185 – de Hemrond

Gladefam had al kennisgemaakt met Burman. Ik zei: "Geef de beker eens, Burman." Hij haalde hem uit de diepe zak van zijn tuniek.
Ik haalde water voor Geruman. Zijn gezicht zat onder het bloed, een diepe snee liep over zijn hals, een grote bloedvlek zat op zijn tuniek ter hoogte van de zak, zijn ene been lag in een rare hoek. Had het nog zin of moesten we hem laten gaan? Ik gaf de beker aan Gladefam, ze dronk hem gulzig leeg.
"Hij is mijn broer," zei ze toen. "Hij heeft mij met zijn lichaam beschermd." Diepbedroefd keek ze me aan. Ik dacht aan Rodva en voelde haar pijn.

Burman haalde nog een beker water en wilde Gerumans gezicht afvegen met een punt van diens tuniek. Er zat iets zwaars in de zak. Burman voelde, zijn gezicht vertrok in afgrijzen toen hij het stinkende ding tevoorschijn haalde: Zalomans hand met de Hemrond. Hij wilde het wegsmijten maar Gladefam zei: "Niet doen. Wie weet hebben we het nog nodig."
Wonderlijk hoe er zelfs in de meest afschuwelijke omstandigheden nog een klein kamertje helderheid in je hoofd overblijft. Ze had gelijk.

Burman veegde zijn mes af aan het mos en sneed – alsof hij een slager was – koelbloedig een stuk van de arm af, tot vlakbij de pols. Ook de vingers sneed hij af, tot er een onherkenbaar vierkant stukje vlees overbleef met een gouden gat erin. Hij waste het schoon in de beek en wikkelde het in bladeren.
Ik peuterde de muntjesdoek onder mijn kleren vandaan. Hij was inmiddels zo vies en verkleurd dat ik duidelijk de steekjes van Vulema's garen kon zien. Ik trok ze voorzichtig los, tot ik een lange draad had die Burman om het pakketje kon wikkelen.

Ik wilde de twee helften van de doek in mijn broekzak stoppen – er was toch nauwelijks meer een vrouwelijke ronding aan me te zien – toen ik zag dat sommige muntjes fonkelden. Ik bekeek ze beter, ze waren veranderd in echte munten, munten van tien Hem! De achterkant deugde niet, daar zag ik weer de wirwar van tekentjes die op de munten met mijn beeltenis had gestaan. Maar de voorkant was echt geld, geld waarmee we eten zouden kunnen kopen, en schoeisel voor mij. Ik trok ze van de doek af en stopte ze in mijn zak. De rafelige resten wikkelde ik weer om mijn nek.
En nu?

Dit bericht is geplaatst in feuilleton met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *