de wand

wandEergisteravond las ik De Wand van Marlen Haushofer uit. Een paar dagen hield het boek me volledig in zijn greep. Het is zo knap geschreven, compleet foutloos en zeer effectief.
Een vrouw van in de veertig gaat met een bevriend echtpaar mee naar hun jachthuis in de bergen. Als ze er zijn, gaat het echtpaar nog even naar het dorp. De vrouw wil niet mee, en ook hond Luchs heeft geen zin. – Ik schrijf dit op en bedenk opeens: komen we de naam van de vrouw überhaupt te weten? Zij is zo bezig met de namen van de dieren, maar hoe heet ze zelf? Ik blader het boek opnieuw door en lees:

Het valt me op dat ik mijn naam niet heb opgeschreven. Ik was hem al bijna vergeten en zo moet het ook maar blijven. Niemand noemt me bij die naam, dus bestaat hij niet meer. Ik zou ook niet willen dat hij misschien op een dag opduikt in de tijdschriften van de overwinnaars.

(Ze vraagt zich nog altijd af of de wand er is geplaatst door een vijandelijke mogendheid.)
Zij kruipt vroeg in bed, en slaapt meteen. De volgende morgen ziet ze dat het echtpaar helemaal niet thuisgekomen is. Wat zou er gebeurd zijn? Ze gaat ook maar op weg naar het dorp, Luchs met haar mee, een eindje voor haar uit, en opeens begint het beest te janken, en hij heeft bloed aan zijn bek. Nog een klein stukje loopt de vrouw door, en dan opeens knalt ze tegen iets hards op. De wand. Volkomen doorzichtig maar keihard.

een gladde, koude weerstand op een plaats waar zich toch niets anders kon bevinden dan lucht.

Ze is van de wereld afgesloten, en even later ziet ze dat in de wereld geen mens meer leeft. De autoradio van de mercedes waarmee ze zijn gekomen, zoemt alleen nog.
Ze is dit relaas gaan schrijven tweeënhalf jaar na deze gebeurtenis. Een vrouw die nooit schreef, die zich als alle andere mensen liet meedrijven op de tamelijk onaangename stroom van het leven, en sinds twee jaar weduwe is.

… het is voor mij gewoon zo gelopen dat ik wel moet schrijven als ik mijn verstand niet wil verliezen …

Nu moet ze alleen overleven, met een hond en een kat en een koe, dankzij de hypochondrische eigenaar van het jachthuis een klein voorraadje medicijnen, en een jachtgeweer.
In onopgesmukte taal beschrijft ze haar bezigheden, het verloop van de seizoenen, haar omgang met de dieren, de wrede dood van sommige van hen. Het is een aangrijpend verslag van de grootst mogelijke eenzaamheid. Wat als ik de laatste mens op aarde ben, wat maakt dan dat ik doorleef? En de tijd, bestaat die nog wel als er geen mensen zijn? Ben ik vrij, zonder andere mensen, of ben ik nu de gevangene van de dieren die van mij afhankelijk zijn?

… Zolang er hier in het bos een schepsel zal zijn waarvan ik kan houden, zal ik dat doen; en als er ooit echt niets meer is, zal ik ophouden met leven. […] Het enige wezen in het bos dat werkelijk recht of onrecht kan doen ben ik. En alleen ik kan genade schenken.

Een bijbels voorspellend zinnetje op de helft van het boek.
Af en toe schrijft ze prachtige vergelijkingen. Zoals de krankzinnige hoop die ze ondanks alles nog voelde.

… ik stel me die hoop voor als een blinde mol die in mijn huist en op zijn waan zit te broeden …

Horzels die als woedende schietspoelen door de lucht schoten.
De kat krijgt jonkies, en het wilde jonge katertje

… deed alsof hij mijn enkel voor grote witte muizen aanzag die hij naar de andere wereld moest helpen …

Laat in het boek trekt ze de vergelijking met Sneeuwwitje. Maar dan alle sprookjesachtigheid voorbij.
Langzamerhand wordt ze meer een met de natuur.

Soms raken mijn gedachten verward en is het alsof het bos in mij wortel begint te schieten en met mijn hersenen zijn oude eeuwige gedachten begint te denken. En het bos wil niet dat de mensen terugkomen. […] mijn nieuwe ik waarvan ik niet zeker weet of het niet langzaam wordt opgezogen door een groter wij …

Zij maakt als mens een enorme ontwikkeling door maar wie heeft er weet van?
Alleen ik, de lezer.
Dat is natuurlijk deel van de fictionele droom. Wij accepteren van de schrijver het gegeven dat dit relaas op geheimzinnige wijze toch onze ogen bereikt, al is dat in het verhaal niet mogelijk. Deze opschorting van ongeloof is niet moeilijk.
Tegen beter weten in zette ik gisteravond toch even de film op. En daar werkte dat dus niet. Als kijker was ik me er constant van bewust dat ik vanaf deze kant door de wand heenkeek naar haar geplette wang en handen tegen het glas. Ik stond hier, met een cameraman, een geluidsman, een regisseur, en ik kon de fictionele droom niet binnen. Trouwens, alleen het begin al, dat ze bij lamplicht zit te schrijven terwijl het buiten nog niet donker is. Reken maar dat ze intussen zuiniger omspringt met haar lichtbronnen. Dus nee, ik heb de film weer uitgezet.
Het boek is filmisch genoeg. Ik vind het een wonder, hoe iemand met zulke kale woorden een verslag kan schrijven van aardappels poten, een koe verzorgen, een jachthut op de alm inrichten, en daar zo'n indringende en tot het einde toe boeiende roman van kan maken. Onvergetelijk. En dat zeg ik niet gauw.

Dit bericht is geplaatst in recensies met de tags , . Bookmark de permalink.

2 Reacties op de wand

  1. Liesbeth schreef:

    Ik las het twee weken geleden en ben nog steeds met dit ongelooflijke boek bezig. Het is onder mijn huis gaan zitten. En ondanks dat je weet dat deze situatie nooit zal gebeuren vergeet je dat onmiddellijk. De eenzaamheid, de natuur die neemt en geeft en de dieren waar ze op zo'n bijzondere wijze een relatie mee heeft.
    En het vreselijk slot dat ik niet uit mijn hoofd krijg!
    Ik besloot al direct de film niet te willen zien en dat krijg ik nu gelukkig bevestigd.
    Een boek dat nog lang nadreunt....

  2. O, dit boek staat al een hele tijd op mijn verlanglijstje, n.a.v. een bespreking van Joke die het ook erg indrukwekkend vond. Ik ga het nu nog een stuk hoger op mijn lijstje zetten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *