaba hadden gehad, alleen met twee mooie kralen in plaats van een. Ik had de school vanaf de wachttoren kunnen zien als ik niet zo gefascineerd was geweest door het landschap. Hij lag aan de noordkant van onze weef, het was ook net zo'n ommuurd terreintje, met in het midden een boom als in Dunkitaba. Rondom waren er gebouwen: de borg van de dogman, een leslokaal, en de borg voor de jongens van de weef. Alle meisjes van onze weef zaten samen in een klas, bovendien ging Mia samen met Otta, ze verheugde zich erop.

Er waren maar drie Tweede Meisjes in onze weef, twee ervan waren ouder, eentje was even oud als Mia en Otta. Ze liep achter onze hagelwitte meisjes aan in haar dofzwarte pakje. Natuurlijk had ik haar wel eerder gezien maar nu viel het verschil extra op. Toch vroeg Mia nooit naar het hoe en waarom, zij begreep veel eerder dan ik dat je beter geen vragen kon stellen. Ik troostte me altijd met de gedachte dat zij hier in elk geval een veel beter leven had dan ze op Middelgront gehad zou hebben.

De lessen waren ook niet anders dan in Dunkitaba, op een ding na: letters beitelen leerden ze niet. Ze kregen een wastafeltje waarin ze de letters moesten tekenen. Eindeloos het rotsvadmijn opdreunen en optekenen, je naam, de naam van je moeder – naar vaders werden deze meisjes niet gevraagd – de namen van de heerlijkheden, van de steden, de dorpen, de rivieren … Zou Mia nog weten dat ze van Middelgront kwam of leerden ze ook hier niets over de Zanden?

Op de dagen dat ze geen school hadden, werden wij verondersteld de meisjes het een en ander bij te brengen over huishouden: voedsel inkopen en bereiden, de was doen, de borg schoonhouden, wapenrusting op kleding naaien … Dat laatste vond Mia het leukst, ze was ook altijd heel blij als ze weer een nieuw amuletje verdiend had op school, of er een kreeg van mij als ze goed haar best had gedaan.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

126 – jeugd in de weef

Ik glimlachte nog even naar Blufam en ging met het kind naar beneden. Burman en Bo speelden met de blokken die Letifam voor ze had gemaakt. Het moederschap spoelde weer over de vreemde nieuwe gedachten heen, het brein hoefde geen kunstjes meer te doen. Maar toen ik die avond mijn munt afdeed – ik droeg hem nog altijd, aan een wit gevlochten koordje onder mijn kleren – zag ik weer een klein bloedspoor, op het ronde tekentje. Ik weet nog dat ik overwoog om naar beneden te gaan, om het potje met datzelfde teken uit mijn kluis te halen. En dat ik ook al meteen met zekerheid wist wat het me tonen zou.

Zo verstreken die eerste jaren. Mijn opdrachten kwamen van Fegman, ik verkocht mijn werk aan hem, hij betaalde me genoeg om van te leven, om tevreden te zijn. De kinderen groeiden blij op, met meer vrijheid en meer speelkameraadjes dan ze in Dunkitaba gehad zouden hebben. Ik dacht steeds minder aan Dunkitaba, daarvoor waren mijn dagen te druk. Wel had ook ik soms nachtmerries, dan schudde Mia me wakker. "Yimama, Yimama …" Ik vond haar zo lief als ze dat zei.

Bo bleef mijn prinsje. Hij leerde lopen, hij leerde praten, hij werd een ondeugend, ondernemend kind dat graag naar wat oudere jongens trok. Dit tot verdriet van Burman, die veel verlegener was en nog altijd graag aan onze voeten speelde. Wie weet wat hij ook had meegemaakt. Letifam had me niet verteld waaróm haar man dood was. Om de een of andere reden koesterde Bo vooral bewondering voor Tikman, de zoon van Morfam. Overdag wilde hij soms nog wel eens met Burman spelen, maar aan het eind van de middag stond hij steevast bij de poort te wachten tot Tikman thuiskwam uit school.

Tikman liet het zich aanleunen. Kennelijk voelde hij zich door de positie van Morfam ook een beetje de leider van de jongens in de weef. Hij verzon vaak spelletjes met een wedstrijdelement, waar ze allemaal gehoorzaam aan meededen. Soms kwam hij apart naar ons toe om Burman aan te sporen mee te doen. Maar Burman schudde zijn hoofd en zweeg.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

125 – niet geloven

"Er zijn mannen," zei Blufam, "die het niet eens zijn met … die niet geloven in de Grote Hemren, die er tegen zijn dat Tweede Meisjes … die opkomen voor ons, voor vrouwen …"
Het was me zo wezensvreemd dat ik haar met open mond zat aan te kijken. Het was alsof iemand zei dat hij het niet eens was met de zon, of er tegen was dat je je brandde aan vuur. Hoe kon je tegen iets zijn wat gewoon zo was? Ik probeerde dat aan Blufam duidelijk te maken. Dat ik echt totaal niet begreep wat ze bedoelde.
"Ik begreep het ook niet," zei ze. "Of eerst niet. Later wel. Nu wel. Hoe kunnen we weten dat het echt waar is? Wie heeft dat bedacht?"

Het was alsof mijn brein acrobatische toeren uithaalde om het maar te begrijpen. Zoals altijd wanneer ik moest nadenken – ook als ik met een nieuw ontwerp voor een mand bezig was – draaide ik een haarstreng rond mijn vinger. Mijn witte haar, dat hier totaal geen betekenis had. Ik dacht aan de jute lappen op Kraeckten San. Aan die regels die van plaats tot plaats verschilden, terwijl in iedere plaats iedereen dacht dat het de waarheid was. Iedereen wist zeker dat de Grote Hemren precies datgene van hem vroeg. Maar wie weet hadden ze in Gralda of Mingia wel nooit van Hemren gehoord. Al kon ik me niet voorstellen wat voor zin een leven had als je het leefde zonder die zekerheid.

Toch had Blufams man dat zo belangrijk gevonden dat hij er nu voor gevangen zat. Heette het daarom de Visietunnel?
"En jij?" vroeg ik. "Was jij het eens met hem?"
Even werd de schim die Blufam heette van binnenuit verlicht. "Ja," zei ze. "Ja! En er zijn nog steeds …"
Toen kwam Mia het dak op, opgewonden en buiten adem. "Ik en Otta mogen mee met Letifam naar de markt! Mag het?"
"Dat is goed," zei ik. "Ik zal je een muntje geven, dan mag je wat lekkers kopen voor Otta en jou."

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 6 Reacties

124 – hoogverraad

Ieder jaar probeerde ik – onopvallend – te zien waar de Tweede Meisjes precies verdwenen, en nooit lukte het me. Ieder jaar dacht ik aan de laatste keer dat ik de glazen korreltjes had uitgestrooid, en de haaks op elkaar staande uitwegen die ze me hadden getoond. En dan vergat ik het weer. Ik ging terug naar de weef waar Blufam en Morfam op de kinderen pasten toen die nog te klein waren om mee te mogen naar het stadsfeest, en ik vergat het weer voor een jaar.
Behalve op Langen San waren de Tweede Meisjes overal ongewenst, het was wat ik wist, wat ik kende, waar ik geen vraagtekens meer bij zette.

Letifam werd een echte vriendin, zo vanzelfsprekend en gezellig als het ooit met Vulema was geweest. Toch vertelde ik haar nooit wat mij precies was overkomen, of waar ik precies vandaan kwam. Ook wist ze niet dat Mia niet mijn eigen kind was. Mia leek het ook vergeten te zijn, maar ze bleef nachtmerries houden, die ze nooit kon navertellen maar we hoorden haar dan roepen, Bo en ik: "Niet in het water vava! Niet in het water!" Zachtjes schudde ik haar dan wakker. "Yimama," zuchtte ze opgelucht, en viel ook meteen weer in slaap.

Blufam was naaister. Ze maakte vooral kinderkleertjes: tuniekpakjes in wit voor de meisjes, jongetjes droegen rode tuniekjes. Ook volwassen mannen droegen rood: hetzij een fluwelen mantel, hetzij een langere tuniek. Vooral het wit-op-wit naaien vereiste goed licht, daarom zat Blufam vaak op het dak. Als ik zelf priegelwerk had, klom ik ook naar boven. Gebogen over ons werk lieten we af en toe iets los van de ware verschrikkingen. Maar ik moest dat niet te vaak doen, waarschuwde Blufam me. Want al kon de torenwachter onze gesprekken niet horen, hij kon ons wel zien. En omgang met een vrouw van wie de man in de noordelijke Visietunnel zat – dat betekende levenslang wegens hoogverraad – was niet aan te raden.

Hoogverraad? Wat betekende dat? Ik dacht aan Liduva, zijn enige vergrijp een grote mond opzetten tegen Hebotva. Hop de woestijn in, een soort Visietunnel in de open lucht. Ik dacht aan grootva Yiva en zijn tweede dochter. En wat ik zelf had gedaan was in de ogen van Hebotva natuurlijk ook hoogverraad.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

123 – het stadsfeest

In die eerste jaren had ik niet het gevoel dat het streng was, het regime in Lopweteka. Of tenminste in Barraspira. Het was zelfs minder streng dan in DunKitaba: je haarkleur maakte niets uit, een sluier hoefden we niet te dragen. Je mocht niet zonder begeleiding of speciale dispensatie de stad uit, maar de stad was zo groot en vol verrassingen dat me dat niet deerde. Ver weg wilde ik sowieso niet zolang de kinderen klein waren. Ik vond het al een heerlijk uitje om naar de markt te gaan, waar vaak etenswaren uit verre landen te koop waren, en een grote variëteit aan groente. Lopweteka was een vruchtbaar land, vooral het deel ten oosten van de Helvarderaflu. Ooit hoopte ik zelf een keer mee te mogen naar het Dzikomeer.

Het stadsfeest van Barraspira was als het Rotsfeest in DunKitaba: met lekkernijen op wijde schalen (een steevaste opdracht voor mij), met uitheemse kunstenmakers zoals goochelaars, acrobaten en slangenbezweerders, er werd door de mannen en jongens een dag en een nacht getrommeld en gedanst terwijl de vrouwen toekeken en meeklapten. De volgende dag werden de Tweede Meisjes die oud genoeg waren, buiten de muren gebracht. Dat was wel degelijk anders dan in Dunkitaba: daar waren ze in het wit, met al bij voorbaat een soort heiligheid. In Barraspira hadden ze vanaf hun schooldagen zwart gedragen – ze zaten ook apart in de klas – en op de dag van hun vertrek mochten ze niet spreken. Met niemand. Ze kregen een nieuwe zwarte tuniek, zonder wapenrusting, en dan verdwenen ze.

Het eerste jaar was ik te veel bezig met mijn opdracht, ik keek steeds of ik Fegman of Storeman ergens zag, of ze naar me toe zouden komen. Maar later lette ik meer op wat er gebeurde, als de kunstenmakers in het bleke ochtendlicht de stad uit gingen, als de jongens moegedanst naar huis sloften, als wij vrouwen bezig waren met het verzamelen van overgebleven voedsel, het schoonmaken van de schragentafels. Als het overal rommelig was en schemerig in de hoeken, verdween die stille stoet van in het zwart geklede meisjes, niet in het kielzog van de artiesten naar de stadspoort en de haven, maar ergens in de hoek tussen de stadsmuur en de blinde muur van de Visietunnel.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 4 Reacties