spelen
dag homo ludens
vergeet niet te spelen, straks
word je een onmens
Als reactie op vraag 2 (welk boek las u niet uit) van petepel even een trouw-column (april 2007) in de herhaling:
WAARBIJ?
Kortgeleden publiceerde de BBC de toptien van meest onuitgelezen boeken. Dat Ulysses en Harry Potter IV op de lijst stonden, verbaasde mij persoonlijk niet. Maar Captain Corelli's Mandolin! Een van de allermooiste boeken die ik ooit gelezen heb! (Waar ze zo'n walgelijke moest-verboden-worden film van hebben gemaakt!)
Over smaak valt niet te twisten. Dat bleek opnieuw toen ik de cpnb-lijst van Best Verkochte Boeken in 2006 doornam. Van de honderd titels heb ik er precies 6 ½ gelezen.
Is het erg, dat ik Dan Brown heb gemist? Daphne Deckers? Hans Münstermann? Saskia Noort? Heleen van Royen? Tommy Wieringa? Misschien wel – ik kan het niet beoordelen. Ik weet maar één ding zeker: alle boeken willen lezen is net zoiets als alle mensen willen kennen. Onmogelijk! Bovendien houdt bijblijven het gevaar in, dat ik grootheden uit het verleden mis. Bijblijven met de Nederlandse literatuur houdt in dat ik grootheden uit de rest van de wereld mis. Hoe erg is dat allemaal?
Niet erg. Ik hoef niet alle mensen te kennen zolang ik een paar goede vrienden heb. Ik hoef niet alles te lezen, zolang er af en toe maar één boek is, dat me boven mezelf uittilt. Dat me jaloers maakt op een fabelachtige techniek, dat me een prachtige film voor ogen tovert, dat me een nieuwe kijk op een oude wereld cadeau doet. Mocht u die ervaring niet gekregen hebben van al die meesterwerken uit 2006, probeer dan alsnog Kapitein Corelli (1994). Raakt u inderdaad achterop met 2007, en misschien is dat het tweede cadeau dat we onszelf kunnen geven: nooit meer bijblijven als leesdoel hanteren, maar uitsluitend leering ende vermaeck.
En dat halve boek van mij? De Schaduw van de Wind van Zafon. Opeens boeide het me niet meer. Welk boek heeft u niet uitgelezen? Welk boek las u louter om bij te blijven?
Waarbij ik aanteken dat het eigenlijk De Toverberg is, die al jaren niet voorbij bladzij 20 komt. Ik schaam mij daarvoor, en laat hem hoopvol in de kast.
Door de manier waarop Schrikkers honden geïsoleerd in het beeld staan, weten we dat dit geen makke huisdieren zijn, kindervrienden of symbolen van trouw, maar ruige straathonden. Ook de agressieve manier van schilderen maakt de beelden dreigend en verontrustend. De schilderijen zijn echte portretten: iedere hond heeft een eigen individualiteit.
De wilde, virtuoze verfbanen geven Schrikkers dierenportretten hun vitaliteit. De verf lijkt nog te bewegen op het doek, druipt nog na. Inzoomend op de verfhuid doemt een tweede beeld op, een landschap met hoge pieken. Deze bijna-abstractie is paradoxaal, want de materie verbeeldt iets: de innerlijke kracht van de dieren. De verf is in feite het hart dat in hun lijven klopt. Die spanning tussen beeld en medium, tussen vorm en materie, is kenmerkend voor Schrikkers werk.
Ik heb me verbaasd over bovenstaande tekst, een paar alinea's uit het educatieve commentaar bij de schilderijen van Simon Schrikker in het Drents Museum. Ik vond het werk niet mooi, maar kon me wel voorstellen hoe de maker ervan op zoek was geweest naar de expressie van dierlijke agressie door middel van verf op doek.
Maar dan de begeleidende tekst, groot op een doek aan de wand. "Kijker, dit moet u vinden. Mocht u er niets in zien, mocht u een pesthekel hebben aan grommende honden, dan leest u hier in sjieke kunsttaal hoe u zich als een insider kunt uitlaten over de Kunst in deze zaal. Hoe u met leeg en barokwollig taalgebruik uw eigen worsteling met dergelijke kunst kunt verbloemen."
Het gevaarlijke wordt gevaarloos, voor alle betrokkenen. Kijkers worden ontwapend, schilder wordt uitgelegd en daarmee ingekapseld, elke interactie wordt doodgeslagen. Wat zou het een stuk spannender zijn geweest als commentaar van argeloze bezoekers was geprojecteerd op de wanden.
Eigenlijk was dit hetzelfde als verklappen dat de jonge vader in Downton Abbey het loodje legde. Je hoefde niet eens meer te kijken.