92 – vluchteling

"Gruva, ik heb een vluchteling," zei Jadva. Gruva, dat was een vrij belangrijke naam, dacht ik. Maar zweeg. Gruva zweeg ook.
"Met een kind," zei Jadva.
"Wat voor kind."
"Een zoon natuurlijk," zei Jadva.
De deur ging verder open en Gruva stapte naar buiten met een grote sleutel.
"In het magazijn staat wel een bed. En ik zal je water brengen."

Jadva en ik volgden hem naar een van de grote gebouwen. Hij ontsloot de deur. Het was een zaal vol stellingen, met stapels van kleden en doeken en kleren, en ook etenswaren. Kaas rook ik, worst, uien. In een hoek lagen matrassen, zakken gevuld met heide en dennennaalden. Gruva liep weer naar buiten. Jadva hielp me de draagzak afleggen. Ik legde Bo op het bed en zette mijn schild rechtop tegen de muur. Even later was Gruva terug met een waterzak.
"Ik sluit je hier vannacht op, dat is het veiligst."
Zowel voor mij als voor zijn spulletjes, bedacht ik.
Gruva stond al bij de deur. Jadva nam gehaast afscheid, ik kon nog net "heel erg bedankt voor alles" zeggen en weg was hij. Ik was alleen met het donker en de onbekende geuren. Nee, niet alleen. Kuuksi cirkelde om mijn benen. Ik pakte haar op en zei vermanend: "Nergens aankomen jij!" Ze wriggelde zich los en verdween tussen de stellingen.

Ik werd wakker doordat aan de buitenkant van het gebouw de luiken losgemaakt werden. Koude ochtendlucht en koud licht stroomden naar binnen. Even laten werd ook de deur geopend en een ploegje mensen liep naar binnen om vanalles van de planken te halen. Gruva liep door naar mij en zei: "Opstaan. We ontbijten gezamenlijk."
Ik verschoonde Bo, dankbaar voor het voorraadje mos dat ik van Taka Haringes had meegenomen. Lizma gebruikte het ook voor haar maandstonden. Met Bo op de arm volgde ik de anderen naar het andere gebouw, dat een enorme eetzaal met keuken bleek. Ik rook versgebakken brood, en zag grote kannen thee op de lange tafels staan.
De mensen waren allemaal in het grijs gekleed, met als enige onderscheid tussen mannen en vrouwen dat die laatsten een hoofddoek droegen.
Er was niemand die iets tegen mij zei. Ik ging maar zo ergens zitten, aan het uiteinde van een tafel, en schonk mezelf thee in. Voor Bo schonk ik wat melk in zijn eigen kopje. Behalve een enkele vermaning van een moeder tegen een kind, werd er niet gesproken.

Dit bericht is geplaatst in feuilleton met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *