een drempelboek

The Flight of the MaidensThe Flight of the Maidens by Jane Gardam
My rating: 5 of 5 stars

een drempelboek

Nog steeds kan ik in een leesput een beroep doen op Jane Gardam. Deze was ook weer zó mooi.
Drie jonge meisjes – 17, 18 jaar – hebben hun eindexamen gehaald en wonder boven wonder een beurs gekregen voor de universiteit. We schrijven 1946, het is eindelijk vrede, maar zij hebben dus hun hele puberteit in oorlog doorgebracht, in een bekrompen Engels dorp. Hetty bij haar overbezorgde moeder en gek-geworden-in-wereldoorlogI-vader, Una bij haar artistieke moeder die een kapsalon runt te midden van tientallen katten, en Lieselotte, een Joods meisje dat met een Kindertransport naar Engeland gekomen is, en door een Quaker familie is opgevangen.
Het is zomer, ze kunnen pas eind september op de universiteit terecht (alle 3 een verschillende) dus deze tijd wordt een drempeltijd. Hetty gaat naar het Lake District om boeken te lezen, al die literatuur die ze gemist heeft. Una gaat fietstochten maken met de krantenjongen. Lieselotte gaat naar Londen om te onderzoeken of er nog familie leeft.
Ze beleven de wonderlijkste avonturen, die drie, voor het eerst proeven ze van het echte leven. Ik moest terugdenken aan die zomer van 1976, voordat ik naar Groningen ging om Engels te gaan studeren. Je heel vrij en volwassen voelen, en ook wel bang voor wat komen gaat.

View all my reviews

Geplaatst in recensies | Getagged | 2 Reacties

wegens griep even geen feuilleton

ik noem het maar griep, of een fikse verkoudheid met veel hoesten, de zelftest was negatief ... dus even een paar daagjes bedbuizen en kalm aan

4 Reacties

205 – naar Sfogman

"We lopen de hele dag door de stad," antwoordde Mia. "Sommigen maken een rit over de Heerweg om de herbergen en kooplui te controleren, anderen gaan over de brug, of zelfs een eind de rivier op."
"Klaar?" Het was de stem van de Blauwe moeder. "Mia, voeg je bij je onderdeel. Ik zal Stijfam zelf introduceren bij Sfogman."
Geschrokken, met gebogen hoofd, snelde Mia de keuken uit.

"Hoe ben je hier eigenlijk binnengekomen?" vroeg de Blauwe moeder aan mij.
"Via de poort?" zei ik onschuldig.
"Welke poort?"
"De Heerwegpoort."
"Waarom kwam je niet gewoon over de brug?"
"De weg naar de brug was veel te gevaarlijk," zei ik. "Alle ontsnapte gevangenen" – ik dacht aan het slagveld, aan al die dode lichamen – "kozen die route."
"Hoe ben je over de Helvarderaflu gekomen?"
"Zwemmen?" zei ik onschuldig, maar ze trapte er niet in.
"Geen Helgavialen achter je aan gehad?"
"Nee," zei ik.
Aan de overkant, in het palast, werden wat luiken geopend. De Blauwe moeder zei tegen mij: "Kom, we kunnen nu direct wel gaan."

Het voelde niet goed. Ik was bang. Maar er zat niets anders op. We liepen de trap af, staken het drukke marktplein over – ik zag dat de kledingkleuren van de gewone mannen en vrouwen net zo waren als in Barraspira: rood en wit – en bestegen de trap naar het palast.
We kwamen in een wijde zaal die me deed denken aan Ghemma, hoe ze altijd bij het venster had zitten borduren. Hier zat niemand. Aan het einde van de zaal was een grote deur met tralies ervoor, en er stonden twee wachters bij de deur waarachter ik Sfogman vermoedde.

Ik was zenuwachtig. Nog zo'n kruisverhoor en ze zouden erachter komen dat ik niet was wie ik was. Heel even ontwaarde ik een snelle schim die over de glanzende houten vloer gleed. Kuuksi? Dat kon haast niet. Maar het maakte dat ik me toch wat sterker voelde, meer op mijn hoede dan hulpeloos overgeleverd.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

204 – bij de Blauwen

De vrouw keek me oplettend aan. "Barraspira? Vanwege de gevangenisuitbraak?"
"Ja. Helaas is in het bos een van ons om het leven gekomen. Het was verschrikkelijk. Ik ben alles kwijtgeraakt."
"Was u uitgezonden vanuit het hoofdkwartier?"
Ze leek me jonger dan ik. Ik waagde het erop. "Ja, maanjaren geleden. Ik woonde op de route naar het Dzikomeer."
"Goed. Welkom. Ik spreek u straks."

Ze ontbeten goed, de redwerkers. Ik zat naast Mia aan het eind van de tafel. Gepraat werd er nauwelijks, de sfeer deed me denken aan het ontbijt op Middelgront. Niet dat de Blauwen doorzichtig werden, maar de onderdanige stilte was hetzelfde. Geen sprake van dat dit een verzetsgroep was. Dit waren eerder … spionnen? Mensen die in naam van de Grote Hemren en die van Sfogman opereerden? De vrouw in het bos had ons zonder pardon willen vermoorden. Nu begreep ik de beleefdheden die me ten deel waren gevallen. Angst, pure angst. Ik zag hoe Mia's handen trilden. Ik voelde in mijn zak naar het flesje platenbloed. We zouden het nodig hebben, zij en ik.

Na het ontbijt kreeg Mia de opdracht mij rond te leiden en voor te stellen aan Sfogman. Het hoofdkwartier had twee verdiepingen: boven waren de slaapkamers en een badruimte, beneden de eetzaal en een grote keuken. Door het raam wees ze naar het palast. "Daar moeten we straks heen."
"En wat is er in de andere vleugels?" Nu we op gelijke hoogte stonden, zag ik dat het noordelijke gebouw voor alle vensteropeningen tralies had.
"Gevangenis," wees Mia met haar duim. "En gerechtsgebouw." Duim naar rechts. Ze keek me aan met wanhoop in haar blik. "Wij zijn degenen die – wij zijn de verklikkers. Wie niet genoeg levert – mensen verraadt – gaat naar een uitpost in het bos. Zoals die vrouw die vermoord is, wat je vertelde."
Ik besloot haar op dit moment niet wijzer te maken. "En de anderen? Wij? Jij?"

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

we waren met z’n zessen thuis

Waar het idee van een palm leaf boekje vandaan kwam, weet ik niet meer. Ik vond interessante informatie op Wikipedia, maar geen handleiding. Eindeloos gezocht naar instructies, tot me te binnen schoot dat die natuurlijk gewoon in Golden stonden.
Daar leek het simpel: langgerekte blaadjes met gaatjes erin waar een draad doorheen kon. Dus eerst die blaadjes snijden, perforeren en beplakken.

Waar zou dit boekje over gaan? Er kwam ergens een zinnetje voorbij dat ik schrijfveerwaardig vond: "we waren met z'n zessen thuis." Wij waren thuis, zo op het oog, met z'n drieën. Maar we waren met veel meer!

Ik beplakte voorkant en achterkant met lange figuren over drie blaadjes, en met gescheurde repen goudpapier. De tekst drukte ik – in een lettertype gemaakt van mijn eigen handschrift – af op deli papier. En klaar! Touwtje erdoor … en mislukt!

Want als je zo'n palmbladboekje gaat lezen, dan begin je (bij mij de voorkant) op de binnenkant van het omslag, en van het volgende blaadje lees je eerst de voorkant, dan sla je het om en lees je de achterkant. Mijn afbeeldingen en tekst raakten helemaal door elkaar.

Daar kan ik dan echt van wakker liggen: hoe los ik dit op?
Er zat niets anders op dan de blaadjes aan elkaar te plakken, met bladvormige reepjes linnen plakband. In feite werd het zo een veredelde harmonica. Al vind ik hem nog steeds erg mooi geworden.

Geplaatst in heldinne's reisboekjes | Getagged | 1 reactie

203 – Mia

Het waren allemaal vrouwen, dat verbaasde me. De vrouw in het bos had toch gezegd dat Mia en Bo vast allebei lid waren geworden van het redwerk?
In een dubbele rij liepen we terug door de westpoort, en daar was de ingang van wat dan waarschijnlijk het hoofdkwartier was. We moesten een trap op, de rij werd een rommeltje, het lukte me om wat meer naar voren te komen, tot ik vlak bij Mia was, mijn dochter. Ik tikte zacht op haar schouder.

Ze draaide zich om en verstijfde van schrik. Legde toen gauw een vinger op haar lippen en trok me mee, duwde me een klein kamertje in met een bed. "Voor nieuwelingen," zei ze. Er was geen deur, alleen een gordijn. We omhelsden elkaar, of liever: ik haar, mijn kind, ik snoof haar geur op, ik keek in haar ogen – ze keek van me weg. "Wacht hier," zei ze.
Een tijdje later kwam ze terug met een blauwe broek. Geld, platenbloed en Hemrond deed ik in mijn zak. En mijn tas, waar liet ik die? Ze schoof hem onder het bed.

"Nu eerst ontbijt," zei ze.
"Wacht," zei ik. "Waar is Bo?"
"Buiten de stad," zei ze zacht, met nog steeds die afgewende blik.
"En wat is het wachtwoord?"
Ik zag de angst over haar gezicht vliegen.
"Mia, ik ben je moeder! Ik haal je hier uit!"
Het was een luxe, mooie gevangenis, maar evenzogoed een gevangenis, besefte ik. Verzetsgroep? Redwerk? Nee, dit was iets heel anders.
"Blauwe Getrouwen," fluisterde ze.

Ik grimlachte, had ik het toch bijna goed gehad destijds. Ik wilde zóveel vragen! Maar ze nam mijn hand en leidde me naar de ontbijtzaal, een grote, lichte ruimte die uitkeek over het plein met de markt. Ze nam me mee naar het midden van de lange tafel.
"Blauwe moeder," zei ze zacht en onderdanig. "Dit is …"
"Ik ben Stijfam," zei ik gauw. "Vannacht hier aangekomen vanuit Barraspira."

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

202 – een stoet van Blauwen

In elk geval moest ik weg van deze hoofdstraat, die duidelijk van poort naar poort liep. De voerman had het over een hoofdkwartier gehad, zou dat in het midden liggen, daar waar waarschijnlijk ook het palast van Sfogman was? Het palast maakte in elk geval geen deel uit van de hoofdpoort, zoals in Barraspira of Dunkitaba.

Ik sloop langs de ronding van de muren, tot ik voor mijn gevoel halverwege was. Via een smalle straat liep ik terug naar de hoofdweg, naar het centrum van de stad. Het begon al een beetje licht te worden, maar Harstamar sliep nog. Ik kwam uit bij een enorm plein. Alle vier de straten die erop uitkwamen eindigden in een hoge poort, die deel uitmaakte van wat wel één groot gebouw leek, een vierkant gebouw met het plein als binnenplaats. Het gedeelte aan de oostkant van het plein – daar waar de hoofdweg vanaf de Helvarderaflu naartoe leidde – leek het palast. Het was hoger en meer versierd dan de andere zijden.

Zou daar tegenover dan het hoofdkwartier zijn, wat dat dan ook inhield?
Ik stond nu zelf in de zuidelijke poort. Kleuren en geluiden werden langzaam wakker. Door de westpoort – vanaf de Heerweg – kwamen karren en mensen met koopwaar, er werd een markt opgezet.

Toen dit klaar was, en de bevoorradingskarren teruggerateld waren naar de Heerweg, kwam er een stoet Blauwen uit de westpoort. Ze stelden zich twee aan twee op in een rij en liep het plein over. Voor de ingang van het palast splitsten ze zich, één rij linksaf, de andere rechtsaf. Langs de muren liepen ze. Ze keken niet mijn poort in, hun blikken waren op de markt gericht, alsof ze controleerden wie daar zijn of haar waren verkocht. Deze beweging voerden ze driemaal uit.

De tweede keer meende ik Mia te herkennen, bij de derde keer was ik er zeker van. Ik voegde me achteraan de rij en liep mee in dezelfde afgemeten pas. Mijn hoofddoek paste goed bij wat de rest droeg, alleen mijn oude Visietunnelbroek viel uit de toon.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

201 – in Harstamar

Toen ik de poort wat dichter naderde, zag ik links en rechts een wachthuisje. Of ze bemand waren kon ik niet zien, maar het risico was te groot. Ik stapte naar links, buiten de zuilen, en liep met een wijde boog naar de stadsmuren. Nu was ik buiten de Schaduw, het gaf me een onbeschermd gevoel. De grond was zanderig en bedekt met lage struikjes en grassen, hier en daar zag ik wat geiten.

Harstamar mocht dan de hoofdstad zijn, het leek lang niet zo rijk en feestelijk als Barraspira, terwijl het toch aan de Heerweg lag én aan de Helvarderaflu. Ik volgde in het lichte donker de hoge stadsmuren, steeds omhoog kijkend of ik iemand zag. Na een flinke wandeling kwam ik uit bij de rivier, en ik zag dat ik me vergist had. Dit was de voorkant van Harstamar. Hier was de grote brug over de Helvarderaflu, hier was de hoofdpoort, rijk versierd met kleurrijk beeldhouwwerk. Als ik ergens een koninklijke entree kon maken, dan hier. Maar hoe kwam ik op de brug?

Ik liep onder de laatste boog door en zag een steile trap omhoog naar de brug. Aan deze kant geen wachthuisjes, maar twee enorme deuren die nu gesloten waren. Er hing een bel, net als vroeger bij de weef, maar ik durfde hem niet te luiden. Toen bedacht ik opeens iets: de Hemrond!

Ik haalde het pakketje uit mijn zak, wikkelde het garen eraf, maakte de vastgekleefde bladeren los – en kokhalsde, de stank was verschrikkelijk. Maar ik hield de gouden ring omhoog en het wonder gebeurde, de deur leek wel vloeibaar te worden, door het druipende hout liep ik naar binnen. Achter mij droop het hout weer omhoog. Ik drukte me tegen de muur en pakte het vieze ding gauw weer in.
En nu?
Waar zou ik Mia en Bo moeten zoeken? Deed ik er goed aan om een Blauwe te blijven of juist niet?

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

verhaspelcolumn 2021 – de bomen in!

alle verhaspelingen zoals ieder jaar opgetekend uit de mond van sprekers op radio en televisie (met dank voor de ingezonden bijdragen!)

In het afgelopen jaar ben ik door niets zo gevaccineerd geweest als door de persco's van Rutjeknor en Hugootje de Pugootje. Dat praatje voor de vaat was iedere keer weer een memoriale dag waarop wij de handen ten hemel sloegen. Steeds luisterden wij opletzaam hoe zij zich een slag uit de rondte renden om hun campagne in touw te zetten. Met hun gereedschapskist sneden zij er nooit de kantjes af, met hun routekaart stuurden ze ons nooit met een kluitje naar huis of naar de Maagdenpalmeilanden, en de discreten die zij uitvaardigden betekenden maar zelden een aderlading. Zij werden dan ook internationaal gelouterd, mannelijke én vrouwelijke politica konden een puntje aan hen zuigen. De trainer van Ajax sprak zelfs van een dominee-effect.

Toch waren er ook wel zure dobbers. Je ziet zorgmedewerkers op hun tanden lopen om de ergste pijn te stelpen. Ze zetten hun schouders erachter om voor de grote toeloop van coronagevallen de zorg waar te borgen, maar dat trekt een tol op hun gezondheid. Een enkele ziekenhuisafdeling dreeg zelfs gesloten te worden. Zij verdienen het echt om eens fijn verwonnen te worden.

Rutje en Pugootje zijn zich van de prins geen kwaad bewust. Ik denk soms weleens dat zij kwaadwillende bedoelingen hebben, al kan ik de vinger er niet achter leggen. Ik wil ze ook niet in een kwaad daglicht afschilderen, maar tussen between the lines is het toch niet juf van het. Ik heb er natuurlijk geen pap van gegeten, maar het duikt steeds weer de kop op. Als de rook na de persco is neergedaald, blijkt het toch weer een visuele cirkel. Je krijgt er bij mij de handen niet meer voor over elkaar. Ze doen zoals zij dat goed dunken, met hun gezicht tegen de muur, maar ze slaan steeds de bal mis. Ze varen met te kleine bootjes in een druk bevaard gebied, zeggen dat je moet excellereren, dat we continu in de aandacht staan alsof het een lieve kust is, maar ik merk het niet.

Wij medisch-ongevaccineerden worden bang als zij maar weer een gok op de som nemen. Ik word er helemaal aggenebbisj van. Als ze op een dwarssprong staan, nemen ze steeds de verkeerde afslag. Ze willen alle burgers over één lijn trekken, ze kunnen het geweldig onder het voetlicht brengen en je van je stuk blazen, maar het hangt aan elkaar van losse schroeven. Ze borgen niets waar en ik word er bepaald niet rustgevend van.

Bij de laatste persco heb ik een narcisme-bingokaart ter hand genomen. Zoals het zich nu laat uitzien – je ziet het eigenlijk in een oogomslag - hebben Rut en Pug allebei een klap van de zweep gehad. Ze zijn niet in de eerste plaats bezig met het oplossen van crisa. Ik monitor ze op de voet, en volgens mij geven ze vooral veel op van zichzelf. Wij zijn het leed dat hen is toegedaan, en het is aan ons om die pijn te stelpen. Corona loopt weer fors in de cijfers, ze worden er hoorn en dol van, wij denken dat de apen gaar zijn maar zij letten alleen op de andere kapers op de tocht.

Het laat mij niet onbetuigd, liefst werp ik mij er verre van en voeg mij tot nadere orde in mijn lot, maar de persco is steeds vaker een donderslag bij donkere hemel waar geen enkel anti-schimmelwerend middel tegen opgewassen is.
Dus schreeuw met mij, met volle borst: "Ze kunnen de bomen in!"

Geplaatst in schrijven, tijdgeest | Getagged | 13 Reacties

200 – naar Harstamar

Ik liep verder over de Heerweg, dat besef was zo wonderlijk. Dat Vulema hier langsgegaan was, net als alle Tweede Meisjes uit Dunkitaba en de rest van Registana. Ik wist niet of de regels van Barraspira voor heel Lopweteka golden. Maar zelfs daarvandaan gingen sommige Tweede Meisjes deze weg. Ik liep hier nu als een Blauwe, terwijl ik nog steeds geen idee had wat dat inhield. Het redwerk, waar je beslist lid van moest zijn.

Een kar ratelde langszij, het paard stopte vlak voor me, de voerman vroeg: "Wilt u mee?"
De beleefdheid waarmee ze me aanspraken!
"Graag," zei ik. Ik klom erbij in de kar, Kuuksi sprong me achterna, en daar gingen we. Langzamerhand werd het rustiger langs de weg, we lieten de bebouwing achter ons. Als ik omhoog keek zag ik de Schaduw, met links en rechts de sterrenhemel. Hoe ver zou het zijn naar Harstamar?

Toch begreep ik iets niet. Als het waar was wat de blauwe vrouw in het bos ons had verteld, dat het redwerk een keten van verzetsgroepen was, waarom werd ik dan met zoveel ontzag behandeld? Klopte het wel, van die bewoners in het vrije westen? Aan welke kant stonden de blauwen werkelijk?
Kuuksi had zich opgekruld aan mijn voeten en ik begon te knikkebollen.

Na een paar uur maakte de voerman me wakker.
"Wilt u naar het hoofdkwartier?"
Ik keek om me heen. In de lichte nacht zag ik aan de rechterkant aan het eind van een soort oprijlaan een hoge stadspoort van licht gesteente, zo breed dat de kar er makkelijk doorheen kon rijden. Zo snel ik kon, ontkreukelde ik mezelf en klom uit de kar.
"Hoeveel ben ik u schuldig?"
Hij keek me verbaasd aan, alsof een Blauwe normaal niet betaalde. Ik drukte gauw een munt in zijn hand en liep zo vastberaden mogelijk richting de poort, tussen de zuilengalerijen door die de oprijlaan flankeerden. Ik hoorde hoe de kar omkeerde en aan de terugweg begon.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 5 Reacties