135 – de expeditie

De volgende morgen bracht Fegman me hoogstpersoonlijk naar het vertrekpunt van de expeditie. Rietmeisje zat al te paard, ik zou bij haar achterop zitten, want zelf kon ik niet paardrijden. Of zou het net zo zijn als met roeien? Als je moet kun je alles?
In elk geval was ik blij geweest toen ik het hoorde, ik had me voorgesteld dat we zouden moeten lopen, of hooguit af en toe op een ezeltje mogen zitten, zoals destijd met Pucima. Maar het Dzikomeer was immers veel verder weg dan de kreek, drie dagreizen, had Rietmeisje die eerste keer gezegd, en het landschap was heuvelachtig met af en toe dichte bossen.

Er reisden nog een paar Tweede Meisjes mee, voor andere producten. Bij een van hen zat ook een weef-vrouw achterop, net als ik herkenbaar aan haar witte tuniek. Zonder wapenrusting konden we natuurlijk niet op reis. Zij maakte visjes uit amethist en babytjes van maansteen. Ik droeg er ook een, omdat dat zo hoorde. Ik wist dat vrouwen geloofden dat ze hielpen om geen Tweede Meisje te krijgen.

Onze kleine stoet werd omringd door in felrode mantels gehulde wachters te paard. Opeens vond ik het een naar idee, om zo ver weg te reizen van de kinderen. Maar onderweg vergat ik dat. Het was heerlijk om de stad uit te zijn, ik genoot van de geuren van bossen, van water, van alles wat ik als kind alleen maar uit verhalen kende. We kwamen langs kleine nederzettingen waar we vruchten konden kopen, of zelfs vlees.
Ik had niet gedacht dat de weg zo probleemloos zou zijn, tot ik me herinnerde dat de hoofdstad van Lopweteka – Harstamar – voorbij het Dzikomeer lag. Aan de overkant van de Helvarderaflu, aan de Heerweg.

Voorbij de Heerweg lag het lege kwartier van Lopweteka, het desolate westen van het land waar niemand woonde, waar je tot aan de Westzee niemand zou tegenkomen. Ik kon me dat als kind totaal niet voorstellen. Hoe kon een land volkomen leeg zijn? Hoe kon zo'n koopvrouw uit Ukufila ons dan bereiken, als ze eerst een half land moest doorkruisen waar niemand je vruchten of vlees zou geven, waar je geen onderdak zou kunnen vinden? Ik had het zelfs aan de Dogman gevraagd. Hij keek me verwijtend aan en vroeg: "Twijfel je aan mijn kennis, Yima?"
Mijn hoofd schudde nee, maar mijn binnenste schreeuwde ja.

Dit bericht is geplaatst in feuilleton met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *