rare vreemdelingen

Gisteravond las ik Wês net Bang (mar wol foarsichtich) – Wees niet Bang (maar wel voorzichtig) – van Hanneke de jong. Het waargebeurde verhaal van de 17-jarige Lilan die uit Syrië naar Nederland vlucht voor het oorlogsgeweld. Ik heb Lilan zelfs ontmoet toen de schrijfster de Simke Kloostermanprijs kreeg uitgereikt. Het is bijna ongelooflijk als je leest wat zo'n meisje moet doormaken om de vrijheid en veiligheid van het westen te bereiken. Terwijl ze in Aleppo een gewoon schoolmeisjesleven leidde, met vriendinnen en basketbal en vioolles.
Het is geen dik boek, ik las het in een adem uit, mee met al die busjes en bootjes en treinen en eindeloze wandeltochten. Lilan is flink, goed voorbereid, en houdt zich goed aan het motto dat ze van haar vader heeft meegekregen.
Ik miste eigenlijk maar één ding: wat meer couleur locale. Een "bos" of een "boerderij" in Syrië ziet er vast totaal anders uit dan in Nederland, maar ik kreeg er geen beeld van. Ook de steden waar ze af en toe halt houdt, zie ik niet voor me. Ze heeft "eten en drinken" mee voor onderweg, maar wat dan? Vast geen boterham met pindakaas en een pakje melk. Nu blijft het verhaal voor mij een beetje te afstandelijk.

En dan nog iets wat heel persoonlijk is, en waarvan ik me afvraag of meer mensen er last van hebben.
Ik schreef pas nog over Geronimo, waarin een Nederlandse schrijver een Amerikaanse hoofdpersoon ten tonele voert. Hier wordt in het Fries een Syrische hoofdpersoon geschapen. In dit geval ligt het nóg meer aan mij persoonlijk, omdat Fries de taal van mijn pake en beppe is, met alle associaties van dien. Als het over Lilans "beppe" gaat, zie ik een Fries oud vrouwtje voor me. Beppe woont op een "pleats" en dan zie ik een kop-hals-rompboerderij in een weiland voor me, niet de verzameling zandkleurige bouwsels die zoiets in Syrië waarschijnlijk behelst.
Dit is iets anders dan culturele toe-eigening (of tenminste, dat is niet het punt dat ik maken wil). Dit gaat erover of het geloofwaardig is om in je eigen taal een hoofdpersoon uit een ander land te beschrijven. Ik probeer na te gaan welke schrijvers dat nog meer doen, en kom meteen op Japin. Ik denk aan De Overgave en Vaslav. Daar had ik er totaal geen moeite mee. Weet iemand nog andere voorbeelden in het Nederlands?
Ik denk aan hoe het werkt als je uit een ver land vertaalde boeken leest. Murakami, bijvoorbeeld, of Pamuk. Dan is het meer alsof een tolk je het originele verhaal vertelt, en ben je je ook de hele tijd bewust van het feit dat iedereen in werkelijkheid Japans of Turks spreekt.
Het is toch een kwestie van inleven, denk ik. En de lezer zo zintuiglijk mogelijk deelgenoot laten worden van de beleving van het personage. In Wês net Bang lukte mij dat net niet goed genoeg door te weinig details van de omgeving. Bij Geronimo lag het er meer aan dat Tom een flat character is, een clichémannetje.

Wat allemaal niet wegneemt dat Wês net Bang een fantastisch boek is voor jonge mensen om te begrijpen dat vluchtelingen geen rare vreemdelingen zijn, maar vaak gewone scholieren die ooit bijna net zo leefden als zijzelf.

Dit bericht is geplaatst in recensies, schrijven met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *