beroepsziekte

bij het onderwerp 'bibliotheekherinneringen' past dit autobiografische verhaal dat ik schreef voor de schrijfgroep in Houston

Frouke was zestien en ze ging dood. Wat kon die harde knobbel in haar borst anders betekenen, en die doffe pijn onder haar linkerarm?
Ze was net begonnen met een vakantiebaantje bij de Openbare Bibliotheek. Haar ouders hadden gezegd dat ze nu te oud was om de hele vakantie te verlummelen. Het maakte haar niet uit. Zoveel verschil was er niet tussen op haar kamer zitten en proberen nergens aan te denken, of hier op de biep zitten en daarin slagen. Iedereen was trouwens toch op vakantie. Of in elk geval hij. Naar Italië met zijn ouders, en dat kreng ook mee. Als ze terugkwamen zou Frouke dood zijn, lekker puh.

Elke dag beklom ze de lange granieten trap die leidde naar het hete kamertje voorbij het bordje 'alleen voor personeel.' Gedrenkt in geel augustuslicht worstelde ze daar met stapels boeken die zo oud waren dat je er soep van kon koken. Maar deze bibliotheek kon het zich niet veroorloven om boeken in de soep te doen. Frouke plakte ze weer in elkaar, zodat nog één lezer hun geur en inhoud kon inademem voor de blaadjes eruit zouden vallen.
'Gaat 't goed hier?' Het uitgedroogde gezicht van juffrouw Minnema verscheen om de deur, haar ijzige ogen inspecteerden of Frouke wel hard aan 't werk was, voor haar drie piek per uur. Ha. Precies genoeg om twee biertjes van te kopen. Als je tenminste iemand kende om een biertje mee te drinken. Frouke glimlachte levenloos.
'Kom je over een kwartier beneden?'
Alsof Frouke dat zelf niet wist. 'Ja, juffrouw Minnema,' zei haar mond automatisch.

Elke middag werd ze naar beneden geroepen, als de bibliotheek openging. Boeken opruimen, moest ze dan – gediplomeerde bibliothecarissen als juffrouw Minnema deden dat natuurlijk niet. Lezers mochten tijdens de zomer meer boeken lenen, en ze brachten eindeloze stapels terug. Frouke had gemerkt dat waardering sterk samenhing met de hoogte van de stapel die je dragen kon. Spoedig droeg ze stapels boeken die begonnen halverwege haar dijen en reikten tot aan haar kin naar de juiste plank, en kon ze in één beweging Couperus tot en met Frank plat op de plank leggen.
'Zit daar toevallig een Roald Dahl tussen?' vroeg een lezer.
Ogenblikkelijk bliepte de radar van juffrouw Minnema. Op mysterieuze wijze dook ze vlak naast Frouke op, die natuurlijk wel wist dat er helemaal geen D's in deze stapel zaten, maar dat niet mocht vertellen. Dat moest professioneel worden nagekeken. Vragen beantwoorden was voor gediplomeerd personeel, boeken opruimen voor schoolmeisjes. Verschil moest er zijn.

Als alle boeken eindelijk in de kast stonden, mocht Frouke weg. Er leek geen enkele bekende meer in de stad te zijn, de straten waren hete, eindeloze linten van asfalt of klinkers, huizen waren leeg en blind. Ze hield alleen het rechter handvat van haar stuur vast, en fietste naar huis als in een droom, of dichte mist.
'Was het druk, lieverd?'
'Ja pap.'
'Ik heb rabarber voor je gemaakt.'
'O, lekker mam.'
Eindelijk kon ze naar boven, naar haar kamer, om haar borst te onderzoeken. De knobbel werd langzaam dikker. Een gedeelte van haar brein bleef daar de hele dag, alsof haar hoofd aan haar borst vastzat, met het sterke, onzichtbare nylondraad dat haar vader bij 't vissen gebruikte, en zijzelf, toen ze nog dingen deed, bij het rijgen van kleine kraaltjes in alle kleuren van de regenboog. Haar bed stond onder het raam. Op haar knieën, ellebogen op de vensterbank, keek ze naar buiten, naar de walgelijk groene bomen. In de winter was het uitzicht kaal en weids, maar nu vormde een leger dikke groene bladeren een muur die haar verstikte. Haar bespotte, met al die levendheid.

Frouke ging terug naar school met nog steeds die draden van haar hoofd naar haar borst. Tussen de lessen door ging ze naar de wc om in haar bh te kijken. Was er bloed? (Ze had De Symptomen van de ziekte die ze niet durfde noemen opgezocht in een medische encyclopedie die op haar plaktafel verschenen was.)
Volgend voorjaar zou hun Gymnasiumklas naar Rome gaan, en elke woensdagavond ging ze naar 'Rome-les' met de zekerheid dat ze al die tempels en forums en keizers nooit in het echt te zien zou krijgen. Na die lessen gingen ze nog even met een stel naar een gezellig barretje vlak bij school. Na een of twee vieux-cola's (een drankje voor drie gulden, ze werkte nu op maandagavond en zaterdagmorgen in de biep) ging ze nog steeds dood, maar waren de draden even doorgesneden. Haar ogen keken naar buiten, in plaats van schuin naar binnen, richting linkerborst. Ze verloor het aura van koele arrogantie waarin de angst haar gekleed had. Iemand vond haar mooi.
Later zou ze met hem trouwen.

Frouke werd zelf gediplomeerd bibliothecaresse. Eindelijk mocht zij vragen beantwoorden, hoefde zij geen boeken meer op te ruimen. Maar ze hielp na sluitingstijd altijd even mee, nog steeds trots op haar stapelkunst.
'Weet je,' zei een van de baliemedewerksters op een avond, 'toen ik hier pas werkte, dacht ik dat ik borstkanker had. Ik had altijd pijn hier' – ze wees naar de zijkant van haar borst, de plek waar Frouke nog altijd wat hersencelletjes had zitten – 'maar nu weet ik waar het van komt.' En ze klapte Haasse tot en met Ludlum op de plank.

Dit bericht is geplaatst in autobio, lees- en biepherinneringen, schrijven. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *