189 – Helvarderaflu

Zo lukte het ons met de hulp van Kuuksi de Helvarderaflu te bereiken. Een keer kwamen we onderweg een jager tegen met een bos konijnen op zijn rug. Burman stapte naar voren en vroeg: "Hoeveel?" Hij haalde een munt uit zijn zak. "Tien Hem genoeg?"
De jager grijnsde. Aan zijn kleren konden we niets aflezen, ze waren bruin en vies met hier en daar bloedvlekken. "Ik moet er een houden, anders heb ik zelf niks te eten vanavond."
Gladefam kwam op het idee om de konijnenvellen te bewaren en er een soort schoenen voor mij van te maken. Dat scheelde!

We roken de rivier voor we hem zagen, de diepe boslucht van de pijnbomen maakte plaats voor water, een geur die mij als woestijnkind nog altijd verrukte. Ik had op mijn huwelijksreis de monding van de rivier gezien – met een soort van heimwee dacht ik terug aan die dagen vol verrukking – en er was natuurlijk mijn onbekende grootvader Yiva, die als jongeman vanuit MancuKundalu met een boot vol schapenvachten de Helvarderaflu afgevaren was. De grootvader met het witte haar. Weer een vader die zijn tweede dochter had geprobeerd te redden.

Ik dacht opeens aan het paneeltje van mijn schild dat de Helvarderaflu verbeeldde. Ik had het gemaakt van een stukje goudglanzend gewreven koper, met een reepje parelmoer erop. Een waterlelie-achtige bloem had ik erin geëtst, en op een stukje echt blad had ik een naakt meisje geschilderd. Ook een helgaviaal had ik gemaakt, van een schubbig stukje riet. De dogman had ons er in geuren en kleuren over verteld.

De Helvarderaflu is de machtigste rivier van Inhemren, hij ontspringt in Blynxtera, het Rotsland, hij stroomt snel en wild naar het zuiden, alleen goede schepen kunnen hem bevaren. Hier was geen brug. Alleen de schaduw van de Rondweg lag er overheen, als een dak, een brug, hoog boven ons en de bocht in de rivier waar we uitgekomen waren. Het water kolkte en had de oevers diep uitgeslepen.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

188 – eten

"Maar zes dagmarsen," zei ik. "Dan moeten we toch eten onderweg!" Mijn maag had al lang afgeleerd om te rammelen, maar ik voelde me zo slap. Ik zag wel piepkleine visjes aan mijn tenen knabbelen, en af en toe zwom er een iets grotere voorbij. Kuuksi zat naast me, haar kopje geïnteresseerd naar het water gebogen. Opeens sloeg ze een klauw uit en voor ik wist wat er gebeurde lag er een visje naast me te spartelen. Kuuksi wilde haar tanden erin zetten, maar Gladefam pakte het af, sloeg het beest geroutineerd met de kop tegen een steen en zei: "Nu nog een pannetje …"

Ik dacht aan mijn wanhopige kookpogingen op het strand van Schorre Clif, toen Kuuksi met die enorme vogel aan kwam.
"Ik heb een vuurglas," zei Gladefam. "Zoals jij je doek altijd bij je hebt gehouden, zo had ik mijn glas. Droge takjes hebben we nodig. Oh … en zon …" Ze realiseerde zich dat dat onder de schaduw niet zou lukken.
"Ik wil wel buiten de schaduw gaan," zei Burman. "Hoe breed is hij, Yimama?"
Ik probeerde me voor de geest te halen hoe het was geweest in de woestijn. Toen was de streep niet dikker dan mijn uitgestrekte armen. Hier was hij duidelijk veel breder. "In Dunkitaba was hij ongeveer zes voet. Maar hier …"

Burman liep met het vuurglas een eindje langs de beek naar het noorden, steeds omhoog kijkend. We konden hem nog goed zien toen hij riep: "Hier!" Zijn kruin werd door de zon verlicht.
"Kuuks," zei ik: "Ga visjes vangen voor Burman!"
Eerst ik, dacht Kuuks. Ze nam een paar flinke happen uit de vis die op de steen lag, likte zich uitgebreid langs bekje en snorharen, en wandelde toen kalmpjes naar Burman, die, zo rook ik, inmiddels een klein vlammetje had geproduceerd.
Toen we uiteindelijk ieder 2 tamelijk zwartgeblakerde visjes zaten te eten, voelde ik me opeens vol goede moed en optimisme.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

187 – de route naar Harstamar

Burman rende mijn kant op, Gladefam met zich mee trekkend. Boven de bomen hing Geruman als een slappe pop in de klauwen van de grootuil.
Gladefam wilde zitten, wilde huilen en rouwen of in elk geval een moment van bezinning, maar Kuuksi vond het niet goed, en ze had gelijk. Ze rende voor ons uit alsof ze op jacht was, haar lijfje een speer, haar buik vlakbij de grond. Hoog boven de bomen meer geluidloze vleugels, ze waren ons op het spoor, we waren niet veilig!

We renden, we renden, tot het opeens nóg donkerder werd in het bos. De donkerte van de schaduw van de Rondweg. Nu moesten we toch veilig zijn, of in elk geval meer onzichtbaar vanuit de lucht. Eindelijk durfden we te gaan zitten aan de overkant van een beekje. Ik hield mijn gehavende voeten in het gorgelende water. Gladefam had laarzen, waren zij langs de dode blauwe vrouw gekomen?
Ze zei tegen mij: "Wikkel je doek om je voeten, dat scheelt in elk geval iets."

Zo ver waren we. Onder de schaduw, op weg naar Harstamar. In afstanden inschatten was ik niet goed, maar daarvoor hadden we Burman de Rekenaar. Hij tekende in de rulle aarde aan de voet van een pijnboom onze route.

"Van hier naar de Helvarderaflu is het ongeveer vijf dagmarsen," wees hij. En met een blik op mijn arme voeten: "Of zes. Als we daar tenminste kunnen oversteken," voegde hij eraan toe. "Dan kunnen we rechtstreeks via de Heerweg naar het noorden. Of zou dat te gevaarlijk zijn?"
"Zouden ze mij nu nog zoeken? Ik ben nu toch dood?" zei ik.
"Van mij heeft in elk geval niemand ooit gehoord," zei Gladefam. Ze oogde jonger dan ik en ze had in elk geval veel langer gevangen gezeten.
"Ik denk dat de brug oversteken naar Harstamar gevaarlijker is," zei Burman. "Daar staan zeker wachters."

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

186 – Geruman

We moesten verder.
Vragend keek ik Gladefam aan. Wilde ze met ons mee? Wilde ze bij haar broer blijven? Het zou hun beider dood betekenen, maar ook dat kon een keuze zijn. Zij had niet, zoals ik destijds met Rodva, een kind om haar bij het leven te houden.
Geruman kreunde, hij tilde een hand op, maakte een gebaar van "ga maar."

We stonden om hem heen, nog besluiteloos. Toen begon Burman de geboden op te zeggen. "Een Vader zorgt voor veilige huizen. Een Vader zorgt dat zijn kinderen alleen de rechte weg kunnen volgen. Een Vader onderricht zijn kinderen in de wetten. Een Vader straft de wettelozen. Een Vader sluit of opent de deuren. Een Vader ontwikkelt de talenten van zijn kinderen. Een Vader moet altijd zonder blaam zijn en is altijd zonder blaam. Een Vader staat boven de wet want hij is de wet."
Dat van het Ronde Pad liet hij weg, we waren immers juist op zoek naar de Schaduw ervan, we moesten er nu al vlakbij zijn.
Een vader zorgt voor veilige huizen. Als alleen dat maar waar was!

Kuuksi likte Gerumans handen. Het leek of hij er rustig van werd, of hij zich kon overgeven. Gladefam knielde bij hem neer. Ze streelde zijn vuile haar, zijn magere wangen.
"Ik ga haar zoeken," hoorde ik haar fluisteren. Nog een Tweede Meisje dat kwijt was?

Opeens een immense, donkere schaduw boven ons. Een grootuil. Vriend of vijand? Hij bleef rondcirkelen, geluidloos. Kuuksi gromde en blies en rondde haar rug en schoot toen weg in de richting van de beek. Ik ging haar achterna, ze floepte via een paar dikke keien zo het water over, ik volgde wat voorzichtiger. Aan de overkant stonden dichte, donkere pijnbomen, de uil zou ons nog steeds kunnen zien maar hij zou niet makkelijk op ons neer kunnen dalen.
"Kom!" riep ik naar Burman, ik zag zijn rode tuniek vaag door de bomen schemeren.
Een schreeuw.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

185 – de Hemrond

Gladefam had al kennisgemaakt met Burman. Ik zei: "Geef de beker eens, Burman." Hij haalde hem uit de diepe zak van zijn tuniek.
Ik haalde water voor Geruman. Zijn gezicht zat onder het bloed, een diepe snee liep over zijn hals, een grote bloedvlek zat op zijn tuniek ter hoogte van de zak, zijn ene been lag in een rare hoek. Had het nog zin of moesten we hem laten gaan? Ik gaf de beker aan Gladefam, ze dronk hem gulzig leeg.
"Hij is mijn broer," zei ze toen. "Hij heeft mij met zijn lichaam beschermd." Diepbedroefd keek ze me aan. Ik dacht aan Rodva en voelde haar pijn.

Burman haalde nog een beker water en wilde Gerumans gezicht afvegen met een punt van diens tuniek. Er zat iets zwaars in de zak. Burman voelde, zijn gezicht vertrok in afgrijzen toen hij het stinkende ding tevoorschijn haalde: Zalomans hand met de Hemrond. Hij wilde het wegsmijten maar Gladefam zei: "Niet doen. Wie weet hebben we het nog nodig."
Wonderlijk hoe er zelfs in de meest afschuwelijke omstandigheden nog een klein kamertje helderheid in je hoofd overblijft. Ze had gelijk.

Burman veegde zijn mes af aan het mos en sneed – alsof hij een slager was – koelbloedig een stuk van de arm af, tot vlakbij de pols. Ook de vingers sneed hij af, tot er een onherkenbaar vierkant stukje vlees overbleef met een gouden gat erin. Hij waste het schoon in de beek en wikkelde het in bladeren.
Ik peuterde de muntjesdoek onder mijn kleren vandaan. Hij was inmiddels zo vies en verkleurd dat ik duidelijk de steekjes van Vulema's garen kon zien. Ik trok ze voorzichtig los, tot ik een lange draad had die Burman om het pakketje kon wikkelen.

Ik wilde de twee helften van de doek in mijn broekzak stoppen – er was toch nauwelijks meer een vrouwelijke ronding aan me te zien – toen ik zag dat sommige muntjes fonkelden. Ik bekeek ze beter, ze waren veranderd in echte munten, munten van tien Hem! De achterkant deugde niet, daar zag ik weer de wirwar van tekentjes die op de munten met mijn beeltenis had gestaan. Maar de voorkant was echt geld, geld waarmee we eten zouden kunnen kopen, en schoeisel voor mij. Ik trok ze van de doek af en stopte ze in mijn zak. De rafelige resten wikkelde ik weer om mijn nek.
En nu?

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

184 – hoe nu verder?

"Hard zijn, Yimama," zei Burman. Zijn stem weer zo standvastig. "Als jij het niet gedaan had, had ik het gedaan. We kunnen het ons niet veroorloven om ons vrijwillig in een ander regime te schikken. Ik kan me ook haast niet voorstellen dat Mia en Bo wel lid zijn geworden."
"Maar nu dan? Als we de blauwen niet meer vertrouwen, hoe komen we dan aan eten, aan onderdak?"

We lieten ons zakken op het mos, onze ruggen tegen de stam van een dikke boom. Ik miste mijn schild, mijn draagzak. Hoe anders was mijn vlucht destijds, wel zwaar met de kleine Bo op mijn rug, maar met tegelijk het gevoel van zekerheid dat komt met geld en met mondvoorraad. En ik was zoveel ouder, verzwakt door mijn gevangenschap, en nu ook door het zwarte weten in mijn ziel, dat ik mensen gedood had met mijn eigen handen. Ik sloot mijn ogen. Kuuksi sprong op mijn schoot, warm en spinnend.

Toen ik wakker schrok was het pikdonker. Ik voelde Kuuksi's nagels in mijn been, rechtop stond ze, haar rug gekromd. Burman lag op zijn rug te snurken, ik schudde aan hem maar hij werd niet wakker. Ik luisterde. Gekraak, geritsel, voetstappen? Opeens stonden ze voor me, hoog boven me uittorenend, zelfs in het donker vlamde haar haar: Gladefam! Naast haar stond Geruman, daar ging ik tenminste maar vanuit, ik kon zijn gezicht niet onderscheiden. Hij leunde zwaar op Gladefam.
"Kom zitten," zei ik.

Voorzichtig liet ze hem zakken op het mos. Hij zuchtte en kreunde, toen werd het stil.
"Hij is zwaar gewond," fluisterde Gladefam. Ze ging naast mij tegen de boom aan zitten. "Hebben jullie water? Iets te eten?"
"Nee," zei ik. Ik trok haar tegen me aan. We moesten wachten tot het licht werd.
In de vroege, grijze morgen hoorde ik water stromen. Een beekje! Ik dronk uit mijn handen, stapte toen het water in en dompelde mijn hoofd erin onder. Ik schudde mijn korte haren als een hondje. Wat schoon voelde dat! Ik liep terug naar ons plekje onder de boom.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

183 – Rietvrouw en Rekenaar

"Ik ben ook een Rietmeisje," zei ik. "Of liever een Rietvrouw."
"En jij?" vroeg ze aan Burman.
"Rekenaar," zei hij.
"Goed, Rietvrouw en Rekenaar. Zijn jullie bereid om toe te treden tot het redwerk? Dan zal ik jullie vertellen wat het inhoudt."

Maar Burman was nog niet klaar. "Hoe heet jij dan?"
"Dat vertel ik straks."
"Is dit redwerk alleen in Lopweteka?"
"Ja."
"Waarom?"
"Omdat door ons land het grootste deel van de Heerweg loopt en omdat wij het Lege Kwartier hebben."
"Wat gebeurt er met leden van het redwerk die naar andere landen willen?"
Nu begreep ik waar hij naartoe wilde. Zijn zusje zoeken.
"Naar Mingia is geen probleem."
"Maar naar andere landen?"
"Nee, dat is te gevaarlijk voor ons."

Hun blikken kruisten elkaar als degens. Ik herinnerde me haar eerste woorden. "Je moet er lid van worden, anders moet ik jullie doden. Wie verraad pleegt aan het redwerk, wordt gedood."
Ik bukte me om een scherp takje tussen mijn tenen weg te halen en pakte tegelijk het flesje Murmerflu uit mijn broekzak. Ik hoestte en nam een slokje.
"Goed," zei Burman. "Dan worden we lid." Heel standvastig klonk zijn stem. Ik zag Kuuksi naar hem kijken, en van hem naar mij.

Het gebeurde in een flits. Kuuksi viel de vrouw aan, ik greep het mes uit Burmans laars en stak haar neer. Burman griste een van de bekers van de boomstronk en we renden er vandoor, met Kuuksi eerst achter ons aan en toen voor ons uit, zigzaggend in de steeds donker wordende schemering onder de bomen. Hoe lang we renden weet ik niet, we hielden het voor mijn gevoel lang vol doordat we pas nog goed gegeten hadden. Pas toen die gedachte bij me opkwam stopte ik. Geschrokken. Ik had weer iemand gedood, iemand die ons gastvrijheid had getoond, die ons had gevoed.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 7 Reacties

182 – het redwerk (2)

"Een redwerk?" vroeg Burman.
"Een keten van verzetsgroepen door heel Lopweteka. Het is opgezet door mensen uit het westen."
Het westen? Het lege kwartier van Lopweteka? Daar woonde toch helemaal niemand? Daar zou je tot aan de Westzee toch niemand tegenkomen?
Ze zag me kijken, ze zei: "Het is niet waar wat ze je op school vertellen. Er zijn geen steden, er regeren geen Opperva's of hoe je ze maar wilt noemen, maar er wonen wel mensen. Ze wonen in hutjes of tenten, ze leven van hun dieren, en van wat handel met Mingia. En iedereen is welkom en veilig."

"Waarom gedoogt Sfogman dat?" vroeg Burman. Sfogman was de Heerman van Lopweteka, hij zetelde in Harstamar, de hoofdstad van Lopweteka. Hoe kon daar dan tegelijk een verzetsgroep zijn? Ik begreep het ook niet.

"Het is makkelijker voor ze," zei onze gastvrouw. "Ze gebruiken mensen als jullie als afschrikwekkend voorbeeld, en tegelijk zorgen ze voor welvaart en veiligheid voor hun eigen bewoners. Wat er aan uitschot overblijft, ach … dat zijn paupers zonder invloed. Die hoeven ze dan in elk geval niet meer gevangen te zetten of van werk te voorzien. Ze leren de kinderen op school dat er in het Lege Kwartier niemand woont, en klaar zijn ze. Uitschot uitgewist."

Ik probeerde het te begrijpen. Ik snapte nu wel dat er iets was om tegen in opstand te komen, maar wat behelsde dat? Moest je aan alles twijfelen, zelfs aan de grote Hemren? Ik dacht aan het gevoel van grote veiligheid dat ik had ervaren op het blauwe beeld – hé, blauw … - op Taka Haringes. Was veiligheid een gevaarlijke illusie?

"Zeg je daarom ook je naam niet?" vroeg Burman scherp.
Ze keek hem indringend aan en zei: "Jij begrijpt het. De mensen van het redwerk kiezen hun eigen naam, of laten zich noemen naar een bepaalde eigenschap. Zoals Rietmeisje," zei ze tegen mij. "Hoe zou jij genoemd willen worden?"

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

181 – het redwerk

"Eet eerst maar, jullie zijn eraan toe."
Ze legde het brood op een boomstronk die als tafel dienst deed en ging in kleermakerszit voor ons zitten. Ze brak het brood in stukken zodat we het in de soep konden dopen. Ik veegde mijn kom ermee schoon tot het laatste snippertje ui verdwenen was, het was zo ongelooflijk lekker na al die manen van alleen maar droog brood en water. Ze bracht de kommen naar binnen en kwam terug met drie bekers bosbessensap, hetzelfde verrukkelijke sap dat ik me herinnerde van de tocht naar het Dzikomeer.
"Vertel," zei ze toen.

Burman en ik keken elkaar aan: wiens verhaal is het?
Ik begon, ik vertelde waarom ik in de Visietunnel was opgesloten, en hoe ik ontsnapt was. Burman vertelde zijn deel: over de moord op zijn moeder en zus, en hoe hij door Blufam en Kuuksi was geholpen. Kuuksi was inmiddels geluidloos bij ons komen zitten op het zachte mos, ze poetste haar velletje en luisterde aandachtig.
"En nu?" vroeg de vrouw.

"Eerst moeten we mijn kinderen terugvinden," zei ik. "We hopen dat ze in Harstamar zijn."
Ze keek naar mijn armzalige kleren, naar mijn blote voeten, naar mijn rechter hand, naar mijn vuile piekhaar. "Zo breng je het niet ver," zei ze. Zelf droeg ze net zulk soort laarzen als Burman, en een broek en tuniek van grofgeweven, vaalblauw linnen.
"Ik heb geld," zei Burman. "Als u schoeisel heeft …"

"Daar gaat het niet om," zei de vrouw. "Jullie moeten het wachtwoord kennen. Maar dat moet je verdienen. We zijn een redwerk in Lopweteka, we moeten elkaar kennen, we moeten zeker van elkaar zijn. Het is niet alleen hulp krijgen, het is ook hulp verlenen aan wie dat nodig heeft. Je moet er lid van worden, anders moet ik jullie doden. Wie verraad pleegt aan het redwerk, wordt gedood. Als jouw kinderen inderdaad in Harstamar zitten, zijn ze waarschijnlijk al lid geworden."

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

180 – een blauwe kun je vertrouwen

"'s Avonds kocht ik eten van de Tweede Meisjes," vervolgde Burman, "en verder wachtten we, Kuuksi en ik. Op een avond hoorde ik het gerucht dat Hebotva naar Barraspira zou komen …"
"En toen heb je mij bericht gestuurd," vulde ik aan.
"Toen wist ik zeker dat ik op je wachten moest," zei hij. "Dat Kuuksi me daarom niet wilde laten vertrekken. En ik heb verder niemand meer," voegde hij eraan toe. Even was hij weer de weesjongen, ik zijn plaatsvervangende moeder.
"Samen gaan we het redden," zei ik. "Maar iets te eten zou nu wel heel welkom zijn."
Zouden de nederzettinkjes die ik onderweg naar het Dzikomeer had gezien alleen langs de grote weg bestaan? Woonde er niemand in het bos?

Terwijl ik het dacht, hoorden we voetstappen, geritsel en gekraak van takken. We bleven stokstijf staan, Kuuksi klom als een razende een boom in, Burman trok het mes uit zijn laars. Steels keek ik om me heen. De zon drong hier haast niet door, het licht was schemerig en vol beweging. Opeens een stem: "Wachtwoord!"
Man, vrouw? Een vrouw die doet alsof ze een man is, bedacht ik opeens. Net als ik. Zag ik daar een schim in blauwe kledij?
"Een blauwe kun je vertrouwen?" zei ik op vragende toon.

De figuur stapte op ons af.
"Niet goed," zei ze. "Maar goed genoeg." Ze bekeek ons allebei. "Doe dat mes maar weg," zei ze tegen Burman. En tegen mij: "Hoe wist je dat?"
Ik legde uit hoe ik dat ooit van Rietmeisje had gehoord. "Wat is het echte wachtwoord?" vroeg ik.
"Kom eerst maar mee," zei de vrouw. "Dan kun je vertellen wie jullie zijn en waarom jullie hier zijn."

We volgden haar gedrongen blauwe gestalte door dichter en dichter struikgewas, tot we uitkwamen bij een soort blokhutje, half tegen een aarden wal en onder dikke boomwortels aangebouwd, met een groentetuintje ervoor. We mochten plaatsnemen op een ruwhouten bank. Zij ging naar binnen en kwam – Hemren zij dank, dank voor onze rijkdom, zong het in mij – naar buiten met een brood onder haar arm en voor ons elk een kom met een heerlijk naar paddestoelen geurende soep.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen