Ik weet nog dat de koning Mansolein heette, en dat ik dat een prachtige, mysterieuze naam vond. Ik herinner me vaag dat allerlei dieren op zoek moesten naar een plantje voor het hart van de koning, en dat ik dat niet leuk vond, al die verhalen-in-een-verhaal, dat ik me steeds opnieuw in iemand moest inleven.
Dat heb ik eigenlijk nog steeds, raamvertellingen zijn niet aan mij besteed, en vaak vind ik het in een roman ook irritant als het volgende hoofdstuk opeens over iemand anders gaat. Hoewel dat heel sterk afhangt van de kwaliteit van het boek.
Ik kreeg Het Sleutelkruid in 1965 op mijn verjaardag. Ik werd 8, dat was misschien nog te jong om het zelf te lezen. Hoewel er een dia is van de zomer daarvoor, waarop ik ook een heel dik boek lees.
het sleutelkruid
de gang op
De kunstkast is klaar. Op de foto zie je nog net een randje van de echte boekenkast in de kamer, en de zwarte kast staat links van de kunstboekenkast.
Op de gang staan deze twee Billy's, gevuld met kinderboeken, meisjesboeken, Havankjes, boeken over Friesland, en klein formaat kunstboeken. Bovenop staat Bach, tegen wie ik als peuter enthousiast "dag Bach" schijn te hebben gezegd, er liggen nog wat boeken op weg naar de kringloop, en rechts ervan hangt de mooie tekening die Bianca van Pjotr maakte.
Op een dwarsplankje staat Snoopy voor de Snoopyboeken, met een sleetje en een tonnetje van Hindeloper schilderwerk. En daar beneden? Twee gewichtjes. Gescoord bij de Action in de hoop dat ik thuis ook braaf de sportschooloefeningen zou gaan doen.
thuis
Thuis in de Middeleeuwen is het laatste boek uit deze kast. Het was verplichte kost voor kunstgeschiedenis, en ik herinner me de colleges nog goed, het was zo leuk om al die meubelstukken en andere voorwerpen op laat-middeleeuwse schilderijen (Vlaamse primitieven enzo) te kunnen duiden. Ik herinner me vooral die handige bank waarvan de leuning scharnierde, zodat je met je rug of met je voorkant naar het vuur kon gaan zitten. Colleges van Madou ook weer. Onvergetelijk.
onze vader
Toen onze vader uit zijn werk raakte, begon hij zich steeds meer te interesseren voor het katholicisme. Dit moet een van zijn eerste studieboeken zijn geweest, hij heeft alle woorden die hij niet kent, onderstreept en er in zijn toen nog keurige schoolmeestershandschrift de betekenis bij geschreven. Van sommige woorden heb ik ook nooit gehoord (hesychasme, bijvoorbeeld, of prefatie), maar mijn vader, van wie ik toch dacht dat hij álles wist, heeft ook woorden onderstreept en opgezocht als serene, kolchozen, cosmopolitisch …
Het is een wonderlijke ervaring het boek door te bladeren, het heeft iets intiems om zo aanwezig te zijn in het hoofd van iemand die aan het studeren is.
Alles om maar niet de reis naar binnen te ondernemen, denk ik nu. Houvast vinden voor een afbrokkelend zelfbeeld. Het is uit een vreemd soort piëteit dat ik het toch maar terugzet in de kast.
wondere wereld
Ik denk dat Koptische Kloosters ook bij paps vandaan komt. Op het prijskaartje van De Slegte staat ook nog de aanduiding fl., dat was in 2005, toen ik terugkwam in Nederland, niet meer zo.
Dat ik twijfel komt door de naam van de auteur, Karel Innemee, dat was de docent die ons inwijdde in de glinstergeheimen van het vroege Christendom. Ik vond dat zo'n wondere wereld, die Star-Warsachtige koepels overal in de woestijn …
In Cairo hebben we een koptische kerk bezocht, ook zo wonderlijk midden in die Arabische wereld.

de witte met het zwarte hart
het debat over culturele toe-eigening
De enige manier waarop ik voor mezelf kan bepalen waar ik sta in het cultural appropriation debat, is door na te gaan wat ik las en lees, en wat ik schreef en schrijf.
Ik dacht dat het allemaal begon met de ophef rond de speech van Lionel Shriver, waarin zij verontwaardigd betoogt dat schrijvers verboden wordt om andere hoeden op te zetten (zelf droeg ze een sombrero), maar in de mode- en muziekwereld is de discussie al veel langer aan de gang. En in feite speelt het al zo lang als ik leef, getuige het essay van Norman Mailer uit 1957.
Ging de culturele toe-eigening daar nog over "hipsters" die dingen overnamen uit de "negro" cultuur, het deed eind jaren '60 zijn intrede in de literatuur toen William Styron zijn boek The Confessions of Nat Turner (over een slavenopstand, geschreven vanuit een zwarte slaaf) verdedigde tegen de aantijgingen van Herbert Aptheker dat hij alleen maar het stereotype van de domme, onderdrukte slaaf weergaf.
Het boek is fictie, betoogt Styron, en ik heb alleen maar geprobeerd me in te leven.
De vraag is nu dus: mag een blanke schrijver zich in een zwarte hoofdpersoon inleven? Mag hij schrijven vanuit het gezichtspunt van iemand uit een andere cultuur?
Mij kwam het onderwerp op twitter voor voor het eerst onder ogen, en daar reageerde ik in eerste instantie met: belachelijk! Dan zou een man toch ook niet over een vrouw mogen schrijven?
de verschillende argumenten
Inmiddels heb ik verscheidene artikelen gelezen. De argumenten zijn in drie categorieën onder te brengen: socio-economisch, artistiek, en ethisch.
• Als een blanke schrijver zijn boek over een zwart personage krijgt uitgegeven, betekent dat een kans minder voor de zwarte schrijver om zijn eigen verhaal te vertellen.
• De schrijver moet in staat zijn (het artistieke talent bezitten) om zich effectief in te leven in een personage met een totaal andere achtergrond.
• De schrijver moet vanuit integriteit en empathie over dat personage kunnen schrijven.
black like me
Met het eerste argument lijkt het tegenwoordig wel mee te vallen. Er worden juist steeds meer boeken uitgegeven van schrijvers uit andere (lees: niet-witte) culturen.
Wel las ik een stuk over een blanke man die zijn gedicht maar niet gepubliceerd kreeg. Toen hij het aanbood onder een Chinese vrouwennaam, lukte het wel. De Chinese auteur van het stuk klaagt erover dat zij bij de Iowa Writer's Workshop steeds op haar Chinees-zijn wordt aangesproken, terwijl de andere deelnemers ervan uitgaan dat hun schrijfsels "universeel" zijn.
Een andere blanke schrijver, de Texaan John Griffin, deed zich 50 jaar geleden als een zwarte voor, om van binnenuit de ervaring van zwart-zijn te kunnen opschrijven in zijn boek Black Like Me.
Pas toen een blanke het opschreef, werd het verhaal van de zwarten in het zuiden van de VS geloofd. Een ander belangrijk aspect wordt verwoord door zijn biograaf Robert Bonazzi: It’s also a truthful journal in which Griffin admits to his own racism, with which white readers can identify and perhaps begin to face their own denial of prejudice. (Een punt waar ik straks op terugkom.)
inlevingsvermogen
Over het inleven: elke goede schrijver doet dat. Als schrijver moet je in staat zijn met behulp van je eigen ervaringen je in te leven in de ander. Ik zou iedere blanke die racisme wil ervaren aanraden een tijdje in een Arabisch land te gaan wonen. Hoewel ik vrijwel alleen uiterst hoffelijke en charmante Omani's ben tegengekomen, wist ik toch dat ik in hun land een tweederangs burger was. En de Indiërs en Filippino's derderangs. Op de radio hoorde ik elke ochtend dat de christenen helaas toch net niet goed begrepen hadden hoe het echt zat met God.
empathie en integriteit
Ik denk dat het laatste argument het belangrijkste is. Ik las een mooi artikel over culturele toe-eigening in de mode, en hoe sommige couturiers ervoor zorgen dat de oorspronkelijke bedenkers van bepaalde etnische details ook in de spotlights komen te staan, terwijl anderen er niet voor terugdeinzen hun lingeriemodel in een sacrale Indianentooi te laten opdraven. Dat komt behoorlijk dicht in de buurt van blackfacing.
twee jeugdboeken
Als ik naga welke boeken die ik ooit gelezen heb, over zwarten gingen, denk ik voornamelijk aan Marijn bij de Lorredraaiers van Miep Diekmann, en Jenny vindt haar Weg van Hans de Groot-Canté.
Diekmann staat natuurlijk bekend om haar geëngageerde boeken. Wat zij schrijft is historisch verantwoord, en bedoeld om de lezers bij te brengen wat er echt gebeurde.
En toch.
Ik moet denken aan wat ik las over To Kill A Mockingbird:
Racism in Mockingbird is something that good white people save black people from. Racism is something that bad whites do, not a system of oppression that benefits all whites. There need to be more books in YA that examine white complicity in systemic racism.
Dat geldt voor Marijn ook. Hij is degene die de slavin redt.
Jenny vindt haar Weg is een romantisch romannetje uit 1966, van de schrijfster van Swaentje valt uit het Nest. Jenny is met haar ouders naar Amerika geëmigreerd, maar vlucht na rassenrellen terug naar Nederland. Daar ontmoet ze een zwarte student. Uiteindelijk krijgen ze elkaar, en gaan ze terug naar Amerika om samen te lopen in de protestmarsen. In feite pakt deze schrijfster het beter aan. Ze eigent zich het zwarte personage niet toe, ze maakt racisme het probleem van alle bevolkingsgroepen.
zelf over anderen schrijven
Pas las ik Americanah, van de Nigeriaans-Amerikaanse schrijfster Chimamanda Ngozi Adichie. Dat is een perfect voorbeeld van de ervaring van binnenuit. Ik denk niet dat een witte schrijver zich ooit zo kan inleven. Dat ook niet moet proberen, dat wordt grotesk.
Maar waar ligt dan precies de grens?
Dat boek van mij, waar ik al duizend jaar aan bezig ben, speelt deels in Australië. Een van de hoofdpersonen is een aboriginal vrouw. (Lees wat ik hier schreef over mijn eigen schokkende vooroordeel.) Ik heb een film gezien over drugsverslaving bij Aboriginals, daar kwam een scène in voor van aboriginals die door een shopping mall met terrasjes (witte koffiedrinkende dames) liepen, en daar zowat weggekeken werden. Een soortgelijke scène heb ik in mijn boek opgevoerd.
En waarom wil je dat dan, jij witneus?
Omdat het thema van mijn boek is: waar hoor ik thuis? En waarom hoort iemand ergens thuis? Waarom voelt een land als thuis? Hoe is het als je van je eigen grond verdreven bent? Hoe is het als je een multi-culturele afkomst hebt? (Waarom voel ik me nog steeds een landverrader omdat ik in Groningen woon en niet in Friesland?)
Mag ik die gevoelens projecteren op iemand uit een andere cultuur?
En wie is degene die mij toestemming moet geven?
small great things
Nu las ik onlangs het boek Small Great Things van Jodi Picoult.
Geen literatuur, daarvoor is het te melodramatisch en te eindgoedalgoedig. Maar wel een uitstekend boek om precies de kern van het cultural appropriation debat zoals dat nu hier in Nederland woedt te raken.
Het gaat over een zwarte verloskundige, Ruth, die wordt beschuldigd van moord op een blanke baby. De ouders van het kind zijn white supremacists, en willen niet dat zij hun zoontje aanraakt. Maar de baby is ziek, zij probeert hem te reanimeren, kind sterft, poppen aan het dansen.
Het verhaal wordt om en om verteld door de zwarte verloskundige, de witte neonazi, en de witte advocate. Picoult geeft dus stem aan een zwart personage. Achterin staat een stuk waarin ze uitgebreid vertelt over hoe ze met zwarten en met neonazi's heeft gesproken voor haar boek, zodat we niet zullen denken dat zij iets uit haar duim zuigt.
Maar in feite is de belangrijkste stem die van de advocate. Want die vertelt waar het boek in wezen om draait. In de rechtbank is het not done om de race card te spelen. Vrouwe Justitia is immers blind, die maakt geen onderscheid tussen blank en zwart.
(Nou en of ze dat doet! Toen ik in Houston eens te hard had gereden, moest ik voorkomen. De hele zaal zat vol zwarten, ik was de enige blanke.)
Ruth is het niet met haar eens: deze hele zaak draait immers om haar zwart-zijn.
Het is pas als de advocate in haar slotpleidooi óók zegt dat het om ras draait, dat ze de jury weet te overtuigen.
Ruth zegt: For the jurors to hear it, really her it, it had to be said by one of their own.
Dat gold al ten tijde van Black Like Me, dat geldt nog steeds. Het is niet genoeg als zwarten het zelf zeggen, blanken moet het onderkennen en dat uitdragen. Het boek draait niet om racisme, het draait om white privilege.
de realiteit van anderen
Het is onzin wat Elma Drayer in de Volkskrant beweert, dat je identiteit niet bepaald wordt door waar je wiegje heeft gestaan. Het is ook onzin dat je beschaamd moet zwijgen over andere culturen.
Ik denk dat je beschroomd moet spreken over andere culturen, en dat je niet mag schrijven op een manier die het verhaal van een onderdrukker propageert en bestendigt. Dat heeft niets te maken met politieke correctheid, dat heeft te maken met integriteit en empathie.
Zoals Jess Row het zegt in zijn artikel What Are White Writers For: Where is Shriver's curiosity, and where is her compassion, when it comes to the perspectives of people who associate symbolic acts, like wearing sombreros, with deeper historical traumas? Is that not, too, part of fiction's purpose? Part of what she accurately describes as "the astonishing reality of other people"?
Of zoals Zoya Patel het kernachtig verwoordt: De enige manier om erachter te komen of culturele toe-eigening een probleem is, is door te kijken naar de bedoelingen van de artiest.
de architect
Ik heb al geschreven over de Duitse gotische beeldhouwkunst, en over Veit Stoß.
Ik moet nu denken aan een verhaal dat ik schreef voor de LOI-cursus. Zo'n moment waarop je als schrijver doorkrijgt dat alles wat je gezien hebt – ooit – materiaal is voor fictie. Komtie:
DE ARCHITECT
De kerk lag in puin, daar kon geen heilige Laurentius meer iets aan veranderen. Ongetwijfeld keek hij vanuit de hemel neer op al die Sankt Lorentzen, al die San Lorenzo’s en Saint Laurents die in woedende bommennachten van hun sokkels waren getuimeld en nu aan scherven lagen tussen onherkenbare vlaktes gebeeldhouwd puin.
Stilte heerste, en de geur van stof. Laura kon het ruiken doordat een ruitje van haar slaapkamerraam gebarsten was na de explosie van de dag ervoor. In het donker zat ze op knietjes op haar bed onder het schuine dak en keek tussen de zwart omhoogstekende ruïnes door naar het lege plein waar altijd de kerk stond. Beneden hoorde ze haar moeder in vaders kantoor rommelen. De zware lineaal van de tekentafel kwam met een klap op het blad neer. Vaders bouwtekeningen hadden waterschade opgelopen toen het buurhuis kort vlam had gevat tijdens het bombardement en moeder legde ze een voor een te drogen op de tekentafel.
Laura’s blik bleef gericht op die maanverlichte, stille plek, alsof ze verwachtte dat daar iets zou bewegen zodra ze haar ogen afwendde. Afgelopen zondag was ze nog met Omi naar de kerk geweest. Ze had zich zo eenzaam gevoeld nu alle sokkels aan alle zuilen leeg waren en er geen enkele welwillende heilige op haar neerkeek. Ook de rozenkrans met de engel die Maria de blijde boodschap bracht, hing niet langer aan de vergulde ketting. Alle heiligen waren in veiligheid gebracht – waarheen wist Laura niet. Omi lette niet op zulke dingen, Omi ging bidden voor haar twee zoons in Rusland.
Laura drukte Mieze stijver tegen zich aan, aaide het versleten beestje even over de rafelige kop – en in die seconde gebeurde het. Ze voelde de beweging en als een verrekijker haalden haar ogen het plein naar zich toe. Er liep iemand in de lichte nacht over de berg stenen, een man in een ouderwetse tuniek, met sprookjesachtige puntschoenen en een lange krullende baard. Laura kende hem wel, hij woonde ook in de kerk. Een heilige was hij niet, hij had gewoon moeten blijven, als een kapitein op zijn schip. Krachtige Adam noemde Laura hem altijd, omdat hij het hele sacramentshuis op zijn schouders droeg. Zo hoog was het bouwsel van stenen kantwerk, dat de ijle top zich boog onder het gewelf. Vroeger hadden ze ook zo’n kerstboom.
Adam Kraft liep zonder te struikelen rond over de puinhopen. Grote, afgemeten passen nam hij, tot aan de muur en niet verder, ja, tot aan een muur. Laura zag hoe heel vaag, achter de omhooggeheven handen van de man een muur tot stand kwam, alsof hij een doorzichtige kerk aan het bouwen was. Hij bouwde de hele nacht en Laura keek de hele nacht.
Toen de oorlog voorbij was, en vader meehielp bij de wederopbouw, was Laura niet verbaasd dat de kerk zo snel weer stond. Eigenlijk hoefden de bouwlieden alleen maar de onzichtbare stenen door zichtbare te vervangen. De kerk zelf had de oorlog overleefd.
winterboek
Dit Winterboek van de Wereldbibliotheek komt bij mijn oma vandaan. Zij was in die winter 25 jaar, en in mei daarvoor met opa getrouwd. Ze hadden het niet breed in die tijd, ik ben heel benieuwd of ze het van iemand gekregen heeft, of dat het misschien iets was waar ze bewust voor ingetekend had. Ik heb sowieso geen idee of oma graag las. Ze was van het breien: kleertjes voor mij, en van die kniekousen met net te strak elastiek.
Ik heb mijn eerste horloge van haar gekregen, en mijn eerste gouden ring. Door mijn huis verspreid staan nog wat kleine snuisterijtjes van haar, onder andere het koperen theepotje dat ze mij als heel klein kind al beloofd had. Een sleetje van Hindelooper schilderwerk, en een boeddha'tje. En haar dagboeken die enkel zakelijk vermelden wat er gebeurde op die dag. Pa overleden. Scheidsrechter Benfica omgekocht.
Zo vindt ieder een eigen manier om het leven te dragen.
Palladio
Palladio is een mooi voorbeeld van iets dat je leert waarderen naarmate je er meer over weet. Van nature ben ik een mens van duistere schittering en van rijke kleuren. Vroeg-christelijk en middeleeuwen, en daarna pas weer eind negentiende – begin twintigste eeuw.
Florence vond ik bijvoorbeeld heel koud en saai (behalve natuurlijk de San Miniato), de kerken eerder balzalen dan schatbewaarders van het heilige.
Maar die villa's van Palladio – we hebben in elk geval La Rotonda bezocht – zijn zo volmaakt ontworpen dat er een heel ander schoonheidsgevoel wordt aangesproken. Iets met evenwicht, met perfecte verhoudingen, een gebouw dat goed is voor je ziel omdat er juist géén duistere hoekjes zijn, maar het landschap aan alle kanten.
En het is bijzonder dat zijn vormentaal nog altijd "normaal" is, hoeveel banken en beursgebouwen en gerechtshoven hebben niet de palladiaanse zuilen, of zo'n onderste laag van grovere stenen.
Empire State Building
Google Louis Hine Empire State Building en je vindt al die fascinerende foto's over de levensgevaarlijke manier waarop de bouwers aan dit iconische gebouw hun werk deden.
Ongezekerd, op die hoogte. Aan het publiek werd verteld (herinner ik mij van de colleges) dat er een speciale Indianenstam aan het werk was, die geen last had van hoogtevrees. Zelf ging Hine dus mee naar boven, en het schijnt dat hij gezegd heeft dat het "daar beneden" (in het chaotische verkeer) gevaarlijker was dan boven.
Ik vond het een magische ervaring om eindelijk zelf in dit gebouw naar boven te gaan, en er bovenop te staan. Van binnen is het je reinste art déco. Maar nog mooier was het om het te zien vanaf de Top of the Rock.















