36 – het schild is af 2

Streng keek Ghemma me aan. Ze stond op uit haar stoel en bekeek het vlechtwerk van nabij. Het is nu verkleurd, je kunt de motieven nauwelijks meer onderscheiden, maar toen was het zo mooi, al die glanzende tinten bruin, van beige en zand tot mahonie en ebbenhout, en al die patronen, van cirkels en driehoeken tot dieren en vogels en mensen en draken. "Omdraaien," zei ze tegen Brima.

Gespannen keek ik naar Ghemma's gezicht. Ik zag verbazing en bewondering. Ze ging met haar vingers het naaiwerk langs, ze nam elk paneeltje afzonderlijk in zich op. Ze trok een strikje los en vouwde het paneeltje om. Een zacht "wow" ontsnapte haar. Ze maakte alle paneeltjes zelf los tot de hele bloem zich geopend had en zich een kaleidoscoop van kleuren en beeltenissen ontvouwde.

De volgorde was toen natuurlijk nog anders, ik was uitgegaan van de rijtjes die we op school geleerd hadden: de heerlijkheden, de rivieren, de eilanden. Later had ik de Zanden er nog aan toegevoegd. Ghemma liet het aan Brima over om de strikjes weer vast te maken.
"Yima van Rodva," zei ze tegen mij, "maak je klaar voor de schildendag!"

Wat was ik er als meisje toch goed in om het lot voor me uit te schuiven. Net als met het vertrek van Vulema: gewoon niet aan denken. Tot het zover was. Zo had ik ook altijd aan schildendag gedacht. Ook dat was eens per jaar. Alle meisjes die dat jaar hun schild afgemaakt hadden – meestal een stuk of vijf, zes – mochten hun schild tentoonstellen in de grote zaal. Of mochten – moesten. Jongens mochten trouwen vanaf hun achttiende, maar alleen als ze een vak hadden geleerd waarmee ze zelf de kost konden verdienen. Voor sommige vakken was dat niet haalbaar, dus zat er geen maximum aan de huwbare leeftijd van jongens. Alle huwbare jongemannen mochten naar de schilden komen kijken en hun voorkeur aangeven. De vaders van de jongens en de meisjes gingen vervolgens in overleg, daarna mochten de kandidaten elkaar ontmoeten, de jongen kon eventueel weigeren, het meisje natuurlijk niet.

Ik vraag me af wat ik voel bij dat woord 'natuurlijk.' Ik schrijf het op alsof het een natuurwet was, wat het toen ook werkelijk was voor mij, ik schrijf het op met een gevoel van cynisme en verbittering, en met een gevoel van mededogen met het meisje dat ik was.

Ik mocht het schild wel in het Palast laten, zei Ghemma. Ik weet nog dat alles in me in opstand kwam: mijn schild! Van mij! Mijn bescherming! Maar je sprak Hoge Ma niet tegen, ik zei zacht: "Goed Hoge Ma. Dankuwel."
Met lege handen die trap weer af. Een wachter met brieven in de hand – wist ik toen wat brieven waren? - kwam me tegemoet. Ik drukte me tegen de muur. Ik ben nog even in de tuin gaan zitten om tot rust te komen. Daar kwam Kuuksi plotseling op me af, alsof ze eerst groen was geweest. Ik trok haar op schoot. "Als je maar weet dat ik jou altijd bij me wil houden!" Ze beet in mijn hand, net niet hard genoeg om pijn te doen maar het veroorzaakte wel een rode kras.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 4 Reacties

35 – het schild is af 1

Ik kon er niet langer onderuit: mijn schild was af. Ik prutste er elke dag nog aan - hier een kwastje, daar een kraaltje, nog een extra laag riet om het handvat, mooiere touwtjes om de paneeltjes mee vast te strikken … maar het was af. Ik moest naar Ghemma voor de goedkeuring.

Je kon elke ochtend bij Hoge Ma terecht, als vrouw. Het maakte niet uit waar je mee zat: een huwelijksprobleem, iets met de opvoeding van je kinderen, een huishoudelijke vraag over voedsel of schoonmaak, verdriet om een zieke of een overledene, Hoge Ma was de moeder van het hele dorp. En de keurmeesteres van de schilden. Dus zomaar op een ochtend nam ik mijn schild en liep naar het Palast. Het viel me nog tegen hoe zwaar het was geworden. De draagarmband kreeg je pas als je trouwde, nu hield ik het met beide handen voor me.

Ik meldde me bij een poortwachter. Ik kreeg te horen dat ik even moest wachten omdat er nu iemand bij Hoge Ma was. Ik zette mijn schild met de punt in het zand en wachtte. Het was stil en warm, ik kon vaag horen dat er gepraat werd in de grote zaal, de ene stem was die van Ghemma, de andere leek een man. Niet veel later kwamen er snelle stappen de trap af, ik ging een beetje aan de kant, het was de jonge Hebotva, nog altijd niet getrouwd terwijl hij toch ouder was dan Rodva bij wie hij een paar jaar in de klas had gezeten.

Rodva was blij toen Hebotva klaar was met school, er ging natuurlijk veel te veel aandacht naar hem uit. Hoge Va mocht het dan nuttig vinden dat zijn zoon met de gewone jongens naar school ging, een gewone jongen was Hebotva natuurlijk niet. Hij had hetzelfde mooie, verzorgde uiterlijk als zijn vader maar zijn ogen waren kouder vond ik. Hij nam mij op zonder iets te zeggen. Ik sloeg mijn ogen neer.
"Hoge Ma is vrij," zei hij.
"Dank u," zei ik.

Ik sjouwde mijn schild de trap op. De zaal was leeg, ik bleef stil staan tot de deur van Hebotva's kamer openging en Ghemma verscheen. Ze keek me een beetje verstoord aan, zo van: kind, ik heb nu echt wel iets beters te doen. Maar ze ging zitten op haar stoel bij het raam en wenkte me naderbij. Ik boog en wilde haar mijn schild in handen geven, maar ze riep: "Brima! De standaard!"

Een van de andere deuren ging open. Een jonge vrouw kwam naar buiten met iets wat ik nu een kapstok zou noemen, een lange stok op een voet, met haken aan de bovenkant. Ze zette het gevaarte tegenover Ghemma neer, nam mijn schild van me over en bevestigde het aan een van de haken, met de achterkant naar voren, ik zei: "Het moet andersom!"

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

34 – Kuuksi

Zoek een dier, had Storma gezegd. Maar Kuuksi zocht mij. Ze zat op een dag op onze huiswal. Rodva gooide een steentje naar haar, ze verdween, maar toen de mannen naar de werkplaats waren gegaan zat ze er weer. Het was wasdag, ik moest een heel aantal keren water halen en ze liep steeds achter me aan. Ze sprong op het randje van de put terwijl ik de waterzakken neerliet en gaf kopjes tegen mijn arm. "Pas op, straks kukel je erin," waarschuwde ik. Ik geloof dat ik haar daarom Kuuksi noemde.

Ze was uitzonderlijk groot voor een woestijnkat. Haar kleur kon ik moeilijk benoemen, het leek wel of die steeds veranderde. Soms viel ze helemaal weg tegen de grond waarop ze liep, soms stak ze juist donker af tegen de lucht. Toen ik het water in de grote wasteil goot, zette ze haar pootjes op de rand en lebberde ervan. Ma duwde haar weg, maar Kuuksi gaf ook haar een sluw kopje. Ze keek toe terwijl wij de kleren afboenden en door het sop haalden. Toen we naar binnen gingen om het middagmaal klaar te zetten, liep ze met ons mee. Ma gaf haar wat geitenmelk op een schoteltje en dat was op voor we ons omgedraaid hadden.
"Mag ze blijven?" vroeg ik.
"Als je vader het goed vindt."

Toen Va en Rodva thuis kwamen, was Kuuksi nergens te zien. En dat bleef zo. Ze kon zich volslagen onzichtbaar maken. 's Nachts rolde ze zich naast mij op en ik moest me inhouden om niet luidop tegen haar te praten. Slaap lekker Kuuksi, zei ik dan in gedachten, en het was of ze het horen kon.
Het ging wel eens mis, hoor. Zo'n doodenkele keer dat we vis aten bijvoorbeeld. De grote schaal tussen ons in, opeens een grote zandkleurige schicht die ervandoor ging met het grootste stuk in haar bek. "Rotbeest!" schreeuwde Rodva, en smeet er weer een steen achteraan. De vis vloog de huiswal over. Ook sprong ze een keer op de hangende Rots, hij zwiepte heen en weer aan zijn ketting, Va kwam net uit bed en gaf haar een enorme klap met de bezem.

Ik besloot haar aan Storma te laten zien. Ik moest naar de markt voor kruiden, Kuuksi trippelde mee. Alle winkeltjes waren open, maar bij Storma hing het rieten rolgordijn naar beneden. Ik schoof het opzij en riep haar naam. Kuuksi wipte naar binnen, ik volgde. Storma lag nog in bed. Ze leek duizend jaar ouder dan de vorige keer. Alsof ze van alle tijden was. Glimlachend strekte ze haar hand naar Kuuksi uit. Die snuffelde eraan, likte, en nestelde zich tegen Storma aan.

"Moet ik Metyva waarschuwen?" vroeg ik.
"Nee," zei Storma, haar stem nog krachtig. "Ik ben niet ziek, ik ben oud. Het einde komt wanneer het wil. Ik ben blij dat Kuuksi jou gevonden heeft."
Hoe wist Storma dat mijn kat Kuuksi heette? Maar 'mijn kat,' dat sloeg nergens op. Kuuksi was niet 'van' mij, Kuuksi was bij mij. En nu was ze bij Storma. Ik knielde bij haar neer en gaf haar een kus. Ik aaide Kuuksi over haar kop en zei: "Blijf maar hier zo lang het nodig is." Ze keken me allebei aan, het was alsof één wezen door twee paar ogen keek.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

33 – over de doden

Onze doden lagen op de begraafplaats ten oosten van het dorp. Graven van mannen werden gemarkeerd door een steen in de vorm van een speerpunt, vaak gedecoreerd naar het voorbeeld van hun huwelijksspeer. Va maakte deze stenen ook. Vrouwen kregen een ovale steen, als het schild, maar dan horizontaal geplaatst zodat het meer een oog leek. Namen stonden er niet op. De doden waren voor eeuwig bij de Grote Hemren.

Hoe moest ik me dat voorstellen? De Rots moest toch overbevolkt raken? Va zei dat je in de geest bij Hemren was. En zondaars kwamen op het dodeneiland, waar ze voor eeuwig gekweld werden. Ik weet niet meer wanneer ik het woord dodeneiland voor het eerst hoorde. Ik durfde niet te vragen waar het was, hoe het eruit zag, waar die kwellingen uit bestonden.

Va nam me mee om me het graf van zijn vader aan te wijzen.
Ik vond de begraafplaats angstaanjagend. Een kale vlakte – zelf zou ik liever onder een zandduin liggen – met langgerekte heuveltjes, allemaal in dezelfde richting (met het hoofd naar het Noorden, zei Va), met aan het hoofdeind zo'n punt of zo'n oog. De wind schuurde over de vlakte en trok aan mijn sluier.

We knielden neer bij het graf van Grootva Rodva, ik wist niet waar ik aan hoorde te denken, ik dacht: hoe weet Va zo zeker dat het dit graf is? Het grafveld was zo uitgestrekt. Ik vroeg Va waar zijn moeder lag, Grootma Otima die ik me nog vaag herinnerde. Hij wist het niet. Dat vond ik raar, het was toch veel korter geleden dat zij stierf? Ik keek om me heen. Alle speerpuntstenen stonden fier rechtop, terwijl veel schilden achterover helden of zelfs plat lagen.
"En Grootva Yiva?" vroeg ik.
Va stond op en we liepen zwijgend terug naar huis.

De waarheid over Yiva had ik gehoord bij Storma, toen Ma en ik samen naar haar toe gingen om de haarverf te leren maken. Yiva's familie kwam uit MancuKundalu, het land van de ijshellingen.
Yiva was als jonge knaap met een schip vol schapenhuiden de Helvarderaflu afgevaren. In Ulfardasan had hij een meisje ontmoet, ze waren getrouwd, hij vestigde zich daar als leerlooier. Maar het vochtige klimaat aan de riviermonding deed hem geen goed, en het jonge paar besloot naar DunKitaba te verhuizen, een dorp waarover alleen maar goede verhalen de ronde deden. Hoe keurig, hoe veilig, hoe mooi.

Daar kregen zij een dochter. Wizma. En nog een dochter. Wizma. Grootma Stijma wist niet hoe streng de regels in Dunkitaba werden toegepast. Dat hoorde ze van de Verteller, Storma's voorgangster. Toen Yiva zijn tweede dochter moest wegbrengen, keerde hij niet terug.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

32 – misdaad en straf

Er waren misdadigers – zulk soort dingen had je alleen van horen zeggen, en omdat ik bij zoveel verschillende mensen thuis kwam die ook vaak klanten over de vloer kregen om hun handwerk te kopen hoorde ik heel veel zeggen – die erin slaagden uit Dunkitaba te ontsnappen voor de dag van hun straf aanbrak.

De Dag der Gerechtigheid, heette het officieel. Hebotva verscheen dan op het balkon van het Palast en sprak de straf uit. Een halve dag, een hele, vijf of zes dagen … Voor die laatsten weken ze af van de rechte weg naar het noorden, omdat ze anders te dicht bij Nuktatharsta kwamen. Zij werden afgezet tussen Nuktatharsta en Ulfardasan, de grote havenstad in het oosten, vlakbij de monding van de Helvarderaflu.

Ik vroeg me altijd af waar die ontsnapte boeven naartoe zouden gaan. Toen Pucima en ik weer eens bij zo'n uitzetting hadden staan kijken, en terugliepen naar haar werkplaats, vroeg ik dat aan haar. We waren riet aan het plattrappen met plankjes onder onze voeten, het maakte een geluid als van trommels, niemand die langs haar huiswal liep zou kunnen horen wat we bespraken.
"Naar de Zanden," zei Pucima.
Ik keek haar vragend aan, hoe dan?
"Er zijn op zee altijd mensen die je verder helpen als je op de vlucht bent," zei Pucima. Ze stampte nog eens extra hard.

Boten dus. Weer zoiets wat je leerde op school, roeiboten, zeilboten … maar omdat je je de zee niet kon voorstellen, zag je de boot ook niet voor je, hoe spannend dogman er ook over vertelde. Hoe wist Pucima dit allemaal? Ik vroeg het haar toen we gingen zitten met thee en brood.

"Mijn man had stranddispensatie," zei ze. "Hij handelde voor Hebotva in uitheemse spullen zoals edelstenen, ivoor, wierook, en parelmoer van Langen San. Hij heeft meerdere keren gezien hoe tegen de avond mensen uit de duinen opdoken, en door schippers meegenomen werden. Op een keer is hij daar op het strand doodgeschoten, een pijl recht door zijn keel. Iemand die bang was om verraden te worden, denk ik."
Heel zacht vertelde ze dit. Niemand mocht weten wat zij wist. Waarom vertelde ze het dan wel aan mij?
"Je moet op alles voorbereid zijn, Yima."

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

31 – Vulema 4

Een Dienaar die speciaal uit Nuktatharsta kwam om Tweede Meisjes te zegenen voor ze aan hun tocht begonnen nam Vulema's handen in de zijne en bleef met gesloten ogen staan tot er tromgeroffel klonk vanuit het Palast. Bovenop het dak stonden de drie trommelaars.

Kalm en deinend zetten de kamelen zich in gang, de ezel balkte en Vulema's vader gaf het beest een klap met een zweepje waarop het nog koppiger weigerde te gaan lopen. Mannen uit het publiek bemoeiden zich ermee, alle aandacht ging ernaar uit. Ik realiseerde me opeens dat ik haar bij de hekken nogmaals zou kunnen zien. Ik rende het dorp door. In de werkplaats van Va wachtte ik tot de stoet voorbij kwam. Hij kwam naast me staan, een hand op mijn schouder.

Vulema keek naar me, een hand aan haar koordje. Ik zwaaide even met het kwastje in de hals van mijn tuniek, ze glimlachte, we begrepen elkaar. Toen de stofwolk in de verte verdwenen was, gingen we naar binnen. 's Avonds maakte ik voor mezelf ook zo'n koordje van gevlochten borduurgaren, en deed de andere wondermunt eraan. De munt met mijn beeltenis. Op de achterkant stond het ROTSVADMIJN, dat was bij onze munten ook zo, alleen dwarrelden hier in het midden nog wat onbegrijpelijke tekentjes.

*

Net als bij het vertrek van de Tweede Meisjes werden we ook geacht toe te kijken bij het vertrek van een misdadiger. Het was immers een voorbeeld en een waarschuwing om je aan de regels van de Grote Hemren te houden.

Als iemand in Dunkitaba een misdaad had gepleegd, dan werd hij door twee gewapende wachters op kamelen de woestijn in gebracht, waarbij de ernst van het vergrijp de afstand bepaalde. Wie levend terugkwam – misdadigers kregen geen water of brood mee – had zijn straf voldaan, wie niet levend terugkwam, had blijkbaar zijn verdiende loon gekregen.

Als de tijd was verstreken waarop iemand redelijkerwijs terugverwacht kon worden, werd er door dezelfde wachters een zoektocht ondernomen. Soms kwamen ze terug met een dode, meestal niet. Familieleden die wilden gaan zoeken, moesten dat stiekem doen. Iemand met een heksleutel omkopen en hopen dat diegene hen niet verraden zou. De kans daarop was trouwens klein, hij was immers zelf ook schuldig aan het onterecht doorlaten van een dorpsgenoot.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

30 – Vulema 3

Niet lang daarna was het zover. Ieder jaar hadden we het Rotsfeest. Een tamelijk ingetogen feest, denk ik nu, maar als kind vond ik het prachtig. Er waren lekkere hapjes, er waren kunstenmakers op de markt, goochelaars, acrobaten, slangenbezweerders, er werd een dag en een nacht getrommeld. De volgende dag werd er dan een Tweede Meisje weggebracht. Ik had tot dan toe nooit toestemming gekregen om erbij te zijn. Nu begreep ik waarom. Ook dit jaar wilde Ma niet mee.

Ik voegde me in de vroege ochtend bij de menigte buiten de poort. De vier erewachten stonden al klaar, in kleurrijke mantels, met goudbestikte tulbands, hoog op de mooiste kamelen. Daarachter stond een ezel. Door de poort kwam het meisje, in het wit gekleed, omstuwd door haar familieleden. Vulema's moeder huilde, maar zij hield zich flink. Haar vader droeg de tas die ze uiteindelijk zelf op haar rug moest dragen. Ze werd door haar vader op de ezel geholpen.

De vaders moesten het hele eind naar Nuktatharsta lopen. Zes dagen lopen door de woestijn. Er was wel een pad maar geen Heerweg. Daarom moesten wij ons in Dunkitaba nog extra aan de regels houden, zei Va altijd. Laten zien dat wij het zelf wilden en konden, zonder hulp.

Ik had geen idee hoe ik me de Heerweg moest voorstellen. Of Nuktatharsta, een echte stad, zonder ommuring. Vulema ging dat nu allemaal zien, ik weet nog dat ik haar zelfs een klein beetje benijdde. Ze was zo mooi en koninklijk in haar witte kledij. Toen ze vlak langs me reed om haar plek in de stoet in te nemen, kon ik zien hoe ze de pijpen van haar broek en de manchetten van haar tuniek met wit garen van borduursel had voorzien. Haar witte mantel had een ingeweven patroon, dat had ik zelf ook pas geleerd. Hij bedekte deels het schild dat aan de armband rond haar bovenarm bevestigd zat. Om haar hals droeg ze een koordje met mijn munt eraan.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

29 – Vulema 2

Ik sloeg mijn arm om Vulema heen. Ik zou haar zo missen! Maar ik bleef veilig hier, wat zou haar te wachten staan? "Ben je bang?" vroeg ik.

"Mijn moeder zegt dat mij niets zal overkomen zolang ik op de Heerweg blijf," zei ze.
Dat zeiden alle moeders. De Heerweg was de veilige weg. Niemand wist waar hij lag, het was geen bestraat pad van hier naar daar. Het was eerder een zuigende kracht, iets dat aan je trok als een touw.

"Wat neem je mee?" vroeg ik. En meteen er achteraan: "Ik heb ook nog iets voor je, ik zal het zo even pakken." Ik wilde haar een van mijn munten meegeven. Ik had de doek onlangs tevoorschijn gehaald om te zien of ik ze kon gebruiken voor metaalbewerking, en toen had ik iets heel vreemds ontdekt. Twee van de munten hadden mijn beeltenis.

"Een warme mantel. Wat medicijnen. Een vuurglas. Mijn schild," somde Vulema op. "Ik heb wat geld gespaard, ik hoop dat ik onderweg wat kan verdienen met borduren, ik neem wat draad mee, en wat ceintuurs om te verkopen."
Ze zei het flink en zakelijk maar ik voelde alles wat we nooit uitspraken. De kans was groot dat we elkaar nooit weer zouden zien.

We liepen terug naar huis, en ik zei tegen Va dat we nog even thee gingen drinken. Nu maar hopen dat Rodva nog met zijn vrienden op het marktplein rondhing. Ma wist wel dat ik de verscheurde doek en de muntjes bewaard had. "Gaan jullie maar lekker op jouw bed zitten," zei ze hartelijk, "dan breng ik zometeen thee."

Ik legde in het zijkamertje mijn matras op de grond, en haalde uit mijn hoofdrol het bundeltje met de munten. Ik spreidde het geheel op mijn schoot uit, Vulema zei: "Wat zonde van die mooie stof!" Ze trok de doek voorzichtig onder de losse munten uit. Uit het tasje aan haar riem haalde ze een naald, en een draad die bijna dezelfde kleur rood had. Met vlugge, kleine steekjes maakte ze de scheur dicht. "Wil je dat ik die muntjes er ook weer op naai?"

Ik gaf ze haar een voor een aan, op twee na. Een ervan was voor Vulema. Aandachtig bestudeerde ze het gezicht op de munt. Met haar hand aan mijn kin draaide ze mijn hoofd opzij.
"Hoe kan dit?"
"Geen idee," fluisterde ik.

Toen hoorde ik Rodva aankomen, zijn zware jongensstamp onmiskenbaar. Gauw het bundeltje terug in mijn bedrol. Ma kwam binnen met het theeblad. Drie glaasjes muntthee en een paar heerlijke koekjes erbij. Ze knielde bij ons neer, en ze vertelde dat haar jongere zusje vroeger ook Tweede Meisje was geweest. Haar ogen keken terug in de tijd, en in de leegte. Het was voor het eerst dat ik dat hoorde.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 6 Reacties

28 – Vulema 1

Alles kantelde toen de tijd van Vulema aanbrak. Tot ons veertiende gingen we samen naar school, speelden we samen, of deden de klusjes die meisjes moesten doen. Daarna zagen we elkaar niet meer zo vaak, behalve bij de borduurlessen, zij was echt een natuurtalent, haar steekjes leken wel geschilderd of geweven.

Vlak voor ze achttien werd, kwam ze nog een keer bij ons op bezoek. Ik vroeg aan Va of we nog even naar buiten mochten (buiten het hek, bedoelde ik). Hij werd graag gezien als een liefhebbende vader, glimlachend opende hij het hek. Hij ging in zijn werkplaats zitten en zonder het uit te hoeven spreken wist hij dat ik wist dat we niet uit zijn ogen mochten gaan. We liepen een eind door het zand in het maanlicht en gingen zitten waar we uit zijn oren waren.

"Ik moet weg," zei Vulema.
We hadden het altijd geweten, maar zo'n waarheid werp je van je, houd je uit je gedachten. Tot het zover was, en ontkenning zinloos. Tweede Meisjes moesten op bedevaart naar de Rots. Hun taak was het binnenste van de macht te onderzoeken – datgene waaraan wij ons allen onderwierpen omdat dat de enig mogelijke manier van leven was – en terug te keren om te getuigen van de pracht en de grootsheid.

Wat we ook wisten, wat we nooit uitspraken, wij meisjes, was dat geen van de Tweede Meisjes ooit was teruggekeerd. Wat we te horen kregen, waren verhalen van heel vroeger. Toen kwamen alle Tweede Meisjes gelouterd terug van hun reizen, en getuigden met kleurrijke woorden van de schoonheid van de Rots en de Vaders die daar woonden. Hun reis was spannend en moeizaam geweest, maar nooit gevaarlijk of erger. Ze gingen als maagd, ze kwamen terug als maagd of in een enkel geval met een echtgenoot uit Blyntera wat natuurlijk het ultieme geschenk was, en vervolgens mochten ze zich voor altijd vestigen in DunKitaba, of eventueel in een andere stad in onze heerlijkheid. Iedere familie had wel een overgrootmoeder of oudtante die de Heerweg was gegaan.

Pas veel later zou ik achter de brieven komen.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 4 Reacties

27 – een vak leren

Zo kwam ik als leerling rietvlechtster bij Pucima in dienst. Om de dag ging ik naar haar toe en hielp met wat er op dat moment gedaan moest worden. Als ik een bepaalde techniek goed onder de knie had, mocht ik iets voor mezelf maken en dat op de markt proberen te verkopen. Zo leerde ik ook met geld omgaan. Rekenen hadden we op school geleerd met steentjes en takjes. Optelsommen en tafels zeiden we luidop, moeilijkere sommen deden we in ons hoofd. Van Pucima leerde ik omgaan met het telraam.

Op de dagen dat ik niet bij haar was, hielp ik Ma in de huishouding of Va in de werkplaats, of ging ik bij andere vakvrouwen langs. Het idee voor het schild met de uitklapbare paneeltjes kwam bij me op toen ik merkte hoeveel verschillende manieren er waren om iets mooi te maken. Pucima had me ook aangeraden om zo lang mogelijk over het schild te doen. Meisjes mochten trouwen als ze achttien waren, maar je mocht ook tot je eenentwintigste wachten als je zo lang over je schild deed. Hoe mooier je schild, hoe groter de kans op een goed huwelijk.

Ik leerde borduren (samen met Vulema), ik leerde schilderen op stof en op hout, ik leerde naaien, ik leerde boetseren en kralen maken, ik leerde pottenbakken, ik leerde weven, ik leerde touw maken, ik leerde schelpen bewerken, ik leerde metaal bewerken hoewel dat eigenlijk mannenwerk was maar Lycva's vrouw hielp hem altijd en zij liet me zien hoe je mooie patronen kon maken op koperen dienbladen en koffiepotten, en hoe je gaatjes in munten kon boren om ze als versiering te gebruiken.

Mijn muntjesdoek heb ik als meisje trouwens nooit gedragen. Toen we ermee thuiskwamen, Ma en ik, en ik hem trots aan Va liet zien, trok hij hem van mijn hoofd – je lijkt verdomme wel een spiegelspin! - en scheurde de doek doormidden. Uitheemse fratsen, daar moest hij niets van hebben. Huilend zocht ik de weggerolde munten bij elkaar, wikkelde ze in de rafelige resten van de doek en verstopte het geheel onder mijn bedrol.

Achteraf denk ik dat mijn leerjaren de gelukkigste van mijn leven waren. De onbezorgdste, in elk geval. Ma inspecteerde elke ochtend mijn haar. Als het tijd was hielp ze mij met verven. Storma had ons het recept gegeven en we hadden een voorraad haarverf die voor de rest van mijn leven genoeg zou zijn.

PS ik ga niet meer bij alle afleveringen een illustratie maken, het kost me te veel tijd!
Geplaatst in feuilleton | Getagged | 6 Reacties