Ik had weer zo'n naar recensieboek dat ik een tegenwicht zocht en vond in Virginia Woolf. Ze blijft toch steeds terugkeren in mijn leven. Haar schrijversdagboek kocht ik al in Houston (later ben ik begonnen aan haar complete dagboeken, nadat ik was begonnen in die vuistdikke biografie van Hermione Lee en die ik nog altijd niet uit heb). Ik las A Room of One's Own heel lang geleden. Afgelopen zondag hadden ze het erover bij OVT, en onlangs schreven Simone van Saarloos en Gloria Wekker erover in De Groene.
Al die tijd had ik nog geen roman van Woolf gelezen, en ik besloot dus maar met de eerste te beginnen. Misschien wel omdat ik online tegenkwam dat die nu pas vertaald is.
Het is een roman die je mee op reis neemt. Letterlijk: het gaat over een reisgezelschap dat van Londen naar Zuid-Amerika vaart en daar een aantal maanden doorbrengt in een fictieve kustplaats. Figuurlijk: het vertelt de levensreis van Rachel Vinrace, een jonge vrouw, nog helemaal naïef en onschuldig, nauwelijks geschoold, grootgebracht bij twee oude tantes, die nu met haar oom en tante meegaat, het leven aanschouwt, verliefd wordt of misschien is het geen verliefdheid, ze weet het niet. In het verhaal is er nog een reis: een Heart-of-Darkness-achtige expeditie de rivier op, de jungle in. Een gezelschap van keurige Engelsen die allemaal anders reageren.
Het vertellen zelf is ook een reis, een expeditie om uit te vinden wat een roman allemaal kan zijn. Het begint bijna als zo'n ouderwets meisjesboek waar ik zo dol op ben, met licht satirisch getekende personages, kleine grapjes waar je echt om in de lach schiet.
[…] Each of the ladies, being after the fashion of their sex, highly trained in promoting men's talk without listening to it […]
[…] At this moment I have a nurse. She's a good woman as they go, but she's determined to make my children pray. So far, owing to great care on my part, they think of God as a kind of walrus […]
[…] The worst of coming from the upper classes," he continued, "is that one's friends are never killed in railway accidents."
Woolf schrijft zo prachtig, ik heb zoveel mooie zinnen aangestreept.
Iemand zit te lezen […] a whole procession of splendid sentences entered his capacious brow and went marching through his brain in order […]
[…] Helen saw her partner coming and rose as the moon rises […]
[…] They sat very still as if they saw a building with spaces and columns succeeding each other rising in the empty space […]
[…] her eye was caught by the line of mountains flying out energetically across the sky like the lash of a curling whip […]
Langzamerhand wordt de roman een symfonie, waarin alle personages hun eigen stem krijgen. Er is niet zozeer een alwetende verteller aan het woord, het zijn meer al die verschillende bewustzijnen die om en om om aandacht vragen. Er zijn gesprekken, gedachten, handelingen, gebeurtenissen, er worden allerlei belangrijke kwesties aan de orde gesteld. Het gaat ook in dit boek (uit 1915) al heel erg over de rol van vrouwen in de maatschappij en in de literatuur. Het gaat over het leven dat de gegoede klasse leidt: heeft het zin? Wat doen mensen eigenlijk de hele dag, wat doen ze met hun leven?
Ik moet toegeven dat ik daar soms moeilijk mijn aandacht bij kon houden, moeilijk al die mensen uit elkaar kon houden. Maar dat maakt me ook bewust van mijn eigen noties over wat een roman moet zijn en doen. Aan het eind is er nog een groot drama en dan besef ik dat ik de personages toch hebt leren kennen en zelfs liefhebben, het gaat me aan het hart wat er met ze gebeurt. Er zijn veel onafgebonden draadjes maar dat geeft niet, zo is het echte leven ook.
Nog een prachtige zin uit de introductie (van Michael Cunningham, van The Hours) die ik pas achteraf las: Woolf understood that every character about whom she wrote, even the most marginal, was visiting her novel from a novel of his or her own.
En nog iets wat aansluit bij de correspondentie in De Groene. Het viel ook mij op dat het personeel en de inheemse bewoners in het boek totaal geen gezicht krijgen. Het eten wordt door onzichtbare handen op tafel gezet. Cunningham schrijft:
She is probably most widely criticized for being class-bound – for writing convincingly, and at length, only about members of the upper classes, the people she not only knew best but liked best.
Zo kun je het als schrijver dus nooit goed doen. Als je schrijft over je eigen milieu ben je een snob, als je schrijft over personages uit andere bevolkingsgroepen ben je een culturele toe-eigenaar. Het gaat erom, denk ik, dat wat je schrijft écht is. Dat je schrijft over wat in jouw leven van levensbelang is. Dan zullen er veel mensen zijn die herkennen wat je schrijft. Er zullen ook mensen denken: wat een luxueus geneuzel zeg. Hun levensbelang ligt elders.
Ik vind het luxueuze geneuzel van een dame uit 1915 van veel groter belang dan het slachtofferige proza van een drugsverslaafde uit 2018.















