Rumer Godden – Black Narcissus

Na het toch wat veeleisende Happiness was ik weer even toe aan een meeneemboek, zo'n verhaal dat je vanaf het begin meeneemt, personages die je meteen ter harte gaan, een locatie die interessant is, noem het allemaal maar op. Knap, als een schrijver dat kan!
Ik vond direct soelaas bij Rumer Godden. Wat kán zij toch schrijven!

Van Black Narcissus had ik een vaag zwart-wit filmbeeld voor ogen, broeierige blikken tussen een non en een man. Ik zoek de film even op, en zie dat hij in Technicolor was! En lees dat hij geldt als een erotic drama wat toch niet het eerste is waar ik tijdens het lezen aan dacht.
Het boek gaat veel meer over de invloed van de exotische locatie – aan de voet van de Himalaya, met zicht op de Kanchenjunga (de naam alleen al!) – en kleurrijke bevolking op de nonnen. Als je erotiek ruimer opvat dan alleen seksueel, worden ze allemaal op een andere manier erotisch beïnvloed. Zuster Ruth wordt werkelijk verliefd, zuster Clodagh denkt aan haar jeugdvriendje in Ierland doordat er zoveel dingen zijn die aan hem herinneren, hier een geur, daar een uitdrukking, daar een rode mond, zuster Briony verliest haar hart aan de baby's voor wie ze een soort consultatiebureautje opricht, zuster Philippa wordt bijkans gek van alle mogelijkheden die de tuin haar biedt … En altijd is er die besneeuwtopte Kanchenjunga, hoger en machtiger dan welke God ook.

Het verhaal zit doortimmerd in elkaar, hoe impressionistisch het ook leest. Al in het begin zie je – bij teruglezing – hoe het einde onontkoombaar zal zijn. Godden wisselt naar eigen goeddunken van perspectief (net zoals ze dat in This House of Brede en haar andere boeken doet), waardoor het verhaal iets kaleidoscopisch krijgt en je hoofd net zo duizelt als dat van de nonnen, daar hoog boven de afgrond. Ik schreef het al in mijn bespreking van Old Filth: alleen hele goede schrijvers kunnen (en mogen, wat mij betreft) afwijken van de 'regels.' Bij anderen getuigt het alleen van een gebrek aan talent en vakmanschap.

Ik had in mijn hoofd dat Black Narcissus de naam was van een van de nonnen, maar het is de naam van een parfum. Ik zou het weleens willen ruiken, zo'n geur die tegelijk bedwelmend en bedreigend is.

Geplaatst in recensies | Getagged , | 12 Reacties

lees je creatiever

Van een van de boekbloggertjes kreeg ik een link naar de website Quiet Revolution, waarop 4 tips om je creativiteit te bevorderen.
Morning Pages staan op één, dat verbaast mij natuurlijk niet. Al moet ik toegeven dat mijn dagboek zo langzamerhand is verworden tot een logboek van kwaaltjes en doktersbezoeken, slechts heel af en toe gelardeerd met iets poëtischers of diepzinnigers. Ik geloof dat ik me tegenwoordig beter uit in beeld dan in taal.

Tip twee gaat over de psychologie van ideeën, en hoe je de beelden in je hoofd kunt gebruiken als ideeëngenerator. Wat er staat over het opkomen van ideeën tijdens lezen of tentoonstellingen herken ik. Dat zijn vaak de momenten waarop ik mijn dagboek erbij pak, om ze vast te leggen. Of ik zet ze in Google Keep, of op Pinterest. Dat worden een soort schatkamertjes buiten mijn hoofd, waar de ideeën met elkaar kunnen converseren. De tip voor het boek The Creative Habit van Twyla Tharp noteer ik ook daar.
Tip vier beveelt het boek Bird by Bird van Anne Lamott aan, een van mijn vroege schrijfboeken.

Het is tip drie die echt aan iets raakt. Het is vaak maar net wanneer je iets onder ogen krijgt. Ik raak vaak gefrustreerd doordat ik te weinig lees van wat ik zou willen lezen. Mijn currently reading lijstje schommelt altijd tussen de 50 en 60 titels. Ik ben meestal bezig in twee romans tegelijk: een recensieboek en een boek naar keuze. En daarnaast begin ik enthousiast in eindeloos veel titels over van alles, vaak aangeraden door Brainpickings. Het geijkte leesmoment daarvoor is vaak een kwartiertje voor de middagdut en dat schiet natuurlijk niet op.

Dan lees ik hoe Ray Bradbury adviseert om de dag te beginnen met een gedicht en een essay, als voeding voor het onderbewuste.
Dus nu lees ik elke ochtend een essay van Virginia Woolf, en geniet me suf van haar even vileine als poëtische woorden.
Sinds Thomas Moore heb ik altijd iets willen lezen van Anne Sexton. Daar ben ik nu maar domweg mee begonnen. Ik wil niet pretenderen dat ik alles begrijp wat ze schrijft, maar de woorden en zinnen raken heel diepe lagen in mij. Het gedicht van vandaag, over Daphne die in een laurierboom verandert, spreekt me zo aan dat ik het een paar keer herlees. Veel van haar woorden of zinnen vinden hun weg naar de schrijfveren van 2020.

Where I Live in This Honorable House of the Laurel Tree

I live in my wooden legs and O
my green green hands.
Too late
to wish I had not run from you, Apollo,
blood moves still in my bark bound veins.
I, who ran nymph foot to foot in flight,
have only this late desire to arm the trees
I lie within. The measure that I have lost
silks my pulse. Each century the trickeries
of need pain me everywhere.
Frost taps my skin and I stay glossed
in honor for you are gone in time. The air
rings for you, for that astonishing rite
of my breathing tent undone within your light.
I only know how untimely lust has tossed
flesh at the wind forever and moved my fears
toward the intimate Rome of myth we crossed.
I am a fist of my unease
as I spill toward the stars in the empty years.
I build the air with the crown of honor; it keys
my out of time and luckless appetite.
You gave me honor too soon, Apollo.
There is no one left who understands
how I wait
here in my wooden legs and O
my green green hands.

Anne Sexton

Geplaatst in creatief, gedichten, lezen, schrijven | Getagged , , | Een reactie plaatsen

leeservaringsverhaal

We hadden vorige week een lezing in het kader van de Literatuurclubs Drenthe, bij wie wij ons als leesclub hebben aangesloten. Hij ging over Old Filth, en werd gegeven door Esmeé van den Boom, die ook de informatiebrochure bij het boek heeft geschreven, dus in die zin verwachtte ik niet veel nieuws.
Maar zij ging in op een heel ander aspect, iets waar ik via kindeke's onderzoek naar narratieve therapie wel iets over wist, maar niet dat het ook bij film- en literatuurwetenschap wordt gebruikt: de Trauma Theory.
Thuis meteen gegoogled natuurlijk, en ik vond meteen een document dat aansloot bij iets wat Esmée tussen neus en lippen door had genoemd: dat deze theorie erg toegespitst is op wat we in de westerse (witte) wereld onder trauma verstaan.

Ik ben nu Happiness van Aminatta Forna aan het lezen, en daar speelt dit gegeven ook een hoofdrol. Hoofdpersoon Attila is een Ghanese psychiater, die er tegenaan loopt dat wat iemand uit een Afrikaans land beschouwt als 'horende bij het leven' voor een westerling meteen een trauma is.
Ik ben erg onder de indruk van het boek, en het kost veel moeite om het te lezen. Het leest als zo'n ronddraaiend swarovski kristalletje dat voor het raam hangt, steeds worden andere facetten belicht van steeds veranderende thema's. Het leest ook als poëzie, waarbij je elke scène als een dichtregel op je moet laten inwerken. Er is vrijwel geen plot, geen narrative drive, dus niets van wat ze in de trauma theory voorstaan: de helende kracht van een logisch en compleet verhaal.
Wel sluit het aan bij een andere onderdeel: dat je trauma vaak niet rechtstreeks kunt bereiken, maar wel via kunst.

Onder een traumaroman wordt verstaan: fictie waarin een diepgaand verlies wordt overgebracht, en de veranderingen die dit in een personage teweegbrengt. Voor Old Filth waren het twee trauma's: hij werd losgerukt uit zijn vertrouwde wereldje in Maleisië, en van zijn verzorgster daar, en hij kwam ook nog eens terecht in een verschrikkelijk pleeggezin. (Een ander voorbeeld van zo'n Raj-wees in de literatuur is Mary uit The Secret Garden.) We zien dat hij door het boek heen verschillende symptomen van PTSS vertoont. Dat hij samen met zijn nichtjes – die ook in dat pleeggezin waren ondergebracht – reconstrueert wat er destijds precies gebeurd is, en hij het verhaal logisch en compleet kan maken, betekent voor hem werkelijk een katharsis.

Zover was ik, toen de post het volgende recensieboek bracht. Over trauma gesproken …

***

Gisteravond begonnen in die roman over Anne Frank. Het begint als een ouderwets meisjesboek, en is gelardeerd met Nederlandse woorden, en niet altijd even goed. Onderduiken wordt bijvoorbeeld 'onder het duiken' genoemd. En ik houd mijn hart vast. Zoveel holocaustboeken (traumaromans, ik denk opeens aan Der Funke Leben van Remarque) zijn immers geldverdienboeken over de ruggen van vermoorden (hierbij denk ik in de eerste plaats aan die walgelijke Tatiana de Rosnay).

Daarna las ik Happiness uit. Het is een indrukwekkend en rijk boek. Alle personages (mensen én dieren) worden met mededogen getekend, ten voeten uit. Het is een boek dat je tijd en moeite ten volle waard is. Als ik dat vergelijk met het vorige recensieboek (ik schreef er al over in mijn bespreking van Old Filth)! Zulke intens vervelende en verveelde personages, zo weinig diepgang en mensenkennis bij de auteur, zo'n verspilling van bomen! Ik herhaal nog maar eens wat Renate Dorrestein schrijft in Dagelijks Werk: "Heel veel schrijvers hebben eigenlijk niks om over te schrijven, daarom verschijnen er zoveel nikserige boeken. Het lijkt me heel armzalig om nikserige boeken te schrijven. Je moet een missie hebben, vind ik."

Lees een uitstekende, inhoudelijke bespreking van Happiness bij Bettina.

Geplaatst in lezen, recensies, schrijven | Getagged , , , | 2 Reacties

Jane Gardam – Old Filth Trilogy

We lezen Old Filth met de leesclub, dus dat heb ik nu herlezen, onmiddellijk gevolgd door deel 2 (The Man in the Wooden Hat) en deel 3 (Last Friends).

De trilogie vertelt het verhaal van twee juristen, Edward Feathers en Terence Veneering, en een vrouw, Elisabeth Macintosh, de latere echtgenote van Feathers, tegen de achtergrond van het Britse koloniale rijk, voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Edward en Betty zijn weeskinderen van de Raj, Terry is op een heel andere manier in het verre Oosten terechtgekomen.
Zij zijn de hoofdpersonen, maar met hen tuimelen nog diverse personages door het universum. Vooral in deel 3 komen we meer over hen te weten: Albert Ross, de raadselachtige dwerg die als een soort duivelse beschermengel altijd om Feathers heen draait, Fiscal-Smith, die zichzelf altijd overal uitnodigt, Dulcie, de vrouw van Rechter "Pastry Willy" die weer de oom is van Betty, en Isobel Ingoldby, nichtje van de familie die Edward zo'n beetje adopteerde toen hij op kostschool zat. Zij zijn de Laatste Vrienden uit deel 3.
Hun levens zijn meer met elkaar verweven dan ze zelf ooit zullen weten. Alleen wij weten dat, dankzij de schrijver die in ons in dit speciale universum rondleidt.

Ik ben nog steeds een beetje buiten adem van bewondering. Old Filth herlezen was bepaald geen straf, het maakte alleen maar nóg duidelijker hoe prachtig dat in elkaar steekt. En ik was nog meer ontroerd door de jeugdherinneringen van Feathers.
Ook heb ik nu meer de gelegenheid om op de technische aspecten te letten. Hoe Gardam van het ene hoofdstuk op het andere komt.
Nadat we hebben meebeleefd – oh, en het belang dáárvan alleen al! Ik lees nu weer zo'n waardeloos recensieboek waar in het heden nog vrijwel niets is gebeurd, maar intussen hebben we zowat alle verledens van alle familieleden voorgeschoteld gekregen, een en al tell, don't show, dus er blijft niets van hangen en het interesseert ons ook totaal niet – hoe Edward op de school van Sir komt, en wordt opgenomen in de familie Ingoldby, zit hij in het volgende hoofdstuk een brief te schrijven, alleen zweeft er steeds een nat donsdekbed voor zijn ogen. Daar eindigde het vorige hoofdstuk mee, dat de vader een dekbed uit het raam smijt, samen met de kat die erop gepiest heeft. Tientallen jaren geleden.

Bij herlezing springen ook schijnbaar onbenullige zinnetjes naar voren.
"Betty became haggard with the subject," staat er, als het over Terry Veneering gaat. (p14)
Wat er precies aan de hand is, weten we (nog) niet. (Aan het eind van de trilogie vraag ik me af of Gardam zélf alles vooruit wist.)

"Yet, all his life regret," staat er, als het over Isobel Ingoldby gaat. (p70) Stiff upper lip in optima forma. Daar is Gardam ook zo goed in. Ik heb me pas opgewonden over het slechte voorbeeld van "show don't tell" in Schrijven Magazine. Dat was één en al "tell," en bovendien ook nog zonder énige kennis van vertelperspectief. In dat voorbeeld waren het de bijvoeglijke naamwoorden van een onnozele schrijver.
Gardam schrijft: [he] was sent to a terrible place to wash. (p197) Als een schrijver dat schrijft omdat hij te beroerd is om die badkamer te beschrijven, is het een voorbeeld van hoe het niet moet. Maar vanuit het perspectief van Feathers zijn het de enige woorden die hij zal gebruiken, voor een armoedige badkamer in een ziekenhuis. Stiff upper lip.

Tegelijk stapt Gardam ook af en toe het toneel op, als alwetende verteller. Het is net zo als met abstracte schilders. Die leveren ook alleen maar kunstwerken af omdat ze weet hebben van wat er aan hen vooraf ging, omdat ze de techniek van de schilderkunst beheersen, omdat ze beseffen wat ze willen en daarom bewust afwijken van de norm die tot dan toe heerste.
Zo kan een schrijver afwijken van bepaalde 'voorschriften,' zolang hij maar weet dát hij het doet én waarom.
Edward bezoekt een van de achternichtjes met wie hij in een pleeggezin heeft gezeten. Claire bedenkt wat ze moeten eten. Though Teddy never noticed what he ate. "Nor anything else," she said, sadly, and mistakenly. (p128)
Dat mistakenly is zó veelzeggend. Teddy (Edward) merkt álles op, hij doet alleen een leven lang zijn best om alles diep in zichzelf te verbergen. Omdat het anders ondraaglijk is. Dat begint al in zijn jeugd. The past, unless very pleasant, is not much discussed among children. (p50)

In deel 1 zitten we vrijwel steeds in het perspectief van Old Filth zelf. Ook al is er af en toe een alinea vanuit een bijpersonage, dat dient alleen om zijn belevenissen te verduidelijken (of om aan te tonen dat zijn versie of herinnering misschien niet helemaal betrouwbaar is).

Waar een 'normale' trilogie de opeenvolgende avonturen van iemand vertelt, of anders van opeenvolgende generaties, is de Old Filth Trilogy meer een archeologische opgraving. Steeds meer kom je te weten van die oude beschaving, en nieuwe ontdekkingen werpen steeds een ander licht op voorgaande 'feiten.'
Waar we in deel 1 in de geest van Feathers zaten, beleven we in deel 2 en vooral 3 steeds meer wat Gardam zelf beleeft naarmate ze de grond om haar personages heen verder afgraaft. Soms zitten we in hun dromen of herinneringen, soms heb je het gevoel dat we te horen krijgen welke verhalen er over hen verteld worden, door buurtbewoners of andere oppervlakkige toeschouwers.
Dat heeft soms gevolgen voor het meeleven. Je wordt als lezer iets meer op afstand gezet. Maar aan de andere kant weet je soms ook meer dan de personages zelf ooit beseften, en dat zorgt dan weer voor extra ontroering.

Nog even terug naar mijn recensieboek: ik ben inmiddels op een derde. Het verhaal in het heden gaat als volgt: de patriarch van de superrijke familie Whitby is dood. Hij laat zijn fortuin niet na aan alle kinderen uit zijn vier huwelijken, maar aan één van hen: zijn geadopteerde zoon Nick. De echte kinderen in alle staten. Een ervan ontdekt dat ze zwanger is. Een ervan heeft een baantje bij een griezelige blinde schrijver. Oja, en Nick is nergens te vinden. Dat is álles wat er tot nu toe gebeurd is. De rest is flashback. Of liever gezegd backstory, want het wordt ons allemaal meegedeeld. Hoe zielig en bezopen en narcistisch ze allemaal zijn. En hoe rijk. En hoedan.
In het heden gebeurt er niets, en de personages zijn stuk voor stuk verwende, nietszeggende mormels.

Dan terug naar Edward en Terry en Betty en niet te vergeten Albert Ross. Naar het wonder van verweven levens en noodlotten. Feathers hoort op de club twee andere rechters over hem roddelen. "Pretty easy life. Nothing ever seems to have happened to him." (p149)

The Man in the Wooden Hat concentreert zich op Betty, de vrouw van Old Filth. In het Nederlands heet dit deel Een Trouwe Vrouw, en dat is net als de titel van deel 1 – Een Onberispelijke Man - deels waar en deels onwaar. Maar de Engelse titel slaat direct terug op wat ik een van de meest ontroerende scènes vond: als uit de hoed van Albert Ross iets tevoorschijn komt. (Voor mij echt een klap, daarom houd ik het cryptisch.) (De letterlijke houten hoed bevindt zich – in de vorm van een houten zeventiende-eeuws beeld – in een galerie in Delft, waar Edward en Betty verblijven omdat hij iets te doen heeft in Den Haag.)

Het leesplezier van deel 2 zit in heel verschillende dingen. Het leven van Betty, zoveel sprankelender en ontroerender dan Edwards opmerkingen deden vermoeden. De gebeurtenissen waar hij niets van weet. Steeds terugbladeren in deel 1, zo van: dit heb ik eerder gehoord, hoe zat het ook weer.
Over de kinderloosheid van Betty en Edward – door hem in deel 1 'deliberate' genoemd – wordt hier de hartverscheurende waarheid verteld. Mede hierdoor vat Betty een bijzondere liefde op voor Harry, de zoon van Veneering. Op een dag krijgt ze een telefoontje waarin Veneering haar vertelt dat Harry dood is. In deel 1 horen we dat gesprek. In deel 2 horen we dat gesprek nogmaals, maar nu met wat extra zinnen. Harry is omgekomen in Noord-Ierland.

Er zijn voorwerpen die als kleine ankers door alle verhalen lopen, zoals de hoed van Albert Ross, de roze satijnen stoel van Betty, het horloge van vader Feathers. Er zijn locaties die terugkomen, waar de personages zonder dat ze het weten gemeenschappelijke herinneringen aan hebben, zoals Malta, het huis in de Donheads, het hotel in Yarm, het kustplaatsje Herringfleet (oh, dat is pas in deel 3). Elke keer bladerde ik terug (het korte-termijn-geheugen lijdt onder preT) om te zien wat er toen ook weer gebeurd was. De archeologische opgraving is af en toe flink verstoord, aardlagen zijn door elkaar heen gemixt, en steeds geeft een andere archeoloog er een andere duiding aan.
Memory tells all of us lies, zo schrijft Veneering op een ansichtkaart aan Edward. (dl2, p185).

Deel 2 bestrijkt dezelfde tijd als deel 1. We lezen over de jeugd van Betty, over wat er precies gespeeld heeft tussen haar en Veneering, hoe zij en Edward elkaar hebben leren kennen … Hoe zij is geworden wie ze werd, hoe slecht de communicatie was tussen Edward en haar, en hoe en waarom ze dood ging.

In deel 3 krijgen we eindelijk te horen waar Veneering vandaan komt. Zijn achtergrond is Dickensiaans, dat kan ook niet anders met zo'n naam. Net als zijn zoon Harry ontloopt hij door een wonderbaarlijk toeval een wisse dood, en daardoor verandert zijn hele leven.

Last Friends begint als Edward en Terry dood zijn. Ze krijgen allebei een mooie herdenkingsceremonie, waar veel oude bekenden elkaar ontmoeten en hun vermoedens over van alles uitspreken. In het huis van Veneering in de Donheads (hij en Edward komen op hun oude dag naast elkaar te wonen) woont inmiddels een jong gezin, dat zich uiteindelijk over de oude, warrige Dulcie onfermt.
Dan gaan we terug in de tijd, naar 1937, en de jeugd van Terry in het kustplaatsje Herringfleet.
Het is zó'n ander milieu dan dat van Edward en Betty, ik ben zó benieuwd of Gardam daar zelf ook door verrast werd.
Ik kan me niet herinneren dat we in deel 1 of 2 ook maar de geringste aanwijzing kregen over Florrie Benson die verleid werd door Anton Vanetski, de circusartiest uit Odessa. Wel zijn we eerder in Herringfleet geweest: een van de achternichtjes met wie Edward in dat vreselijke pleeggezin woonde, woont daar. Edward zoekt haar op, in deel 1.

Het blijkt dat Fred Fiscal-Smith de Terry van destijds heeft gekend. Hoofdstuk 17 begint zo:
Old Filth, Terry Veneering, Fred Fiscal-Smith. Two accounted for, life completed. And in the shadows, like a little enigmatic scarecrow, Fiscal-Smith, born to be a background figure. (p103)
Het is bijna of Gardam zichzelf bewust afvraagt hoe romanpersonages werken.

De hele trilogie gaat over zóveel dat je hem moeiteloos ieder jaar opnieuw kunt lezen. Hij geeft een tijdsbeeld, hij geeft weer hoe herinneringen werken, hoe communicatie (niet) werkt, hoe bepaalde plekken wemelen van gebeurtenissen, hoe geschiedenis blijft en verdwijnt, en hoe schrijven werkt. Of kán werken, in de handen van een kunstenaar.

Geplaatst in lezen, recensies, schrijven | Getagged , | 4 Reacties

consolations 9 – crisis

Ik schreef al over mijn bijlmoordenaartje en de therapie die ik volg om hem zijn agressieve mondje te snoeren. Thuis moet ik ook oefeningen doen. Zo uit het boek lukt dat van geen kanten, maar ik heb op Youtube gelukkig wat meditaties gevonden die mij bij de hand nemen.
Het is een wonderlijke methode en het is wonderlijk wat er gebeurt. Ik moet de scène met het bijlmoordenaartje de ruimte geven. Hem onderzoeken alsof ik een wetenschapper ben die zoiets nog nooit gezien heeft. Wat zie ik? Hoe voelt het? Hoe ruikt het? Is het groter dan ik, of kleiner? Waar in het lichaam bevindt het zich? Hoe ziet het eruit?
Een koud meer, zag ik. Bevroren. IJsschotsen en rotsen rondom, maar ook een waterval.
En dat werd een collage, met als basis een stuk papier met een grootschalig craquelé erop afgedrukt.
Ik scheurde meren en watervallen en rotsen.
Ik naaide ze aan elkaar met bijpassend garen.
Ik schoof wat kleurige strookjes onder de steken.

En bij David Whyte vond ik de woorden.

But perhaps, this dark night could be more accurately described as the meeting of two immense storm fronts, the squally vulnerable edge between what overwhelms human beings from the inside and what overpowers them from the outside.
[…]
a rehearsal in fact for the act of dying, a place where inside and outside can reverse and flow with no fixed form.

Geplaatst in autobio, creatief | Getagged , | Een reactie plaatsen

show, don’t tell

"Een verhaal komt pas echt tot leven wanneer meerdere zintuigen worden geactiveerd bij de lezer. Maar hoe doe je dat? In het komende nummer van Schrijven Magazine lees je er alles over. Wij geven alvast een voorproefje." Zo twitterde Schrijvenonline vanmorgen.
Zouden ze nog iets bijzonders te vertellen hebben? Nieuwsgierig klikte ik het artikel aan.

De eerste "techniek" die ze aanbevelen om zintuiglijker te schrijven is "show, don't tell."
(Daar heb ik zelf nog een mooi stukje over geschreven trouwens.)

Als voorbeeld van "tell" geven ze het volgende:
De jongeman liep naar de bar en bestelde wat te drinken. Hij nam er een slok van en keek vervolgens op zijn horloge.

Stilistisch niet fraai. We zitten hier in het perspectief van een verteller. Dat kan een alwetende verteller zijn, die het hele café overziet. "Twee meisjes zaten opgewonden te fluisteren. Een oude man staarde in zijn jeneverglaasje. Er kwam een jongeman binnen. Hij liep naar de bar en bestelde iets te drinken. Hij nam een slok en keek op zijn horloge."

Is dit "tell"? Of doet de verbeeldingskracht van de lezer voldoende om deze scène van beeld, geluid en bierlucht te voorzien?

Het kan ook een personale verteller zijn. Iemand die op een jongeman wacht. Hij weet alleen niet zeker wie het is. "De jongeman liep naar de bar en bestelde iets te drinken. Hij nam een slok en keek op zijn horloge. Toen ontmoetten zijn ogen de mijne."

Is dit "tell"? Als de schrijver alleen wil laten zien wat er gebeurt, is het net zo goed "show".

Het verbeterde voorbeeld dat ze bij schrijvenonline geven, luidt aldus:

De knappe jongeman streek onzeker door zijn donkere haardos heen en liep toen naar de verlichte bar met design stoelen waar hij een martini bestelde. Langzaam nam hij een slok van het door ijsklontjes gekoelde drankje en keek vervolgens ongeduldig op zijn goudkleurige rolex.

Dit zou dan "show" moeten zijn.
Maar het is natuurlijk allemaal "tell".

De schrijver vertelt ons dat het een 'knappe' jongeman is (wat echt helemaal niets zegt over zijn uiterlijk), die 'onzeker' door zijn haardos heenstrijkt. (Heenstrijkt?) Levert dat een beeld op? Of is het ook gewoon een mededeling?
De verlichte bar met design stoelen? Een bar met stoelen? En welk design precies? Zegt dat niet louter en alleen iets over de schrijver, dat die een bepaald soort meubels als 'design' aanduidt?
Hij bestelt een martini. Volgens mij zit die in zo'n wijd uitlopend glas met een prikkertje met een olijfje eraan. En wordt zeker niet 'door ijsklontjes gekoeld.'
Hij kijkt 'ongeduldig' op zijn horloge. Waar zien we dat aan?
En het horloge is een goudkleurige rolex. Zijn die er überhaupt? Zijn er niet alleen echt gouden rolexen? En wat doet het met onze zintuigen dat we meegedeeld krijgen dat hij die draagt? Helemaal niks, toch?

Ik ben al lang niet meer op Schrijven Magazine geabonneerd. Maar ze zijn nog steeds het grootste schrijfblad in Nederland. Dat is een hele verantwoordelijkheid. Dat moet je beginnende schrijvers niet met zulke aperte onzin opzadelen.

Wil je een zinnig artikel lezen over Schrijven met alle Zintuigen? Klik dan hier.

Geplaatst in schrijven | Getagged | 18 Reacties

Alan Titchmarsh – The Scarlet Nightingale

Ik kan er met mijn verstand niet bij dat The Scarlet Nightingale van Alan Titchmarsh op Goodreads van vrijwel alle lezeressen vijf sterren krijgt toebedeeld. Terwijl het echt een waardeloos boek is. Het begint meteen al aan het begin. De lieftallige Rosamund heeft een Franse gouvernante die zo'n 10 jaar ouder is dan zij. We beginnen in 1928, Rosamund is 7 en Céline is 18. Nog geen vijf bladzijden verderop vernemen we dat Céline meteen bij Rosamunds geboorte is geëngageerd, op voorspraak van een familie bij wie Céline voor de dochters had gezorgd.

Normaal sla ik een boek dan dicht, maar dit was Werk.
Stug verder lezen dus, over alle elaborate kwikjes en strikjes in het interieur van Aunt Venetia. Want ohja, zo zielig, de ouders van Rosamund hadden in WWI hun zoon verloren, na de oorlog kregen ze dus nog een dochtertje en toen kwamen ze om bij een auto-ongeluk, echt zó verschrikkelijk vreselijk ontzettend Zielig! Nou en toen kwamen Rosamund en Céline bij tante Venetia in huis, in Londen.

Wij vernemen dit alles niet alleen doordat de schrijver het ons vertelt, maar ook nog doordat bladzijden uit het dagboek van Rosamund er tussendoor gestrooid worden.
Dus Titchmars "bundled" ze in een vrachtwagen – want ohja, Céline gaat dood en dan móet Rosamund wel in het Verzet – en Roosje zelf wordt nogeens in de ik-persoon ge"bundled" ook.
Céline wordt doodgebombardeerd op een derde van het boek, en een eindje over de helft gaat Roos naar Frankrijk, om daar in haar mooiste Frans een fabriek te saboteren. Maar och heden Hitske ze wordt gepakt door de Gestapo. Gelukkig – SPOILER ALERT – weet ze nog geen 20 bladzijden later alweer te ontsnappen. Oh wat zaten wij in angst.

Gelukkig houdt Rosamund het kopje er goed bij door te denken aan het strand vroeger thuis en de bammetjes met jam van Céline, hopeful that such positive memories might strengthen her resolve. Wel klopt haar hart steeds sneller en luider.
Eenmaal veilig terug in Engeland vraagt ze zich van alles af. Echt. Hoe, waar, waarom, wie, waarom, waarmee, waartoe, waarom. Een bladzij vol met wel 12 vraagtekens. Vervolgt Titchmarsh: "Question after question rattled through her mind." (p 281)

Als ze wordt opgeroepen voor haar Geheime Taak, gebeurt dat via een briefje dat in een pakketje wordt geschoven, in een warenhuis. We zien het gebeuren, maar T. denkt dat wij lezen zonder bril, en laat Roos zich langdurig afvragen hoe dat Geheime Briefje daar gekomen is! (p.117)
Ze vindt het allemaal behoorlijk eng. Eerst is ze crestfallen, vervolgens discomfited, dan weer rattled. Voor het geval we nu een blinddoek omgedaan hebben, legt T. uit: " … her mind reeling under a mixture of confusing and conflicting emotions." Waarna we nog niet klaar zijn, ze raakt nog really unnerved ook, the poor thing.
En in haar dagboek noteert zij: I must not be surprised, taken aback or discomfited.

Lezerkens, ik smeek jullie: lees wat je wilt, lees vooral waar je van geniet, maar probeer af en toe eens stil te staan bij waarom je het ene boek mooier vindt dan het andere. Waarom je meer van de ene schrijver houdt dan de andere.
Schrijverkens, ik smeek jullie. Schrijf wat je wilt, maar benoem NOOIT emoties.

Geplaatst in recensies, schrijven | Getagged , | 4 Reacties

Saskia Goldschmidt – Schokland

Op zich is Schokland best een mooi boek. Het geeft een goed beeld van hoe het is om in het Groningse aardbevingsgebied te wonen, en je oude boerderij om je heen te zien instorten tot het er binnen uitziet als een gestutte mijngang.
Op Schokland woont de familie Koridon met z'n drieën: opa Zwier, dochter Trijn en kleindochter Femke. Het jaar 2017 is het jaar waarin alles kantelt. Niet alleen komt er een grote aardbeving waardoor de helft van de veestapel het loodje legt, ook is er een begin van een nieuwe bedrijfsvoering: Femke wil overschakelen op biologisch boeren. Daarbij spelen ook nog de liefdesperikelen van moeder en dochter.
Het is een tamelijk somber boek. Dat is logisch, gezien het onderwerp, maar het maakt het ook taai om te lezen.

Maar waar ik me het meest aan heb gestoord, is de schrijfstijl.
Ik had het er laatst nog met iemand over: soms krijg je bij een boek vanwege iets schijnbaar onbenulligs een graatje in je keel, en dat gaat dan niet meer weg. Je ziet alleen nog maar bevestigingen van je ergernis en het leesplezier verdwijnt daardoor.

Goldschmidt is zo'n schrijver die een lezer alles wil uitleggen. (Het is natuurlijk ook niet eerlijk: ik ben tegelijk in Old Filth bezig, en dat is een summum van literair schrijven, van schijnbaar achteloze zinnetjes die een wereld aan betekenis met zich meedragen.)
p 105
De ondergaande zon fonkelt aan de horizon in het westen … Ja, duh.

p126
Het gras langs de maar is hoog opgeschoten, erin een heelal van uitgebloeide paardebloemen
Dat is een fraaie vergelijking. Maar voor het geval we hem niet begrijpen gaat de zin door: … witte sterren van pluismateriaal.

p165
Fokko, een buurman wiens boerderij al is afgebroken, maakt een strijdplan. Nobody fucks with Fokko.
Trijn glimlacht.
Maar daar stopt de zin niet. De lezer mocht die glimlach eens fout interpreteren!
Het is een vriendelijke glimlach, maar niet eentje waaruit hoop en vertrouwen spreekt. Hier stampt de schrijver werkelijk het toneel op. Het is zo zonde!

Een tweede ergernis is hoe Goldschmidt het vertelperspectief aanpakt. Geen moment heb ik het gevoel dat we in het hoofd van een der personages zitten. Het boek is overduidelijk geschreven door een randstedeling. Een begane, bekommerde randstedeling, maar toch. Ze is bij elke scène aanwezig om ons te vertellen hoe de personages zich voelen.

We zitten bijvoorbeeld in het perspectief van Femke, tijdens het bezoek van drie heren van de "fakkelorganisaties." (p.92)
Femke voelt haar hart in de keel bonzen, ze aarzelt, het bonzen wordt luider, en opeens, tot verbazing van Trijn en misschien nog wel het meest van haarzelf, vraagt ze
Die verbazing van Trijn, wie neemt die waar?

Op p 95 gaat het over de veranderende bedrijfsvoering.
De politieke discussies over het verplicht maken van de weidegang is in de ogen van Trijn capituleren voor de valse sentimenten van een onzekere natie.
Bepaald niet de woorden van een zwijgzame, koppige boerin.

p110
Femke en haar vriendin stappen "langs de popperige rode bakstenen huisjes van het dorp."
Dat popperig, dat is een kwalificatie door de schrijver. Iemand die daar haar leven lang gewoond heeft ziet dat niet zo.

p149
Een alinea van 7 regels over meidoornbloesem en kwinkelerende meesjes eindigt met: … ze merkt het allemaal niet op. Wie heeft dit dan net opgeschreven?

p177
Bij de beschrijving van een grootschalig en ludiek protest staat van alles over de bonkige mensen in stugge jassen … Het lijkt verdikke wel een antropologische studie!

Nou, hier ben ik opgehouden met dingen onderstrepen.
Het klinkt allemaal wat kattig en rodepotloodschooljuffrouwig, dat weet ik. Maar dat is toch vooral omdat ik niet begrijp dat een redacteur niet heeft gezien dat dit in potentie een heel goed boek is, dat nu bedorven wordt door de ballast van twee technische mankementen die zo makkelijk te verhelpen zouden zijn geweest.

Schrijverkens: vertelperspectief is alles. Kruip heel diep onder de huid van je hoofdpersoon en blijf daar. Zie wat zij ziet, voel wat zij voelt, en spreek met de woorden die zij kent en gebruikt. Lever je mooischrijverij maar in bij de firma Hallmark, of schrijf een apart boek over een poëtische schrijfster op het Groningse platteland. En onderschat je lezer niet. Die begrijpt meer dan je denkt, en bovendien heeft het verhaal veel meer impact als hij zelf dingen moet uitvogelen.

Geplaatst in recensies, schrijven | Getagged , | 6 Reacties

Ine van Staveren – het oerparadijs van de jager-verzamelaar

Ik dacht dat ik wel heel veel wist over vrouwengeschiedenis. Voor Heldinne's Reis heb ik me er uitgebreid in verdiept, het was een fascinatie die al bestond sinds mijn kennismaking met Beyond Power van Marilyn French, waarmee het patriarchaat van zijn vanzelfsprekende voetstuk viel. Ik las Maureen Murdock, Clarissa Pinkola Estés, Shinoda Bolen, en meer van die schrijfmoeders.

Toch heeft dit boek me heel veel nieuwe kennis gebracht. Het is geschreven door een oud-cursist van mij. Haar schrijfreis is bijzonder. Ze is begonnen met een roman, Tussen aardappels en aardolie, waarin ze haar thematiek in een verhaal verwerkt dat je zou kunnen kenschetsen als een streekroman (niet dat daar iets mis mee is, maar het heeft de connotatie van eensimpel verhaal over boerenmensen), maar dat in werkelijkheid veel meer gaat over het omgaan van de mens met de aarde.

Het Oerparadijs van de Jager-Verzamelaar: over de invloed van grootschalige landbouw op man, vrouw en milieu, is de neerslag van een studie naar het verband tussen landbouw en de positie van de vrouw door de millennia heen. Eco-feminisme, dat is het eigenlijk. En daar wist ik niets van. We hebben op school toch geleerd dat de landbouw een zegen was, dat het een stap op weg naar de moderne beschaving was, en dat zo véél meer mensen gevoed konden worden en tijd konden vrijmaken voor beschaafde bezigheden.
Maar wat als het andersom is? Dat de landbouw leidde tot machtsongelijkheid, tot overbevolking, tot oorlog, tot uitputting van de aarde?
Maken we nog altijd die stijgende lijn door, met onze beschaving? Want zo hebben we het geleerd: alles werd beter doordat er steeds meer werd uitgevonden. Maar nu zien we dat dat ten koste van de aarde gaat.

Het boek geeft een overzicht van de stand van de wetenschap betreffende het onderzoek naar de relevantie van die oude, vaak matriarchale, culturen, en hoe we die kennis zouden kunnen inzetten voor een duurzamere wereld. Het bevat een uitgebreide literatuuropgave, waar ik vast nog wel een aantal boeken van ga opzoeken. En ik begin met het kijken van The Unchained Goddess van Frank Capra.

Geplaatst in recensies | Getagged , , | Een reactie plaatsen

leeservaringsverhaal

Na weer een überzaai recensieboek besloot ik mezelf voor de feestdagen te verwennen met een sprookjesboek. Ik was al een tijdje bezig in Daemon Voices van Philip Pullman (essays over schrijven) en dat is zo heerlijk enthousiast dat ik besloot het nog maar weer eens te wagen met een fantasyboek. The Golden Compass. Tot ver over de helft genoot ik. Ik schakelde de té kritische innerlijke criticus uit en liet me gewillig meevoeren.

En toch … op een geven moment merkte ik dat ik me verveelde. Dat ik meer geboeid werd door taaie kost als The Rejected Body dat weer op mijn pad was gekomen via twitter en een artikel van Asha ten Broeke.

Wat ís het toch met mij en Fantasy? Waardoor viel deze fictionele droom nu weer in scherven? Het hoofdpersoontje vond ik op een gegeven moment niet meer zo geloofwaardig. Maar dat was niet het voornaamste. In Fantasy moet óók alles kloppen. Een ijsberenkoningpaleis op de Noordpool moet gebouwd kunnen zijn. Waar kwamen dat marmer en dat goud vandaan? Als een gezelschap sterke mannen met sleden al zo'n probleem had om er te komen? En welke bouwlieden hadden het neergezet? Konden de ijsberen dat opeens ook?
Ik kan heel ver meegaan in sprookjes, maar als er té veel simpel wordt neergezet omdat hee in dit verhaal kan iedereen toveren! dan geloof ik het niet meer. Dan kan het me niet meer schelen wie het wint.

Het zal vast aan mij liggen.
Nu tussendoor nog een sprookje van een ander kaliber, voordat leesclub- en recensieboek weer mijn aandacht opeisen.

Geplaatst in lezen, recensies | Getagged , , | 6 Reacties