Cherise Wolas – The Resurrection of Joan Ashby

Ik dacht dat ik een prachtige, doorwrochte literaire roman aan het lezen was, en verheugde me al op de doorwrochte bespreking die ik erover zou schrijven.
Het begon allemaal zo veelbelovend (al kon ik een sprankje argwaan niet onderdrukken omdat ook dit boek weer gesierd werd door de woorden "a stunning debut").
Het verhaal begint met een artikel uit een literair tijdschrift, waarin – na dertig jaar eindelijk – de langverwachte roman van Joan Ashby wordt aangekondigd. Zij was ooit met twee verhalenbundels een grote ster geweest, jong en mooi en internationaal beroemd. Dat er nooit een roman gekomen was, verbaasde iedereen.
Nu, dat zat zo.

Al op haar dertiende wist Joan: als ik schrijver wil zijn, moet ik niet trouwen, en geen kinderen krijgen. Enter de beroemde oogchirurg Martin Manning, liefde op het eerste gezicht. Ze beloven elkaar plechtig: het werk gaat voor en we nemen geen kinderen. Maar Joan raakt toch direct zwanger, en Martin is zo blij dat ze het kindt houdt. Zoon Daniel wordt haar zielsverwantje, hij leest op zijn vijfde al Dostojevski of zoiets, en begint op zijn zesde verhalen te schrijven over eekhoorntje Henry. Intussen wordt er een tweede zoon geboren, Eric, een onhandelbaar mormel dat wel heel goed is in computers, en op zijn dertiende al een multinationaal bedrijf sticht.

Ja, nu ik dit zo allemaal opschrijf, denk ik: mijn ogen hadden eerder open moeten gaan.
Maar het boek is aanvankelijk zo bijzonder. Het verhaal wordt regelmatig onderbroken door de schrijfsels van Joan. In het begin uit haar beroemde verhalenbundels, later uit een boek waar ze aan werkt, en een verhalenbundel waaruit ze soms voorleest aan Daniel. (Martin mag niets weten van haar schrijverij, ze wil haar schrijfzelf intact houden.) Ze schrijft bizarre, surrealistische verhalen, die heel mooi duidelijk maken hoezeer haar dagelijkslevenzelf als moeder en huisvrouw verschilt van haar schrijfzelf.
Als lezer ga je een pact aan met de schrijver: je aanvaardt dat de voorgeschotelde wereld is zoals hij is. In dit geval een tikje uitvergroot en abnormaal, maar zo overtuigend opgeschreven dat je erin meegaat.
Dit gaat goed tot op de helft van het boek. De thematiek is die van het schrijven. Over de macht van woorden, over wat je nodig hebt om te kunnen creëren, en of dat te combineren valt met het moederschap. Net als de kinderen uit huis zijn, belandt Eric in een afkickkliniek en moet moeders toch weer opdraven.

[VANAF HIER SPOILERS]
Maar dan gaat het mis. Wat we in de eerste helft al aan de weet waren gekomen, en wat ik een compositorische fout vond, was dat zoon Daniel op een gegeven moment de boeken van zijn moeder leest, en daar zo van onder de indruk raakt dat hij zijn eigen schrijverij opgeeft. Helemaal gefrustreerd en boos omdat zijn moeder hem nooit heeft verteld hoe beroemd ze was. In het gezin is hij nu de enige zonder speciaal talent. Dat leidt uiteindelijk tot "een verraad van Shakespeariaanse proporties" zo lees ik in alle besprekingen.
(Dat was trouwens nog iets wat mijn argwaan wekte: waarom kon ik in geen enkele respectabele krant (New York Times, Guardian) een recensie vinden?)

Vervolgens krijgen we een stuk dat over Daniel gaat, waarin hij het relaas van zijn mislukte leven inspreekt op de computer. Daarin krijgen we opnieuw dat geklaag over zijn beroemde moeder en zijn eigen schrijverschap. Spanningsboogtechnisch was het in elk geval een stuk beter geweest als we – net als Joan – in het duister getast hadden omtrent zijn beweegredenen. Wolas heeft trouwens toch de neiging om dingen veel te veel uit te leggen, wat dat aangaat hadden er minstens 100 bladzijden af gekund.
Op een gegeven moment vindt hij in zijn boekenkast een dun boekje: Creative Visualization van Shakti Gawain. Typisch zo'n midlife-crisis-boekje voor dames (ik heb het zelf gehad), geen boekje voor iemand die heeft geprobeerd het te maken in het zakenleven. Dat was het moment waarop ik begon te twijfelen aan het literaire gehalte van dit boek.

Achteraf dacht ik: is er soms een redacteur geweest die Wolas gevraagd heeft of ze beroemd wilde worden of rijk? Rijk natuurlijk! Nou weet je, schrijf dan zoiets als Eten, Bidden en Beminnen.
Dus Wolas stuurt Joan hop! naar India, waar zoon Eric intussen al bijna de Dalai Lama zelf is geworden en in witte kleding voor de minderbedeelden zorgt. Joan vindt zichzelf terug, gaat een boek schrijven over een Hele Rijke gescheiden kunstenares op een Hele Grote Loft in New York – Danielle Steel is er niks bij – en tenslotte ontmoet ze een Hele Leuke Nederlandse Man die alles heeft wat Martin niet had, al weten we nauwelijks wat Martin had want die was alsmaar aan het oogchirurgeren.
Kortom, wat begon als een puzzelige, doorwrochte studie van het schrijverschap, eindigt als een semi-diepzinnig, veel te lang uitgesponnen (want ook nog tig bladzijden uit die nieuwe roman die dus het boek is dat aan het begin werd aangekondigd) dertien-in-een-dozijn midlife-crisis-verhaal, en dan ook nog over iemand die superrijk, gezond en mooi is, die rustig haar hele leven door had kunnen schrijven in plaats van zo te zeiken.

Geplaatst in recensies | Getagged , | 8 Reacties

een collage, een verhaal

Het maken van een collage is een proces dat lijkt op het schrijven van een boek, zeker als je dat deze maand doet met behulp van de schrijfveren, als voorbereiding op NaNoWriMo.
Het begint als een vaag droombeeld, samengesteld uit verhalen, herinneringen, emoties, fantasiebeelden. Kleuren, vaag nog. Maar je weet al welke erbij horen en welke niet. Je laat ze hun eigen vorm vinden.
Het vage beeld krijgt iets van een compositie, iets van voorgrond en achtergrond, van midden- en zijpanelen.
Het begint te vragen om een duidelijkere indeling, om scherpere belijningen en definiërende vormen.
De achtergrond is oneindig, dat hoort een achtergrond te zijn.
De voorgrond geeft suggesties, voorafschaduwingen. Daar kan nog van alles gebeuren.
Het middendeel, daar is het gebeurd, daar zal het gebeuren.
De opbouw staat in de steigers en in de verf.
Kleine details beginnen zich te openbaren.
En daar … als door een wonder verschijnt daar de hoofdpersoon en kan het verhaal beginnen.

Geplaatst in creatief, schrijfveren, schrijven | Getagged , , , | 7 Reacties

soorten lezen

Zo heerlijk dompelde ik mij onder in de Farseer Trilogy! Ik ben halverwege deel 2 en laat me meesleuren door het verhaal. Heel af en toe onderstreep ik een zin, ofwel omdat hij me belangrijk lijkt voor de plot (met het idee van: als ik later nog wil opzoeken wanneer dat voor het eerst speelde, kan ik het zo vinden) ofwel omdat ik hem mooi vind, poëtisch. Zinnen voor schrijfveren of voor op collages.
Maar ruw word ik uit mijn leesgenot gerukt door de postbode. De meeste nbd-boeken passen door de brievenbus, maar dit duidelijk niet. Een enorme turf die binnen 14 dagen uit moet: The Resurrection of Joan Ashby. Ik móet erin beginnen, en gelukkig is het wel goed geschreven.

Ik lag gisteravond in bed, versgeslepen potlood in de hand, en dacht: wat zijn er toch verschillende manieren van lezen. Recensieboeken lees ik in feite in schrijfcoachmodus (alleen is het daarvoor te laat). Ik ben kritisch op de stijl en op de plot. Ik onderstreep zinnen die me belangrijk lijken voor de bespreking (al kun je daar zo vroeg in het boek nog niet veel van zeggen), waarin ik én een korte samenvatting van de inhoud moet geven én een afgewogen oordeel. De officiële recensie is eigendom van de nbd, ik mag hem zelf verder niet gebruiken. Als ik over hetzelfde boek een stuk schrijf op mijn blog, moet dat volkomen anders zijn. Minder 'neutraal' meestal.

Kritisch lezen kan ook genotvol zijn, vooral als het een goed boek is. Maar soms staat het genieten in de weg. Ik had heel even zo'n kritische bui bij Robin Hobb. Opeens viel het me op dat ze wel erg vaak een bijwoord gebruikt bij dialoogzinnetjes. Zei hij boos, riep hij beschuldigend, met als knaller deze: 'Sir?' I asked questioningly.
Dat is iets om op dat moment bewust uit te zetten, want ik zou een fantastisch kind met het badwater weggooien als ik die ergernis zou toelaten. Maar als redacteur zou ik ze er zeker uitgehaald hebben. (Ik denk nu opeens aan de Tom Swifties.)
Maar het heerlijkste lezen is toch het ondergedompeld zijn, het meegesleurd worden.

Geplaatst in lezen | 4 Reacties

puzzelstukjes en schellen

Omdat stress en opwinding een onmiddellijk negatief effect hebben op mijn ziekte, besloot ik me aanvankelijk buiten de discussie rondom Griet op de Beeck te houden. Maar nu ik vanmorgen op de radio twee meneren hoorde beweren (vanaf minuut 17 op http://www.nporadio1.nl/de-ochtend) dat het bij DWDD naar buiten brengen van het gegeven dat zij als klein kind misbruikt is door haar vader wel heel opportuun was, zo tegelijk met het verschijnen van haar nieuwe boek, kon ik dat toch niet zomaar laten passeren.
Alsof je een dergelijk schaamtevol feit überhaupt zou brengen als je niet overtuigd was van de waarheid ervan.
En men vindt het – met Max Pam, de aanzwengelaar van de discussie - raar dat ze daar nu 'opeens' achtergekomen is. Dat moet toch wel verzonnen zijn, of ingefluisterd door een therapeut.

Laat ik vooropstellen dat ik nooit lichamelijk mishandeld of misbruikt ben. Hoewel mijn ouders me meermalen hebben verteld dat ook het pak voor de broek deel uitmaakte van de opvoeding. Maar, zo vergoelijkten zij, ze deden het altijd in alle redelijkheid, nooit vanuit woede. Dan wordt het eigenlijk een soort geestelijke mishandeling, bedenk ik nu. Al schrijvend. Ik heb kindeke ook wel eens een klap gegeven, uit pure woede of frustratie. Maar daarna heb ik het altijd goed gemaakt, uitgelegd waar het van kwam, en dan beloofden we aan elkaar dat we voortaan lief zouden zijn.
Maar even terug. Soms kom je al schrijvend 'opeens' ergens achter. Soms besef je dingen opeens. Ik wist al wel dat mijn vader door zijn capriolen op het eerste sterfbed gigantisch van zijn voetstuk was getuimeld. Van mensen in zijn omgeving mocht ik niet voelen wat ik voelde, niet zien wat ik zag. Ik was de dader, hij was het slachtoffer. Van mij en mijn kwalijke gedachten.
Ongeveer net zo als Max Pam beweert over de vader van Griet. Omdat hij dood is, kan hij zich niet verdedigen en mag zij dus niet zeggen wat ze weet. Hij is het slachtoffer, van haar en haar 'aantijgingen.'

Dat mijn vader een narcist was, besefte ik pas toen ik zijn brieven las, die tussen de spullen uit mijn ouderlijk huis hierheen gekomen waren. Dat was letterlijk een geval van 'de schellen vielen mij van de ogen.'
Ik was inmiddels 56. Eindelijk klopte alles, viel alles op zijn plaats.
Voordien kon ik dat niet zien. Was het onverdraaglijk om te weten dat degene die jou toch had moeten beschermen tegen het kwaad in de wereld, zelf het kwaad was.
Natuurlijk, er zijn veel ergere gevallen. Op een narcismeschaal van 1-10 was hij misschien een zes. Maar waar het me om gaat is dit: het kan heel lang duren voor de schellen van je ogen vallen. Het is niet raar dat dat gebeurt door of tijdens het schrijven van een boek. Schrijvend put je uit de diepste bron die je hebt, daar waar zich alles bevindt wat jou tot jou gemaakt heeft. En dan stuit je soms op dingen die al die tijd ondergeslibd hebben gelegen.

Ik snap de beweegredenen niet van de mannen die zonodig de vloer moeten aanvegen met Griet op de Beeck. (Het zijn meestal mannen, in mijn geval was er ook een vrouw bij.)
Gelukkig kreeg Max Pam op zijn column in de Volkskrant (tekst hier) meteen een geweldige reactie (in twittertermen een 'draadje') over zich heen, waarin Thomas Bast met zijn argumenten de vloer aanveegde. Kabos-Van der Vliet kwam met een artikel waarin de nieuwste theorie over hervonden herinneringen uiteengezet wordt.
In de NieuwsBV op de radio legde Nel Draijer uit hoe het zat met die hervonden herinneringen, en met herinneringen in het algemeen.
In een ander draadje legde Anke Laterveer nog maar eens uit waarom het onmogelijk is om over misbruik te praten.

Mijn conclusie is na deze dagen, dat mensen veel dingen die te dichtbij komen, niet waar willen hebben. Grote mond opzetten over misbruik in de kerk of op sportverenigingen, maar één dappere vrouw die haar waarheid vertelt meteen betichten van aanstellerij of erger, van manipulatie voor de verkoop van haar boek. En dan de Volkskrant er nog even dunnetjes overheen met de tweet over de recensie. Vrouwen 'emotioneel' noemen is altijd een geliefde dooddoener waardoor ze niet meer hun waarheid durven spreken.
Zelf schrijft Griet op de Beeck het onderstaande op haar Facebookpagina.

Geplaatst in autobio, schrijfveren, tijdgeest | Getagged , | 12 Reacties

Robin Hobb – Assassin’s Apprentice

Wat is het toch dat fantasyboeken zo meeslepend maakt? Is het die oudste der verhaalfuncties: het vertellen van een geschiedenis die in principe oneindig is, en toen en toen en toen, en zo in-wevend omdat het ons aller geschiedenis is, van hoe wij zijn geworden en gekomen van toen, daar naar nu, hier?
Ik heb nog niet veel fantasy gelezen, eigenlijk was LeGuin mijn eerste kennismaking. Tenzij ik Tonke Dragt meereken. Harry Potter heeft bij mij niet gewerkt, het eerste boek was voor mijn gevoel louter beschrijving van de toverschool. Te weinig plot, en de dilemma's van de personages niet interessant genoeg. Wat niet wegneemt dat ik de films wel heerlijk vond, en me prima kan voorstellen dat kindeke in tijden van nood altijd weer haar toevlucht neemt tot deze boeken.

Ik probeer te bedenken wat de criteria zijn om iets fantasy te noemen. Het creëren van een sprookjeswereld staat daarbij wel voorop. Een schrijver moet deze wereld in geuren en kleuren en geluiden voor ons optrekken, zonder dat dat vooropstaat in het verhaal zelf, want dat moet nog altijd draaien om een hoofdpersoon met wie je kunt meeleven. Er moeten dingen in voorkomen die in het "echt" niet kunnen. Er kunnen ook vreemde wezens in voorkomen (denk Lord of the Rings), maar dat hoeft niet per se.
Ik scroll door mijn goodreads read lijst, om te zien of meer van mijn boeken tot het fantasygenre behoren. Ik denk aan The book of Strange New Things. Noem je dat fantasy, of is iets met ruimtevaart per definitie science fiction? Ik denk aan Station Eleven. Ook science fiction, vermoed ik. Ik denk aan Outlander. Tijdreizen maakt het nog geen fantasy volgens mij. En The Bone Clocks? Dat is vermoedelijk een genre bender.

Dus een fantasykenner ben ik beslist niet. Ik kan alleen maar vaststellen dat ik de afgelopen dagen heb gesmuld zoals ik bijna nooit doe. Elke vrije minuut het boek openslaan, in de zon op balkon uren zitten lezen, de tv voortijdig de mond snoeren om maar verder te kunnen lezen … Dat overkomt me bijna nooit. Van het boek over Noord-Korea heb ik ook genoten, maar anders. Bij zo'n boek moet je de hele tijd bij jezelf te rade gaan: wat vind ik hiervan? Hoe denk ik hierover? Wat weet ik, wat moet ik beslist even opzoeken?
Terwijl Assassin's Apprentice je alleen maar vraagt mee te gaan, mee te beleven. Een verrukkelijke ontsnapping. Al zie ik heus ook wel de parallellen met die boze wereld en de onze.
Lees voor een beschrijving van de inhoud van de hele trilogie maar even de bespreking van Anna, dan ga ik nu gauw verder in deel twee.

Geplaatst in lezen, recensies | Getagged , , | 11 Reacties

Krys Lee – How I Became a North Korean

Ik ben begonnen met het tweede seizoen van Top of the Lake (China Girl genaamd), tegelijk met dit boek dat ik moest recenseren voor de nbd. En wat sluiten ze mooi op elkaar aan, boek en serie. China Girl speelt in Sydney en gaat over de moord op een jonge prostituee uit Zuidoost-Azië, How I Became a North Korean gaat over vluchtelingen uit Noord-Korea, en onder andere over het verschil tussen wat mannen en vrouwen overkomt op die vlucht.

Yongju is de zoon van iemand uit het partijkader, zijn ouders komen op feestjes van de Grote Leider. Als het allemaal fout loopt, maken zijn moeder en zusje geen enkele kans. Jangmi is een jonge, zwangere vrouw uit de laagste klassen, bekend met honger en smokkelen, en haar lichaam is de enige koopwaar die zij in ruil voor hulp kan bieden.
De derde hoofdpersoon is Danny, die in Amerika woont, bij zijn vader. Zijn moeder, van oorsprong Noord-Koreaanse, is teruggekeerd naar Yanji in China, om het evangelie te verspreiden (en daadwerkelijk goede werken te doen). Als hij op school gepest wordt vanwege zijn homoseksualiteit, besluit hij zijn moeder op te zoeken. Uiteindelijk belandt hij op straat, en wordt een – wegens zijn kennis van de wereld en van techniek – een gewaardeerd lid van een grote groep jongens die allemaal uit Noord-Korea gevlucht zijn, en in een grot proberen te overleven.

Ik vond dit een fantastisch boek. Het geeft inzicht in het lot van de vluchtelingen, in hun visie op de wereld na te zijn opgegroeid in zo'n afgesloten land, in de verschillende manieren waarop mensen overleven, hoe het überhaupt mogelijk is om zulke verschrikkingen te overleven.
Er zijn mensen die hen helpen om er zelf beter van te worden, en uiteindelijk zijn er goddank ook mensen die hen werkelijk helpen. Niet voor ieder lid van de oorspronkelijke groep komt die hulp op tijd, niet iedereen heeft de veerkracht om werkelijk verder te leven. Lee beschrijft het zo, dat je voor al die verschillende mensen begrip kunt opbrengen.

Hiervoor las ik Midwinter, een boek zo doorgewinterd somber dat ik er helemaal iebelig van werd, en ook geen zin had om er een uitgebreide bespreking van te schrijven. Als ik dat met dit boek vergelijk … er zijn zoveel boeken die iedere urgentie missen, waarvan ik denk: als ik het niet gelezen had, had ik niets gemist. Het boek heeft me niet veranderd. Ik moet ook nog even denken aan dat boek over die Iraanse vluchtelinge, dat zo vol zelfbeklag zat, dat zo'n aanklacht was ook.
Dat heeft dit boek totaal niet. De drie hoofdpersonen doen om en om hun verhaal, vanuit het 'heden' waarin ze nu beland zijn. Ze vertellen wat er gebeurd is, zonder drama of zelfmedelijden. Bij mij als lezer hakte dat er enorm in. En al helemaal na die debiele toespraak van Trump, die bij het vernietigen van een land vergeet dat daar mensen wonen.

Geplaatst in recensies, tijdgeest | Getagged , | Een reactie plaatsen

een ijsje

Vandaag was het deze foto die me raakte. Het trappenhuis en de liften van de V&D in Leeuwarden, een foto uit 1935, gemaakt door H.A. Rollema. Die ik verder niet ken, maar google vertelt mij dat hij Hylke Abe heette en 35 jaar lang werkzaam geweest is in Leeuwarden.
Het is een prachtige foto qua compositie, heel mooi in de verdeling van lichte en donkere vlakken, in het zijdeglanzende licht dat door de ramen valt. De sfeer is bijna gewijd, met de marmeren trappen en de glimmende stalen leuningen en de opgang naar het licht.
Ik zie daar een zitje, ongetwijfeld een uitstalling van koopwaar, met een stoel, een kastje, een bloemenmand en een schilderij. Dat kon daar gewoon staan, onbewaakt. De liften zijn degelijk en mooi van vorm, niet enkel functioneel. Ik vermoed dat ze in het echt bruinig van kleur waren, passend bij het bruingespikkelde marmer.
Ergens in mijn hoofd moet zich dit beeld nog in kleur bevinden, van toen ik samen met oma die trappen beklom – vaag herinneren mijn benen zich dat ze ooit klein waren en de treden heel hoog – we gingen, oh luxe, een ijsje eten in het restaurant. En daarna weer met de bus naar huis. Het busstation achter de V&D.
Deze foto is een dierbare herinnering, hij valt naadloos over wat ik minstens vijftig jaar geleden beleefde.

Geplaatst in autobio | Getagged | 2 Reacties

een kleine beschouwing over dankbaarheid

Ik kwam de voetnoot van Grunberg tegen op twitter, en hij raakte me, zonder dat ik precies wist waarom. Ik retweette hem, en zette hem op Facebook, met erbij – wat ik vaker doe als ik iets plaats waarover ik zelf nog geen vastomlijnde mening heb – "om over na te denken."
Ik had op de Correspondent al gelezen over het boek van Pfauth en zelfs overwogen om het aan te schaffen. Ik heb ook ooit een tijdje in mijn dagboek elke avond 5 dingen opgesomd waarvoor ik dankbaar was geweest die dag.
Zeker in vergelijking met de rest van de wereld heb ik tienduizend dingen om dankbaar voor te zijn. Een lief kind, lieve familieleden, een mooi huis met een fijn bed met een onvolprezen tempurmatras, uitzicht op fraaie zonsondergangen, geen materiële zorgen, een rijk innerlijk leven, op de meeste dagen zin om iets te maken of te schrijven of te lezen. Een leven als een luis op een zere kop, noemde opa dat vroeger.
Maar dankbaarheid is niet alleen maar positief.
Ik begrijp opeens wat Grunberg bedoelt met zijn fopspeen als mij de woorden amor fati te binnen schieten. Liefde voor je lot. Je verzoenen met hoe je leven eruitziet. Dat kan zin hebben, zeker. In geval van ziekte zit er niet veel anders op. De meeste dagen lukt het me ook, en ben ik daarvoor zelfs dankbaar. Maar er was ook een tijd waarin het leven tamelijk ondraaglijk was. Ik wist alleen niet waardoor dat kwam. Ik zocht de oorzaak bij mezelf, in mezelf. Ik las vele kilometers zelfhulpboeken om toch in godsnaam maar weer gelukkig te worden. Want ik had immers zoveel om dankbaar voor te zijn, ik moest me doodschamen dat ik niet gelukkig was. Een ontevreden, egoïstisch, verwend mormel was ik. Oh, de wortels daarvan liggen zo diep dat ik het einde ervan niet eens kan opgraven.
Dankbaarheid was altijd een verplichting. Ik was slecht als ik niet dankbaar was. Er moest wel iets grondig mis zijn met mijn karakter dat ik ondankbaar durfde zijn.
Dus probeerde ik uit alle macht mijn lot lief te hebben. Ik stopte zelf die fopspeen in mijn mond. De fopspeen van de dankbaarheid die je op je plaats houdt, die je belet te spreken.
Ik ben me bewust van mijn rijkdom, ik tel regelmatig mijn zegeningen. Maar dankbaarheid kan alleen zuiver zijn als zij niet wordt afgedwongen. Anders is het een sleutel waarmee een cel op slot wordt gedraaid.

Geplaatst in autobio | 6 Reacties

Alice Hoffman – The Museum of Extraordinary Things

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik kende Coney Island van de colleges van Van Leeuwen en uit het boek Delirious New York, dat begint met een lang hoofdstuk over Coney Island, als de proeftuin voor de hele moderne manier van Amerikaans leven die eruit zal ontstaan. Het hield het midden tussen Las Vegas (met ook Venetiaanse grachtjes) en een wereldtentoonstelling (zo waren er onder andere hypermoderne couveuses te zien), tussen een pretpark met levensgevaarlijke attracties en een circus met wilde dieren en lilliputters. Toen we in New York waren, wilde ik er dan ook beslist naartoe. Ik wist wel dat er niet veel van over was, maar dat het zó'n armoedige boel zou zijn, had ik toch niet verwacht.

Toen ik afgelopen week The Red Garden besprak en wilde vertellen over die roman die in New York speelde, was ik daar even de titel van vergeten (The Story Sisters). Ik googelde dus Alice Hoffman – novel – New York, en kwam The Museum of Extraordinary Things tegen. Een roman over (onder andere) Coney Island! En wat voor eentje!

Het verhaal leest als een eind-negentiende-eeuwse romance. In een fraai staaltje vlechtplot krijgen we om en om een hoofdstuk over Coralie Sardie en Eddie (geboren Ezekiel Cohen). Coralie's vader, de Professor, beheert het Museum van Rariteiten, waarin mensen met ongewone uiterlijke kenmerken tentoongesteld worden, en verder griezelige specimens van allerlei natuurwonderen op sterk water. Het museum wordt bedreigd door de opkomst van Dreamland, het grote lunapark op Coney Island, dus hij moet steeds raardere dingen verzinnen om nog klanten te lokken. Dochter Coralie wordt daarbij, tegen haar zin, ook ingezet.
Eddie is in Amerika gekomen met zijn vader, ze zijn na een pogrom waarbij hun moeder verbrand is, gevlucht uit Oekraïene. Via allerlei baantjes en duistere activiteiten ontpopt hij zich tot fotograaf.

Uiteindelijk worden hun levens samengeweven, maar het verhaal is zoveel meer dan dat! Het beschrijft de wording van New York. Hoe de stad steeds meer de wildernis opslokt. Hoe een grote brand in een naaiatelier waarbij honderden jonge mensen de dood vonden (denk aan wat er nog niet zo lang geleden in India gebeurde) ervoor zorgde dat arbeiders eindelijk rechten kregen. Hoe Coney Island in die tijd (we schrijven 1911) hoop op vooruitgang betekende, en hoe die in de as werd gelegd.
De roman is een monument voor liefde en gelijkwaardigheid, sprookjesachtig mooi beschreven.

Geplaatst in recensies | Getagged , , | 2 Reacties

van de schoonheid en de troost

Er kwam weer eens een afbeelding voorbij die me raakte. Een simpele zwart-wit-foto van een passiebloem in knop, gemaakt door Karl Blossfeld, in het begin van de vorige eeuw. De naam van de fotograaf zei me niets, ik vond een leerzaam artikel over een tentoonstelling van zijn werk.
Maar dat zegt niets over waarom deze specifieke foto juist mij zo raakte.
Dat heeft alles te maken met de kwaliteit van de foto. Standpunt, scherptediepte, compositie en belichting werken allemaal samen om van deze simpele bloemknop een geheimzinnig wonder te maken. Het is of de kleurrijke pracht van de bloeiende passiebloem samengebald ligt in deze vastbesloten doornerfde blaadjes, of de fotograaf precies op het juiste moment heeft afgedrukt. Het moment waarop alles anders wordt. Het moment waarop het verhaal begint.
Ik bedenk opeens dat ik ook een foto van een passiebloemknop heb gemaakt, hier op het balkon. Wat maakt die foto tot een kiekje, en de foto van Blossfeld een kunstwerk? Komt dat alleen van de kleur? Is het de afdruktechniek (zilvergelatine)? Of is het toch de persoonlijkheid van de fotograaf, de diepe en eerbiedige aandacht voor het object? Mijn blik hecht zich aan de aderen in de blaadjes, aan die naar elkaar toegebogen puntjes.
Wat is het mooi om iets mooi te vinden.

Geplaatst in autobio, kunst | Getagged | 5 Reacties