85 – de stenen

Toen hoorde ik iets anders. Een spreekkoor van zware stemmen. De woorden kende ik.
"Een man zorgt voor veilige huizen. Een man straft de wettelozen. Een man sluit of opent de deuren. Een man is altijd zonder blaam. Een man staat boven de wet want hij is de wet."
Het kwam van boven. Een geluid als van onweer, iets wat ik hooguit een of twee keer in mijn leven had gehoord, volgde op het spreekkoor. Een onophoudelijk gerommel, gebonk, ik durfde niet te kijken wat het was maar ik hoorde ook geschreeuw en gekreun. Pas toen een enorme kei door het dak van mijn cel viel, begreep ik het: de Hemrenva's stenigden het leger dood. Geen andere mannen op Kraeckten San, behalve zonen.

De steen die mijn cel had getroffen was midden op het kleed gevallen. Bovenop mijn schild. Durfde ik hem eraf te halen? Ik keek omhoog. Ik kon niemand zien, kennelijk stonden ze een eindje van de rand af. Vliegensvlug rolde ik de steen opzij en trok mijn schild onder het kleed uit, zonder te kijken naar wie daar lagen te sterven op het pad tussen de cellen. Ik griste de draagzak van de vloer, waar hij nog lag na onze rotsgang. Achter de gehavende cellen langs schoof ik zijwaarts in de richting van de markt. Een paar andere vrouwen waren op hetzelfde idee gekomen. Nu was niet de tijd om elkaar op overtredingen aan te spreken. We hadden anderen horen schreeuwen, wie weet wat hen was aangedaan.

Langs de wasplaats renden we het marktplein op, waar halflege kleden en tafels wezen op de haastige aftocht van de kooplui. Kuuksi racete voor me uit, door de uitgang naar het strand, waar de kooplui al bezig waren hun bootjes naar de vloedlijn te trekken. Vertwijfeld keek ik om me heen.

Ja, daar! De vader met zijn zoon, de baal wol die boven de rand van de boot uitstak.
Ik zwaaide, ik riep. "Jadva! Wacht! Wacht!"
Kuuksi rende naar ze toe, sprong de boot in. De vader smeet haar eruit, maar ze bleef erin springen, zodat ik ik naar ze toe kon hollen en kon smeken: "Neem me mee!"
Al die tijd was Bo aan het huilen van angst, en ik denk dat dat zijn hart vermurwde, dat doodsbange, jammerende kind.
"Gauw dan!"

Dit bericht is geplaatst in feuilleton met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *