228 – leren schrijven

Nu was het niet ver meer naar de grens. Vlak voor Helvarbarra vonden we onderdak in een mooie herberg. We hadden een kamer met twee bedden voor ons samen en we konden de was laten doen. Leunend tegen mijn bedrol haalde ik de perkamentblaadjes, de pen en het flesje met inkt tevoorschijn. Ik had geen idee wat ik zou moeten schrijven, ik kende de letters immers alleen voor namen. Het enige wat me te binnen schoot was de scherf die ik in de Visietunnel had ontvangen. HEBOTVA. BURMAN. En ik dacht aan de jongens, Bo en Burman, die op school op leisteen hadden leren schrijven.

Ik doopte de punt van de rietpen in de inkt en probeer YIMA te schrijven.
Roosma schoot in de lach. "Wat doe jij nou?"
Verschrikt keek ik op. Druppels inkt vielen op mijn tuniek en gleden van het perkament af.
"Je houdt de pen helemaal verkeerd vast, het is geen beitel. Veeg hem eens af?"
Vies was ik toch al, ik veegde hem langs mijn mouw en gaf hem aan Roosma. Ze deed het mij voor, ik probeerde het na te doen maar het leek nergens op.
"Kom eens naast me zitten." Met haar hand om de mijne vouwde ze mijn vingers op de juiste manier om de pen.

"En nu de letters. Doe het eerst maar zonder inkt." Met haar wijsvinger tekende ze het hele rotsvandmijn op haar bovenbeen. Toen ze het een keer had doorgenomen zeiden we het plotseling, tegelijk, als de schoolkinderen die we ooit waren, in zijn geheel op: ROTS VAD MIJN KLUWZ GHEFB PYC, ROTS VAD MIJN KLUWZ GHEFB PYC …
"Nu met inkt. En niet zo diep indopen!"

Het zou nog wel een tijdje duren voor mijn vingers zich herinnerden wat ze moesten doen, maar in elk geval is het daar begonnen, het idee van je leven vastleggen. Ik voelde me een oude vrouw en een jong schoolmeisje tegelijk. Ik pakte nog een velletje en schreef mijn naam.

Dit bericht is geplaatst in feuilleton met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.