90 – huiselijke weken

Toen ik wakker werd, begon het al licht te worden. Kuuksi had haar warme lijfje op mijn nek en schouders gevlijd en lag luid te spinnen. Behalve het gemekker van een schaap hier en daar was het stil.
Door de stille ochtend liep ik terug naar Lizma's huis. Hoewel alle huizen er hetzelfde uitzagen, wist ik toch waar ik moest zijn, alsof er een rechtstreekse draad liep van haar huis naar het beeld. Of was het Kuuksi die me de weg wees? Ze rende voor me uit, af en toe een pootje uitschuddend vanwege de nattigheid. Pas bij de voordeur was ze ineens verdwenen. Binnen was alles nog in diepe rust. Ik kroop terug op mijn slaapbank, bij Bo, onder mijn warme deken, met een gevoel alsof alle gevaar voorgoed geweken was nu de hand van de vader op mij rustte.

Er volgden een paar van die huiselijke weken. Ik hoefde er geen drupjes voor in te nemen, ik kon – op mijn naam na – zijn wie ik was. Mijn haar was al voor een groot deel wit maar niemand zei er iets van. Buitenshuis droegen we trouwens meestal een capuchon, voor de kou. Ook het gevoel dat ik echt werkte voor de kost was prettig. Soms liet ik mijn gedachten naar een ongekende toekomst afdwalen en dan stelde ik me voor dat ik me ergens vestigde en me in leven hield met mijn vaardigheden. Maar waar zou dat kunnen, als vrouw alleen? Dan moest je ondergaan in de massa, dan moest je in een stad wonen.

"Staat er hier nergens een huisje leeg voor mij?" vroeg ik aan Lizma. Het was heerlijk weer, we zaten voor haar huis en Bo kroop rond over het mos.
"Dan zou je het niet krijgen," zei Lizma. "Lege huisjes zijn voor getrouwde stellen."
"Wat doen jullie met de Tweede Meisjes?"
"Wat deden ze waar jij vandaan komt?"
Ik vertelde over de ceremonie, en dat ze naar het begin van de Heerweg werden gebracht.
"Hier worden ze in de avond naar de Goede Vader gebracht. Ze brengen daar de nacht door. Als ze er de volgende ochtend nog liggen, worden ze naar Takasan gebracht, en van daaruit naar de Heerweg."
"Hoe bedoel je, als ze er nog liggen?"
"Sommigen vluchten in de nacht. We vragen niet hoe. Of ze geholpen zijn door hun ouders, of door wie dan ook … het is beter om het niet te weten. Ze leren hoe het hoort, en de meesten houden zich daar ook aan."
"Om de heerlijkheid van de grote Hemren te aanschouwen," zei ik bitter. "Geloof jij dat?"
"Ik geloof dat de Goede Vader ons de weg wijst," zei Lizma. "Maar ik ben blij dat ik alleen een zoon heb."

Dit bericht is geplaatst in feuilleton met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *