De nieuwe plank (links, vierde van boven) staat vol leeslintjesboeken. Ik denk nu dat ze allemaal mogen blijven, maar we gaan het zien.
Uiterst links ligt het shell-auto-thermometertje dat je ooit gratis kreeg bij de benzine, en dat al sinds mensenheugenis met me meereist, we namen het altijd mee op vakantie, het heeft wel op plus vijftig gestaan. Daarnaast een stokoud boeddhaatje uit mijn ouderlijk huis, zij hadden het ook weer geërfd maar ik weet niet van wie. Daarachter een icoon die we voor mijn vader meegenomen hadden uit het Catherinaklooster in de Sinaï. Heb dank heb dank dat ik daar nog geweest ben voor de wereld begon te vergaan.
Helemaal rechts de diverse fotoboeken die ik de afgelopen jaren heb laten afdrukken, herinneringen aan vakanties en feesten. Ooit moeten ze er ook nog komen van het dagelijks leven, want die foto's sneeuwen zichzelf onder in dit digitale tijdperk.
zevende plank
vol bladzijden
Het volgende boek op de plank is Vaslav, maar ik heb de lof van Japin wel genoeg gezongen. Ben ook zo benieuwd naar zijn nieuwe boek!
En dan De Toverberg. Ook al over geschreven, inmiddels haast drie jaar geleden. Het staat al sinds mensenheugenis in de kast. Voorin staat de handtekening van paps, en een datum in 1985. Ik vermoed dat hij zijn exemplaar voor een gebonden uitgave heeft ingeruild. Of misschien kon hij er net zomin doorkomen.
Voor Marie Kondo is er geen twijfel mogelijk: het moet weg. De les die het je had te leren was: dit is niet jouw boek. Jammer dan. Punt.
En toch en toch en toch … dan lees ik weer ergens dat het toch zo'n meesterwerk is, en dan blijft het. Verblekend en verkleurend, en vol bladzijden. Ook nu weer.
Piranesi-gevoel
Het boek van Klemperer (het volgende op de plank) kan ik niet genoeg aanraden. Zeker in deze tijd. Lees hoe het is als één bevolkingsgroep van alles de schuld krijgt en geleidelijk-aan wordt vernederd tot de meerderheid hen niet langer als mensen ziet. Hoe geniepig en onmerkbaar dat gaat, hoe haatzaaien werkt in de praktijk.
Daarnaast een dikke turf van een geheel andere orde. Voor de gebonden uitgave van paps heb ik mijn eigen paperback ingeruild. De Ontdekking van de Hemel is het mooiste jongensboek dat ik ken. Bestaat dat onderscheid eigenlijk nog, tussen jongens- en meisjesboeken? Meisjes deden lieve en zielige dingen met zieken of paarden, jongens beleefden avonturen met smokkelaars of uitvindingen. Mulisch zelf had als jongen gesmuld van Bram Vingerling, dat vond ik ook prachtig.
Ik ben niet in het algemeen fan van Mulisch, dit is ook het enige boek dat ik van hem heb, maar zo'n monomane geest schrijft wel groots en meeslepend en fantasierijk. We hebben het ook gelezen met onze leesclub in Houston, dat was bijzonder, om te zien hoe mensen uit andere landen tegen zo'n Nederlands boek aankeken. Met zomaar God aan het woord.
De film is ook prachtig. Het Piranesi-gevoel, noem ik het maar. Als de Da Vinci Code door Mulisch geschreven was, zou ik het vast heerlijk vinden.
Deutschstunde
Van school herinner ik me diverse Duitse boeken waarvan ik onder de indruk was. Over Borchert heb ik het al gehad, maar ik herinner me ook Max Frisch, Remarque natuurlijk, Schachnovelle, en Siegfried Lenz van wie ik Der Mann im Strom voor mijn lijst las. Ze hebben allemaal iets diep onsentimenteels dat juist daardoor diep onder de huid kruipt. Heel anders dan de warmere stijl van de Engelsen, of de meer gekunstelde van de Fransen.
En zo nam ik Deutschstunde mee uit de kast van paps (eigenlijk verbazend dat hij het als Deutschlehrer in vertaling las), en ik vond het prachtig. Hier staat een mooie bespreking.
een schrijver die schrijft
Ja, het lezen van Pier en Oceaan schonk vreugde. En ik vind wat Oek de Jong over schrijven schrijft en zegt ook altijd zo mooi, ik heb hem hoog zitten. Hij zei bijvoorbeeld "Mensen hebben vele redenen om een kunstwerk te willen maken, maar de belangrijkste is die waarover het minst gesproken wordt: het volmaakte geluk dat je voelt als je jezelf vergeet en het grote vanzelf zich voordoet."
Of dit: "Ik voel dat ik veel dichter bij de 'waarheid' kom, het wezenlijke van mijn leven en van hét leven, wanneer ik fictionaliseer."
Hij is kunsthistoricus en zegt dingen als "Zoals Caravaggio schilderde, zo wilde ik schrijven." Zonder elke week met zijn kop op teevee waanwijze dingen over kunst te debiteren die de goegemeente voor waar aanneemt.
Een schrijver die schrijft.
Hij blijft.
PS nog een Dorrestein weggedaan, niet meer apart over geschreven
Proust 1*
Gisteravond heb ik de introductie uitgelezen en ben ik met het eigenlijke boek begonnen. Het was eigenlijk al te laat, en ik werd een beetje afgeleid door een nieuw wordfeudspelletje en een kat en oh ik had het nieuws van 11 uur gemist dus nu moest ik om 12 uur even luisteren … of was het andersom en lukte het me niet in de tekst weg te duiken en liet ik me maar al te graag afleiden?
Na zeven bladzijden gaf ik het op, en begon ik nog even in een nieuw smulboek. Moeiteloos las ik door, ver voorbij het nieuws van 12 uur dat ik wederom miste.
Ik ging nog eens even te rade bij Anna, die Proust in de Engelse vertaling had gelezen.
En nu wil ik een zinnetje vergelijken.
"Perhaps the immobility of the things that surround us is forced upon them by our conviction that they are themselves and not anything else, by the immobility of our conception of them."
In het Nederlands staat er:
"Misschien wordt de bewegingloosheid van de dingen om ons heen ze opgelegd door onze zekerheid dat zij het zijn en geen andere, door de bewegingloosheid van ons denken ertegenover."
Van de Engelse zin begrijp ik meteen wat er bedoeld wordt. De Nederlandse zin moet ik twee, drie keer lezen en dan nog snap ik het niet helemaal.
Ligt dat aan mij? Ligt het aan de taal? Ligt het aan de opvatting omtrent vertalen? De Nederlandse volgt veel letterlijker het Frans.
"Peut-être l’immobilité des choses autour de nous leur est-elle imposée par notre certitude que ce sont elles et non pas d’autres, par l’immobilité de notre pensée en face d’elles."
Ik heb het er al eerder over gehad.
De prachtige leeslintige uitgave ten spijt, denk ik dat ik Anna's voorbeeld ga volgen.
Proust en Anglais!
*voortgangsbericht in het kader van Proust lezen
wartaal
Ik weet niet wat het is met Nelleke Noordervliet. Ik vind haar een leuk mens, luister graag naar haar columns op de radio bij OVT, lees haar graag in de krant. En tegelijk heb ik niets met haar boeken. Ja, ik heb er ooit een gelezen dat ik mooi vond, over een vader, hoe heette dat ook weer. De naam van de vader, danku wikipedia. En Tine, dat was ook mooi. En Pelican Bay. En altijd roomboter. En Snijpunt!
Dus het is wartaal wat ik hier verkondig. Het is alleen dit boek dat hier al jaren ongelezen in de kast staat zonder ook maar een sprankje vreugde aan mijn bestaan bij te dragen. Dat is in elk geval duidelijke taal.
the alchemy of illness
The Alchemy of Illness by Kat Duff
My rating: 4 of 5 stars
Ik werd op het spoor van dit boek gezet door het prachtige blog Myth & Moor. Het gaat over hoe het is om langdurig ziek te zijn. Het is een derdehands exemplaar, er staan strepen in in rood en geel. En nu de mijne erbij, in potlood.
Het is een boek dat - zonder het door mij zo gehate pad op te gaan van Positief Denken en wie kanker krijgt heeft negatief gedacht – verbanden legt tussen geestelijke gesteldheid en ziekte.
Kat Duff vergelijkt de ziekte met de ontvoering van Persephone naar de onderwereld. Een zinvolle reis. Niet vrijwillig, niet zelfgekozen, maar wel betekenisvol. Ziekte is niet zozeer het ontsnappen aan de waarheid, maar een poging om de hele waarheid te belichamen. Het lichaam is niet kapot, als een oude auto, maar het is aan het herinneren, als een moeder. "Your body is the place your memory calls home."
Het staat stikvol mooie, wijze beschouwingen over de diepere zin van ziekzijn. Hoe zieken ook dingen dragen om iets in evenwicht te brengen wat uit balans is in de wereld. "We feed the goddesses of the deep, who need us as much as we need them."
Het is een Heldinne's Reisboek.
Zuid-Afrika
Het volgende boek op de plank is Het Kralenspel van Hesse. Erfenis van paps, en nog niet gelezen. (Weet iemand of het een aanrader is?) Ik dacht eigenlijk dat ik Narziss und Goldmund ook had, maar ik zie het nergens. Dat ik als biepjuf toch nooit een catalogus heb aangelegd! Maar wacht, ik heb wel een aantal keren inventarislijsten gemaakt, voor de verhuizingen. Zijn die niet nog ergens? Ach, wat doet het er ook toe.
Volgende boek.
'n Ogenblik in de Wind van André Brink.
Dat herinner ik me als zeer indrukwekkend. Ik herinner me het landschap, de uitheemse geografische namen, een geschiedenis waar ik maar heel weinig van wist, en hoe een roman die veel indringender bij je brengt dan non-fictie dat ooit zal kunnen. Weer zo'n prednison-baksteen, hoe heette toch dat gebied waar ze doorheen trekken? Hoe zo'n woord naar de bodem van een modderpoel zakt, er blijven wat vage klanken die niet genoeg zijn om het woord in zijn geheel weer scherp te krijgen.
En dan ineens – als bij een afvoerputje dat plotseling onverstopt raakt – slurpt het water weg en is het woord er: Karoo.
Maar ik ben nog steeds niet in Zuid-Afrika geweest.
Connie Palmen – Jij zegt het
De opleving in mijn schrijven is deels zeker te danken aan Jij Zegt Het van Connie Palmen. Ik plaatste op Facebook al een prachtig citaat over mythen.
Alle literatuur spruit voort uit een verwonde ziel, uit de geestelijke inspanning van het menselijk afweersysteem om ons te genezen van die pijn en de dood te overwinnen. De zoektocht naar de hoogste kennis – die van jezelf – voert je naar een karakter waarvan het prototype terug te vinden is in een held of een lafaard, een god of een rebel. En soms moeten we onze mythe leren lezen om bijtijds te kunnen ontsnappen uit de narratieve kooi van een oud scenario, aan het voorgeschreven lot waaraan het personage schijnbaar willoos gehoor geeft.
In het boek is het de dichter Ted Hughes, ooit echtgenoot van Sylvia Plath, die probeert te ontsnappen aan de monsterkooi waarin Sylvia-aanbidsters hem sinds haar zelfmoord hebben opgesloten.
Later geeft hij voorbeelden van mythen waaraan hun verhaal zich spiegelen kan:
Wat ik in Amerika had moeten leren is dat in de psyche van mijn bruid – hoe Europees haar wortels ook waren – de oerbeelden van de kennis niet alleen gefossiliseerd waren door Faust, de Lorelei, Beethoven, of zelfs door de natuur, maar ook door Superman, Mickey Mouse, en Gone with the Wind, dat het huwelijk van Arthur Miller en Marilyn Monroe een diepere indruk maakte dan de liefde tussen Romeo en Julia …
Aan het slot zegt hij ergens:
Het enige wat me herinnerde aan een fysiek bestaan was de zeurende pijn in mijn nek en linkerschouder, die was begonnen toen ik me in mijn verbeelding ophing aan een haak, vastgehecht aan de spier onder mijn schedel, een naakte prooi voor de aasgier van de schuld.
Dit beeld deed mij heel erg denken aan Inanna in de onderwereld, die ook naakt aan een vleeshaak wordt opgehangen.
Ook dromen zijn van belang voor de schrijver.
Voor een dichter is het onderbewuste een opslagplaats van kennis, kunstzinnig vervormd door een eeuwenoude beeldspraak waarmee hij vertrouwd moet raken, die hij moet durven ontraadselen omdat ze een waarheid over hemzelf bevat die zich op geen andere manier kenbaar kan maken dan in een hermetische vorm. Niemand droomt jouw dromen. De beelden – archaïsch en archetypisch in hun symboliek – zijn voor jou bestemd, aangeleverd door het verborgene en meest essentiële in jezelf. Wie geen toegang heeft tot dat cryptische deel van zijn persoonlijkheid, blijft een dichter van opgesmukte verzen, net zo fatsoenlijk en kunstig gefabriceerd als de persona waarmee we dagelijks in het licht treden en anderen bejegenen.
Een van Hughes' belangrijkste dromen gaat over een vos – een symbool dat meerdere keren zal terugkeren in het verhaal.
Over fantasie zegt hij het volgende:
… dat wat iedereen fantasie noemt, juist het ontdekken van universele waarheden is, die in al hun gruwelijkheid eeuwig terugkeren, onuitputtelijk in de vervorming van hetzelfde: de huwelijkse strijd van goed en kwaad.
Ongeveer halverwege valt voor het eerst "de glazen stolp" – the Bell Jar waarmee Sylvia Plath postuum alsnog wereldberoemd werd (en Ted Hughes verdoemd). Een paar bladzijden later realiseert Hughes zich – achteraf - dat hij mét haar onder die stolp zat.
Ik had nog niet in de gaten dat het ontweken leven niet alleen de smorende verlokkingen van Londen betrof, maar dat het ook het leven met haar was, dat ik langzamerhand, zonder het te merken, onder haar glazen stolp was beland, van mezelf vervreemd, snakkend naar adem.
Hij ontsnapt er af en toe aan, door de vrije natuur – het landschap van zijn jeugd – in te gaan, en later in het verhaal tilt hij de stolp van zich af.
Als ik er niet van overtuigd was geweest dat we allebei een moment in onze queeste [ook zo'n Heldenreiswoord!] hadden bereikt waarop we er alleen voor stonden, zij als vrouw en als dichter een zelfstandigheid had verworven die haar sterk genoeg maakte om zonder mij de strijd met haar demonen aan te gaan, was ik nooit vertrokken. Uit de gedichten van de afgelopen maanden begreep ik dat zij het net zo nodig had zich los te maken van mij als ik van haar. Hoezeer ik ook geschrokken was van het persoonlijke karakter ervan, ik wist tegelijkertijd dat ze een geniaal en poëtisch zelf had bevrijd, ongehoord, nieuw, origineel, schokkend. De glazen stolp was opgetild, de gefolterde paniekvogel kon zijn noot zingen en ik kon me bevrijden van de dwangbuis vader en God ineen te zijn.
Palmen is op de hand van Hughes, zoveel is duidelijk. En na het lezen van dit boek was ik het ook. Waarbij ik moet aantekenen dat ik niets van Sylvia Plath heb gelezen.
Aan het slot vind ik mooi verwoord waarom ik niet van biografieën houd:
Biografen gedragen zich als de eigenaars van jouw bestaan, alsof het een product is. Ik vond mijn gestolen leven terug in de boeken, zag mijn liefde, huwelijk, gevoelens, gedachten en handelingen door vrienden en vreemden voor mij geïnterpreteerd, las hoe feiten werden geloochend of verdraaid, hoe me woorden in de mond werden gelegd die ik nooit uitsprak, me karaktereigenschappen werden toegedicht die ik niet bezit.
Dit alles doet geen recht aan wat in de eerste plaats een aangrijpend verhaal is – het zoveelste – over een gedoemde liefde. En tegelijk wel, want het toont aan waardoor het uniek is, en typisch Palmen.
Palmen heeft zich ondere gebaseerd op Hughes' Birthday Letters-gedichten, en op andere geschriften van zijn hand. Af en toe is dat te merken, en blijft ze te dicht op het Engels. Zo heeft ze het over een verpleegster (nurse) als ze een kindermeisje bedoelt, en gebruikt ze "gewoven" waar volgens mij "geweven" moet staan. (En "vlechtte" in plaats van "vlocht"?) Kleinigheidjes die even de fictionele droom verstoren.
Maar verder is het een beeldschoon, doorwrocht boek. En inspirerend voor schrijvers.
Lees hier de bespreking van Bettina.








