Op 21 juli schrijft ABC news dat de campagne #JewsAndArabsRefuseToBeEnemies op social media "less than a week ago" gelanceerd is door twee studenten, Abraham Gutman en Dania Darwish, van het Hunter College in New York.
Ook de Volkskrant bericht over de actie.
Ik vond ze hartverheffend, de foto's die van deze hashtag vergezeld gingen, en retweette ze met het gevoel in elk geval nog iets positiefs bij te dragen aan deze boze wereld.
Tot ik bij de Nieuws BV op radio 1 vandaag Ginny Mooy hoorde zeggen dat ook deze sympathieke actie gewoon ordinaire propaganda is, in werking gezet door Hamas, om Israel in een kwader daglicht te plaatsen.
Ik weet niet of dat waar is. De hashtag verschijnt op twitter op 12 juli, en is inderdaad van de hand van Abraham Gutman.
En The Huffington Post heeft de initiatiefnemers geïnterviewd (vanaf 18:58 tot 25:06).
Vooropgezet: ik matig me geen oordeel aan over het conflict in Gaza. Net zomin als ik een mening heb over het neerschieten van het vliegtuig.
Maar dit raakte me harder dan al het nieuws van de afgelopen dagen.
Wat er eerst en vooral gesneuveld is, is de waarheid. Is het vertrouwen. Is het geloof in welke goedheid dan ook. Op twitter maakte iemand zich kwaad op mensen die cynisch waren, want dat 'paste' toch niet in deze tijden.
Maar ik vraag me af: waar haalt men in deze tijden de kracht vandaan om níet cynisch te zijn?
cynisch
fotodagboek

Ik was vast van plan om een fotodagboek bij te houden van de vakantie. De eerste drie dagen lukte dat ook. 1-2-3
Maar in het hotel in Wenen was het internet een stuk slechter, het begon te regenen, en Wenen was niet meer het Wenen van mijn herinneringen. Die waren dan ook meer dan twintig jaar oud. Zolangzamerhand begin ik te vermoeden dat je de plekken van je herinnering niet weer moet opzoeken.
Of nee, dat is ook weer niet waar. Rome was mooier dan ooit.
Maar Wenen was niet meer de deftige, zwierige stad, Wenen was moe en te vol. Of ik was dat.
Enniwees. We hadden de koffers nog niet in het hotel gedumpt of kindeke zei: mee, naar Spittelau. De avondzon scheen, en de fabriek lag aan het eind van onze metrolijn. Een sprookje! Hè bah, wat een clichéwoord. En toch … was het sprookje maar dat álle fabrieken er zo uitzagen. Als dat eens werkelijkheid mocht worden, ik geloof waarachtig dat de wereld een betere plek zou zijn. Alles gericht op vrolijkheid en uitbundigheid, in plaats van die calvinistische nuttigheid en soberheid waar alles nog altijd onder gebukt gaat, postmodernisme en postpostmodernisme ten spijt. Het is toch raar dat we grijs en grauw 'normaal' vinden?
concentratie
Ik vond het mooi wat Freek de Jonge gisteravond zei, over de voorwaarden die kunstenaarschap mogelijk maken: vertrouwen, discipline en concentratie. Hij hechtte bijzonder aan het woord concentratie, tegenover het veel vaker gebruikte 'focus'.
Focus is een pijl, gericht op een resultaat. Focus is een rechte weg, en het einddoel is al bekend. Concentratie gaat over concentrische cirkels, een wereld die helemaal om jou en je creatie heen komt staan, een spiraal vormend waarlangs je in de bron kan afglijden en alles tevoorschijn halen wat nodig is.
herinnering
Op doorreis naar Wenen, via Naumburg en Nürnberg. Eind jaren '80, Oost Duitsland net geopend, ben ik er ook geweest, om de kunsthistorische highlights te zien: Ekkehart en Uta, en Adam Kraft. Ik zag ze nog zo voor me, alleen klopte er van mijn herinnering niets. Ze stonden niet in een open, grijzig voorportaal, maar in een glas-in-lood westkoor. En de Sankt Lorentz van Adam Kraft stond niet met veel meer kerken aan een warrig, duister marktplein. Heb ik ze in dromen vervormd? Hoe werkt de herinnering, die wel de sprekende gezichten onthoudt maar de omgeving totaal anders in- of uitkleurt?
stil
Dag 2 van de Hundertwassertocht: het gymnasium in Wittenberg. Ook weer spectaculair kleurig en vrolijk. Vanaf het terrein zag je de omliggende straten, vanwege de hete zonneschijn in een illusie van gezelligheid, maar in werkelijkheid hebben we ons vandaag verbijsterd over de stilte overal. 
In Dessau was het Bauhaus druk bezocht, maar het parkje er vlak achter leeg vol klavertjes.
In Wittenberg waren wij de enigen bij de Hundertwasserschule. Een verlangen naar koude cola joeg ons naar het centrum – bijna leeg, en zo stil.
En dan al die dorpjes onderweg: geen mens! Geen kat, geen hond, geen wasje aan een lijn, het leek overal zo uitgestorven als het landschap in Die Wand, maar dan zelfs zonder verstarde mensjes.
Al met al een zonnige, wonderlijke dag, in een Duitsland dat noch aan herinneringen noch aan verwachtingen beantwoordt.
oud
We zijn in Magdeburg om de Grüne Zitadelle te bekijken, de eerste stop op de Hundertwasser pelgrimage. En het is opwindend, zoals alles van de meester van de opwinding. We willen alles óók: de tegeltjes, de balkons, de pilaren van gekleurd keramiek, de gouden bollen.
Dan lopen we een stukje verder, wat is het stil, er zijn barokke gele gevels met slagroomornamenten, ginds zijn de zwartkanten torens van de Dom, en hier is opeens een joekel van een Romaanse kerk met een enorm westwerk. We betalen entree, we lopen rond door de stille kruisgang, en gaan dan de kerk binnen. Een enorm Oostblok van een orgel bezet het koor, en het schip staat vol armoedige tuinstoelen van bruingeverfd hout met groezelig canvas. God is niet thuis. Als ik buiten een verwaarloosd stuk muur zie van het dwarspand weet ik het zeker. Ik wist het niet, maar ik zie het. Magdeburg lag in Oost Duitsland. Daar kan Hundertwasser nog niet tegenop.
boeket!
Wat heb ik getwijfeld én genoten tijdens het schrijven van mijn verhaal voor de bouquetreeks verhalenwedstrijd. En nu sta ik op de shortlist, joepi!
Heel
Het heet niet voor niets: van je af schrijven. En vaak werkt het ook. Een verslag schrijven van een traumatische periode zorgt ervoor dat je de gebeurtenissen op een plank kunt leggen, in een doos kunt doen, uit het zicht. Het vermolmt niet langer je ziel maar het is buiten je.
En het heeft een vorm. Iets opschrijven betekent: in steen hakken. Zo was het. De kwade herinnering groeit niet meer met je mee, hooguit vervalen de harde kleuren. Denk je.
Denk aan je dagboek. Verbaasd kun je soms teruglezen wat je toen opschreef. NU weet je zeker dat je er destijds anders in stond, dat je gegronde redenen had om het op te schrijven zoals je het opschreef. Vanwege een denkbeeldige lezer, die Censor die al vroeg zijn klauwen in je schouders sloeg.
Je kan denken dat je klaar bent, dat je het van je af schreef en dat je nu weer heel bent. Heel zoals je ooit heel geweest moet zijn voor het leven zijn klauwen in je sloeg. Een illusie, dat. Heel ben je vanaf het begin niet. Het is de kunst de barsten te versieren, zoals in dat mooie Japanse aardewerk, waar ze de scheuren met goud repareren. Of door erover te schrijven, over wat er via de barsten naar buiten glipt. Dat is altijd weer anders, het blijft een spiraal, het is een illusie te denken dat dat in steen gehakte monument eeuwig is. Gooi het maar stuk en schrijf opnieuw. In den beginne. Woest, ledig, dat. Niets heels aan.
Tears idle Tears
Ik kwam dit citaat tegen op Facebook en bedacht welk gedicht dat dan zou zijn, en opeens herinnerde ik me dat ik voor mijn Houstonse schrijfgroep ooit een verhaal schreef naar aanleiding van Tears idle Tears van Tennyson. Het ging zo:
Tears, idle tears
Het begon toen Maud veertig was. Officieel was het nog geen herfst, waarschijnlijk zo eind augustus, als de zon een vermoeide maar lieflijke gouden mist begint uit te stralen die de eerste verkleurde bladeren doet oplichten. Ze zat in de tuin van Crathes Castle, waar een landschapskunstenaar gele chrysanten en dahlia's had geplant vlak naast de bomen in hun eerste herfstkleuren.
Het was een stille, heldere morgen, de school was weer begonnen en kinderstemmen verstoorden niet langer de serene sfeer. Wat buitenlandse toeristen zwierven voorbij, maar ze respecteerden Mauds meditatie. Ze zat op het bankje alsof dit deel van de tuin haar eigen kamer was.
Ze was volmaakt gelukkig. Echt waar. Toen een druppel op haar hand viel keek ze op naar de verbazend blauwe lucht. Er was geen wolkje aan. Ze genoot van dit weekje Schotland. Rob had een congres in Aberdeen, de kinderen logeerden bij vrienden en zij reisde de kasteeltuinen af, volmaakt gelukkig.
Nog een drup viel op haar hand.
Ze voelde aan haar wangen. Ze waren zo nat alsof ze in de stromende regen zat. Wat ze nooit zou doen, als verstandige veertiger. Tranen gleden uit haar ogen terwijl ze niet huilde. Ik bedoel, haar neus zat niet verstopt en ze ademde regelmatig. En trouwens, wie zou er huilen, omringd door zoveel schoonheid, zulke feestelijke kleuren?
Ze verliet de tuin via het poortje in de oude muur en liep over het fluwelen gras – geen distel of klavertje te zien – naar het restaurant. "Een sandwich zalm, alstublieft," zei ze tegen de ober. En toen hij haar vragend aankeek: "Hooikoorts. De vloek van de tuinfanaat." Hij glimlachte opgelucht.
Het gebeurde die week nog een keer. Ze zat op een van hoge kliffen ten zuiden van Aberdeen, kauwend op zo'n driehoekige supermarktsandwich (spek en ei, best lekker), helemaal gelukkig met het mooie weer en de zee en het bankje op zo'n ideale plek. Opeens was er een sompig plekje op het bleke brood. Ze keek over de rand van het klif, of de zee zo wild aan het schuimen was dat de druppels tot hier opspatten – ze had ook de Duivelskookpot bezocht waar dat inderdaad gebeurde. Maar de zee was kalm. Druppels hingen aan haar kin als een kille baard. Vast van de wind. Of van de zon die schitterde op de golven.
Het gebeurde dat jaar niet weer.
Maar het jaar daarop! Godallemachtig, toen werd het erger. Het was de eerste dag na de zomervakantie, een maandag die vaag herfstig rook, en nadat Rob naar z'n werk was vertrokken en Fred en Paula naar school, besloot Maud haar eerste vrije dag te vieren in Scheveningen. Ze nam de tram, ze zat dromerig uit het raam te kijken, ze zag niet veel, ze zag niks, was het gaan regenen? Waren ze een fanatieke autowasser of tuinspuiter voorbijgereden? Maar toen ze haar ogen afveegde, zag ze weer helder, haar handen waren nat alsof ze een beslagen raam had afgeveegd, en donkere vlekjes stippelden op haar lichtblauwe sprijkerbroek.
"Voelt u zich niet goed mevrouw?" vroeg een oude meneer.
"Nee hoor," zei ze vrolijk – was ze niet onderweg naar het strand? – "iets met mijn traanklieren."
Ze zag de zwarte zegelring op zijn gevlekte hand, en haar traanklieren produceerden een ware vloedgolf, de dijken van haar oogleden konden hem niet stoppen. De man gaf haar zijn zachte, gestreken zakdoek en zei dat ze hem mocht houden. Ze gebruikte hem als een nooddijk.
Ze besloot maar eens naar de dokter te gaan, er was echt iets mis met haar traanklieren. Hij stelde vrijwilligerswerk voor. Plichtsgetrouw ging ze naar het ziekenhuis, waar ze de bloemen van de patienten verzorgde, en de boeketten eerlijk over de afdelingen verdeelde. Als een patient doodging voor de bloemen, bracht ze ze naar een andere zaal. Ze huilde nooit.
Tenminste – tot het weer augustus was, en ze bijna uitgleed over een plas op het grijsgroene linoleum. Een plas die zojuist uit haar ogen gestroomd was. Een verpleegster pakte haar bij de arm en bracht haar naar een onderzoekskamertje met een stoel en een lamp. "Misschien heeft u wel SAD," zei de zuster.
"Ik zou denken dat je eerder SAD bént," grapte Maud. Ze huilde tenslotte niet.
"Nee nee, " zei de zuster trots. "Dit is een nieuwe ziekte. Seasonal Affective Disorder. Dat je somber wordt als de zomer voorbij is."
Maud dacht na. Ze was niet somber, en anders was ze het zeker niet omdat de zomer voorbij was. In de zomer was iedereen zo druk met plezier maken, ze was altijd blij als het herfst werd en je weer mocht zijn wie je was. Maar aan de andere kant zou het wel handig zijn om een verklaring te hebben voor die tranen.
"Is er iets aan te doen?" vroeg ze.
De verpleegster gaf haar een folder, over een speciale daglichtlamp.
Maud kocht de lamp, en iedere augustus haalde ze hem uit de doos, zette hem op tafel, en baadde zich in het felle licht. Ze voelde zich een bedrieger: buiten deed de zon nog even zijn best, en hier zat zij huilend – of nou ja, met natte ogen – in kunstmatige lumens. Volslagen belachelijk, maar het ging jarenlang zo. Rob wist er niets van, hij was altijd al lang weer aan het werk als de augustuszon scheen.
De kinderen gingen het huis uit, zoals dat gaat. Paula werd tuinarchitect. Niet dat ze van tuinieren hield, maar zij wilde degene zijn die de kleine boompjes plantte in de maquettes van buitenwijkplanners. Handgemaakt door haar moeder, die boompjes. Fred ging Nederlands studeren. Het was zijn droom om dichter te zijn, maar zijn vader had hem aangeraden een graad te halen, dan kon hij altijd nog leraar worden. Na het eerste jaar verdampte zijn droom. Hij kon immers nooit tegen Marsman op, tegen Slauerhoff, Bloem – dus wat voor zin had het?
Het was augustus toen hij dat tegen zijn moeder zei, hij kwam thuis om een nieuwe set lakens op te halen.
Maud zat tegenover hem in de tuin, de lage zon bronsde haar gezicht. Ze knikte en glimlachte omdat ze het altijd met haar kinderen eens was, ze had zichzelf gezworen dat ze nooit iets hoefden te doen wat ze niet wilden.
Het knikken veroorzaakte een tranenvloed die haar T-shirt doorweekte.
"Mam? Wat is er?"
Maud keek naar haar zoon alsof hij een meerman in een aquarium was, met zijn bleke gezicht drijvend in het water, met een vissenstaart die hem voorgoed belemmeren zou om op eigen benen te staan – tenzij hij het zingen zou opgeven. Dan kon hij op zijn voeten lopen, en misschien zou het niet eens zoveel pijn doen als hij verstandige schoenen aantrok. De kleine zeemeermin had vast prinsessige slippertjes gedragen.
Maud veegde haar ogen af en zei streng: "Moet de krokus niet bloeien omdat hij geen orchidee is?"
Hij, de dichter, begreep het. Ze zag dat hij het begreep, maar ze ging toch naar binnen om Marsman te halen, om het citaat voor hem op te zoeken dat zo plotseling in haar hoofd was ontsloten.
"Wat wilde jij worden toen je klein was?" vroeg Fred, toen ze weer buiten kwam.
"Ik wou orchideeënkweker worden," zei Maud. "Maar ik werd secretaresse. (Haar vader die de papieren van Schoevers tekende, zijn zwarte zegelring even oplichtend in het licht van zijn bureaulamp.) In augustus 1971 leerde ik blind typen in plaats van vieze moddervingers te krijgen en aarde en bloemen te ruiken, en regen te horen ratelen op de kas. Door die beslissing heb ik je vader ontmoet, heb ik jou en Paula gekregen. Maar ik kweekte niet mijn eigen bloemen, ik was zo'n groen takje in het boeket van een ander. Laat het jou niet gebeuren Fred! Zó slecht voor je traanklieren."
(2003)
read the english original here
Waarom zeg je dat niet gewoon?
Opeens kwam het gesprek op modeziektes. RSI was er zoeentje. Oh, en fibromyalgie. Dat was gewoon depressie, dat wist iedereen. Niks waar een wandeling in de frisse buitenlucht geen wonderen zou doen. Zulke mensen bewogen gewoon veel te weinig. En dan werden ze te dik, en dan was het helemaal hommeles. En wat dacht je van whiplash! Dat heeft ook iedereen tegenwoordig. Gewoon flink aanpakken en dat was het allemaal in een paar maandjes helemaal opgelost.
Ik zit daar bij en zeg hm hm.
Ik gedraag me als de Jaknikker, een van de favoriete secret selves uit mijn vorige leven.
Terwijl ik natuurlijk moet opspringen en schreeuwen: hee! Je hebt het over mij! Alsof ik voor mijn lol pijn heb, met depressie worstel, en sinds 1980 last heb gehad van de whiplash die na de zware hersenschudding mijn leven vergalde. Ja, en te dik ben ik ook en ik zit altijd met mijn dikke reet achter de computer.
Kom maar op, scheld me maar uit, minacht me maar.
Maar ik dronk mijn thee en zweeg. En bedacht dat ik misschien eindelijk weer iets kon schrijven op mijn blog. Omdat ik alleen daar een Heldinne durf te zijn. In de rest van het leven is dat veel te gevaarlijk, dat bleek weer.









