127 – naar school

Mia was als eerste aan de beurt om naar school te gaan. Ze kreeg precies zo'n kralenstaafje mee naar huis als we in Dunkitaba hadden gehad, alleen met twee mooie kralen in plaats van een. Ik had de school vanaf de wachttoren kunnen zien als ik niet zo gefascineerd was geweest door het landschap. Hij lag aan de noordkant van onze weef, het was ook net zo'n ommuurd terreintje, met in het midden een boom als in Dunkitaba. Rondom waren er gebouwen: de borg van de dogman, een leslokaal, en de borg voor de jongens van de weef. Alle meisjes van onze weef zaten samen in een klas, bovendien ging Mia samen met Otta, ze verheugde zich erop.

Er waren maar drie Tweede Meisjes in onze weef, twee ervan waren ouder, eentje was even oud als Mia en Otta. Ze liep achter onze hagelwitte meisjes aan in haar dofzwarte pakje. Natuurlijk had ik haar wel eerder gezien maar nu viel het verschil extra op. Toch vroeg Mia nooit naar het hoe en waarom, zij begreep veel eerder dan ik dat je beter geen vragen kon stellen. Ik troostte me altijd met de gedachte dat zij hier in elk geval een veel beter leven had dan ze op Middelgront gehad zou hebben.

De lessen waren ook niet anders dan in Dunkitaba, op een ding na: letters beitelen leerden ze niet. Ze kregen een wastafeltje waarin ze de letters moesten tekenen. Eindeloos het rotsvadmijn opdreunen en optekenen, je naam, de naam van je moeder – naar vaders werden deze meisjes niet gevraagd – de namen van de heerlijkheden, van de steden, de dorpen, de rivieren … Zou Mia nog weten dat ze van Middelgront kwam of leerden ze ook hier niets over de Zanden?

Op de dagen dat ze geen school hadden, werden wij verondersteld de meisjes het een en ander bij te brengen over huishouden: voedsel inkopen en bereiden, de was doen, de borg schoonhouden, wapenrusting op kleding naaien … Dat laatste vond Mia het leukst, ze was ook altijd heel blij als ze weer een nieuw amuletje verdiend had op school, of er een kreeg van mij als ze goed haar best had gedaan.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

126 – jeugd in de weef

Ik glimlachte nog even naar Blufam en ging met het kind naar beneden. Burman en Bo speelden met de blokken die Letifam voor ze had gemaakt. Het moederschap spoelde weer over de vreemde nieuwe gedachten heen, het brein hoefde geen kunstjes meer te doen. Maar toen ik die avond mijn munt afdeed – ik droeg hem nog altijd, aan een wit gevlochten koordje onder mijn kleren – zag ik weer een klein bloedspoor, op het ronde tekentje. Ik weet nog dat ik overwoog om naar beneden te gaan, om het potje met datzelfde teken uit mijn kluis te halen. En dat ik ook al meteen met zekerheid wist wat het me tonen zou.

Zo verstreken die eerste jaren. Mijn opdrachten kwamen van Fegman, ik verkocht mijn werk aan hem, hij betaalde me genoeg om van te leven, om tevreden te zijn. De kinderen groeiden blij op, met meer vrijheid en meer speelkameraadjes dan ze in Dunkitaba gehad zouden hebben. Ik dacht steeds minder aan Dunkitaba, daarvoor waren mijn dagen te druk. Wel had ook ik soms nachtmerries, dan schudde Mia me wakker. "Yimama, Yimama …" Ik vond haar zo lief als ze dat zei.

Bo bleef mijn prinsje. Hij leerde lopen, hij leerde praten, hij werd een ondeugend, ondernemend kind dat graag naar wat oudere jongens trok. Dit tot verdriet van Burman, die veel verlegener was en nog altijd graag aan onze voeten speelde. Wie weet wat hij ook had meegemaakt. Letifam had me niet verteld waaróm haar man dood was. Om de een of andere reden koesterde Bo vooral bewondering voor Tikman, de zoon van Morfam. Overdag wilde hij soms nog wel eens met Burman spelen, maar aan het eind van de middag stond hij steevast bij de poort te wachten tot Tikman thuiskwam uit school.

Tikman liet het zich aanleunen. Kennelijk voelde hij zich door de positie van Morfam ook een beetje de leider van de jongens in de weef. Hij verzon vaak spelletjes met een wedstrijdelement, waar ze allemaal gehoorzaam aan meededen. Soms kwam hij apart naar ons toe om Burman aan te sporen mee te doen. Maar Burman schudde zijn hoofd en zweeg.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

125 – niet geloven

"Er zijn mannen," zei Blufam, "die het niet eens zijn met … die niet geloven in de Grote Hemren, die er tegen zijn dat Tweede Meisjes … die opkomen voor ons, voor vrouwen …"
Het was me zo wezensvreemd dat ik haar met open mond zat aan te kijken. Het was alsof iemand zei dat hij het niet eens was met de zon, of er tegen was dat je je brandde aan vuur. Hoe kon je tegen iets zijn wat gewoon zo was? Ik probeerde dat aan Blufam duidelijk te maken. Dat ik echt totaal niet begreep wat ze bedoelde.
"Ik begreep het ook niet," zei ze. "Of eerst niet. Later wel. Nu wel. Hoe kunnen we weten dat het echt waar is? Wie heeft dat bedacht?"

Het was alsof mijn brein acrobatische toeren uithaalde om het maar te begrijpen. Zoals altijd wanneer ik moest nadenken – ook als ik met een nieuw ontwerp voor een mand bezig was – draaide ik een haarstreng rond mijn vinger. Mijn witte haar, dat hier totaal geen betekenis had. Ik dacht aan de jute lappen op Kraeckten San. Aan die regels die van plaats tot plaats verschilden, terwijl in iedere plaats iedereen dacht dat het de waarheid was. Iedereen wist zeker dat de Grote Hemren precies datgene van hem vroeg. Maar wie weet hadden ze in Gralda of Mingia wel nooit van Hemren gehoord. Al kon ik me niet voorstellen wat voor zin een leven had als je het leefde zonder die zekerheid.

Toch had Blufams man dat zo belangrijk gevonden dat hij er nu voor gevangen zat. Heette het daarom de Visietunnel?
"En jij?" vroeg ik. "Was jij het eens met hem?"
Even werd de schim die Blufam heette van binnenuit verlicht. "Ja," zei ze. "Ja! En er zijn nog steeds …"
Toen kwam Mia het dak op, opgewonden en buiten adem. "Ik en Otta mogen mee met Letifam naar de markt! Mag het?"
"Dat is goed," zei ik. "Ik zal je een muntje geven, dan mag je wat lekkers kopen voor Otta en jou."

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 6 Reacties

124 – hoogverraad

Ieder jaar probeerde ik – onopvallend – te zien waar de Tweede Meisjes precies verdwenen, en nooit lukte het me. Ieder jaar dacht ik aan de laatste keer dat ik de glazen korreltjes had uitgestrooid, en de haaks op elkaar staande uitwegen die ze me hadden getoond. En dan vergat ik het weer. Ik ging terug naar de weef waar Blufam en Morfam op de kinderen pasten toen die nog te klein waren om mee te mogen naar het stadsfeest, en ik vergat het weer voor een jaar.
Behalve op Langen San waren de Tweede Meisjes overal ongewenst, het was wat ik wist, wat ik kende, waar ik geen vraagtekens meer bij zette.

Letifam werd een echte vriendin, zo vanzelfsprekend en gezellig als het ooit met Vulema was geweest. Toch vertelde ik haar nooit wat mij precies was overkomen, of waar ik precies vandaan kwam. Ook wist ze niet dat Mia niet mijn eigen kind was. Mia leek het ook vergeten te zijn, maar ze bleef nachtmerries houden, die ze nooit kon navertellen maar we hoorden haar dan roepen, Bo en ik: "Niet in het water vava! Niet in het water!" Zachtjes schudde ik haar dan wakker. "Yimama," zuchtte ze opgelucht, en viel ook meteen weer in slaap.

Blufam was naaister. Ze maakte vooral kinderkleertjes: tuniekpakjes in wit voor de meisjes, jongetjes droegen rode tuniekjes. Ook volwassen mannen droegen rood: hetzij een fluwelen mantel, hetzij een langere tuniek. Vooral het wit-op-wit naaien vereiste goed licht, daarom zat Blufam vaak op het dak. Als ik zelf priegelwerk had, klom ik ook naar boven. Gebogen over ons werk lieten we af en toe iets los van de ware verschrikkingen. Maar ik moest dat niet te vaak doen, waarschuwde Blufam me. Want al kon de torenwachter onze gesprekken niet horen, hij kon ons wel zien. En omgang met een vrouw van wie de man in de noordelijke Visietunnel zat – dat betekende levenslang wegens hoogverraad – was niet aan te raden.

Hoogverraad? Wat betekende dat? Ik dacht aan Liduva, zijn enige vergrijp een grote mond opzetten tegen Hebotva. Hop de woestijn in, een soort Visietunnel in de open lucht. Ik dacht aan grootva Yiva en zijn tweede dochter. En wat ik zelf had gedaan was in de ogen van Hebotva natuurlijk ook hoogverraad.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

123 – het stadsfeest

In die eerste jaren had ik niet het gevoel dat het streng was, het regime in Lopweteka. Of tenminste in Barraspira. Het was zelfs minder streng dan in DunKitaba: je haarkleur maakte niets uit, een sluier hoefden we niet te dragen. Je mocht niet zonder begeleiding of speciale dispensatie de stad uit, maar de stad was zo groot en vol verrassingen dat me dat niet deerde. Ver weg wilde ik sowieso niet zolang de kinderen klein waren. Ik vond het al een heerlijk uitje om naar de markt te gaan, waar vaak etenswaren uit verre landen te koop waren, en een grote variëteit aan groente. Lopweteka was een vruchtbaar land, vooral het deel ten oosten van de Helvarderaflu. Ooit hoopte ik zelf een keer mee te mogen naar het Dzikomeer.

Het stadsfeest van Barraspira was als het Rotsfeest in DunKitaba: met lekkernijen op wijde schalen (een steevaste opdracht voor mij), met uitheemse kunstenmakers zoals goochelaars, acrobaten en slangenbezweerders, er werd door de mannen en jongens een dag en een nacht getrommeld en gedanst terwijl de vrouwen toekeken en meeklapten. De volgende dag werden de Tweede Meisjes die oud genoeg waren, buiten de muren gebracht. Dat was wel degelijk anders dan in Dunkitaba: daar waren ze in het wit, met al bij voorbaat een soort heiligheid. In Barraspira hadden ze vanaf hun schooldagen zwart gedragen – ze zaten ook apart in de klas – en op de dag van hun vertrek mochten ze niet spreken. Met niemand. Ze kregen een nieuwe zwarte tuniek, zonder wapenrusting, en dan verdwenen ze.

Het eerste jaar was ik te veel bezig met mijn opdracht, ik keek steeds of ik Fegman of Storeman ergens zag, of ze naar me toe zouden komen. Maar later lette ik meer op wat er gebeurde, als de kunstenmakers in het bleke ochtendlicht de stad uit gingen, als de jongens moegedanst naar huis sloften, als wij vrouwen bezig waren met het verzamelen van overgebleven voedsel, het schoonmaken van de schragentafels. Als het overal rommelig was en schemerig in de hoeken, verdween die stille stoet van in het zwart geklede meisjes, niet in het kielzog van de artiesten naar de stadspoort en de haven, maar ergens in de hoek tussen de stadsmuur en de blinde muur van de Visietunnel.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 4 Reacties

122 – buren (2)

Ik had ook aan de andere kant een buurvrouw, maar zij hield zich afzijdig, ik had me nog niet eens aan haar voorgesteld. Letifam vertelde me op zachte toon dat Blufams man samen met die van mijn voorgangster in de Visietunnel zat, en dat mijn voorgangster – ik herinnerde me de blik op Morfams gezicht – van de stadsmuur was gesprongen nadat ze haar man een keer had mogen bezoeken. Blufam had haar gevonden op het dak van haar borg.
Niet op die van mij, dacht ik meteen, en schrok weer van de wreedheid die overleven heet.

"Waarom dan?" vroeg ik aan Letifam.
"Ze kan het niet meer vertellen," zei Letifam, haar hoofd gebogen over de nap die ze aan het schuren was. "Maar je hoort de vreselijkste dingen. Dat de gevangenen vol gaten zitten."
"Waarom zit jij hier?" vroeg ik.
Ik had haar de gekuiste versie van mijn verhaal verteld, zoals ik het ook aan Fegman had gedaan.
"Burman is dood," zei ze, nog steeds met gebogen hoofd.
Terwijl mijn handen hun werk deden – het oprollen van het dunne riet, het vlechten van het touw – vroeg ik aarzelend of ze er meer over wilde vertellen, maar zonder opkijken schudde ze haar hoofd.

Het was op een zoele avond dat ik Blufam eindelijk sprak. Ik had een vieze doek van Bo uitgewassen en hing hem over het wasrek dat op het dak van mijn borg stond. Blufam zat op het muurtje van haar eigen dak met een kom thee, starend over de donkere, stille stad. Achter de muur hoorde je wel geroep en gekwebbel van het kamp van de Tweede Meisjes.
"Dag," zei ik.
Blufam keek op. De borgen stonden net niet tegen elkaar aan, we konden handen schudden over het gat heen.
"Blufam."
"Yifam."
"Ben je al een beetje gewend?"
"Woon je hier al lang?"
De geijkte vragen. Maar haar blik brandde. Zelfs haar mond leek te branden van onvertelde gruwel. Ik hoorde Bo roepen, hij was niet lekker. "Ik moet naar beneden," zei ik. "Spreek ik je later?"
Ze keek me aan en knikte.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

121 – riet kopen

Riet zag ik intussen nergens, en toch moest het er zijn, gezien de afdakjes en gezien sommige manden waarin spullen opgetast lagen. We moesten het wel vragen, er zat niets anders op. Bij een stalletje waar wol verkocht werd vroeg Morfam of er ergens riet te koop was.
"Eindje verderop," wees de vrouw. "Onder de schaduw door."
Morfam begon te murmelen terwijl ze een Hemrengelaatje van haar wapenrusting vasthield. "Grote Hemren, sluit onze ogen …" Ze stootte mij aan om hetzelfde te doen. Maar ik keek omhoog. Het zinderde daarboven.

Bij het rietstalletje deed Morfam het woord. "Kun je haar riet bezorgen? En een beetje snel? Storeman heeft het nodig," zei ze gewichtig. Al kon ik me niet voorstellen dat het het meisje ook maar iets uitmaakte wie het nodig had.
Ik vulde aan: "Riet, gras, dun touw …"
Ze keek me spottend aan. "Nieuw hier, zeker?"
Ik wilde antwoorden maar Morfam was me voor. "Hoe snel kun je leveren?"
"Het is drie dagreizen," zei het meisje. "En de Palastwachters zijn net op weg naar de Heerweg. Weer iemand die zo nodig voor haar zielenheil op reis moet." Ze keek Morfam uitdagend aan, haar ogen zwart en fel in haar gebruinde gezicht.
"Zorg dat het er over tien dagen is," zei Morfam.
Tien dagen?

Het meisje moet mijn schrik gezien hebben. "Wacht even." zei ze. "Ik heb nog een beetje liggen. Dan kun je toch vast beginnen."
Ze verdween achterin haar slaapvertrek en graaide armenvol riet en droog gras van de vloer. Had ze erop gelegen? Maar de kwaliteit was goed, ik kon in elk geval met iets beginnen, kijken of ik het nog kon. Ze maakte er twee bossen van, met een stuk touw erom.
Morfam betaalde. "Zo heeft de Weefheer het geregeld," zei ze tegen mij.

En zo raakte ik gevestigd in Barraspira. Het leven kreeg een sussende regelmaat, waarop zowel de kinderen als ikzelf goed gedijden. Ik vond het heerlijk om weer aan het werk te zijn, mijn handen waren niets verleerd van Pucima's lessen. Mia en Otta speelden samen, kwamen soms kijken en vragen of ze mee mochten doen, Bo en de kleine Burman kropen rond onze voeten.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties

120 – de warenmarkt

Met Morfam ging ik de volgende dag naar de warenmarkt. Zij scheen een beetje de Hoge Ma van onze weef te zijn. Haar borg lag naast de ingang. Ze woonde er samen met Tikman, haar zoon die al tien was en nu dus op school zat. De jongens gingen drie van de zeven dagen naar school, de meisjes twee. Later vertelde ze me dat de zonen van vrouwen in de weef vanaf een bepaalde leeftijd niet meer thuis mochten slapen omdat dat ongepast was. Ze sliepen dan in de jongensborg, een slaapzaal bij de school. Op de meisjesdagen kregen ze onderricht buiten de muren, om zich te bekwamen in de verdediging van de stad. En ook om eventuele foute denkbeelden af te leren. Hun moeders zaten tenslotte niet voor niets in de weef.

We daalden af naar de stadspoort – ik durfde niet te vragen naar die andere uitgang – en volgden het pad langs de buitenkant van de muur. Langs wat ik nu maar de achterkant zal noemen – daar waar je de zee niet kon zien – lag het domein van de Tweede Meisjes. Een langgerekt lint van afdakjes met ervoor de uitgestalde spullen. Klei voor potten, stukken boomstam voor houten voorwerpen, brokken edelsteen om te slijpen, wol om te spinnen en te weven, lappen leer – maar ook hier en daar bewerkte spullen zoals koperen dienbladen of kralen van glas.

Het was een bandeloos zootje volgens Morfam, ik moest ook vooral geen praatjes aanknopen, en zo snel mogelijk zorgen voor wapenrusting zei ze, met een blik op mijn nog steeds lege tuniek. Die van haar hing vol en ze raakte onafgebroken een Hemrengelaatje aan.
Het was inderdaad een getier van jewelste, in het zwart geklede vrouwen die met schelle stemmen hun koopwaar aanprezen, of bezig waren met sjouwen en stapelen. En ik zeg vrouwen maar er waren ook jonge meisjes bij.
"Vanaf hun veertiende jaar gaan de Tweede Meisjes buiten de muren," zei Morfam.
En bleven ze daar dan vrijwillig? Ze moesten toch het land in om spullen te vergaren?

Geplaatst in feuilleton | Getagged | Een reactie plaatsen

119 – op de stadsmuur van Barraspira

Ik gaf een onderdanig knikje en liet zijn nieuwsgierige blikken van me afglijden. Want wat was het uitzicht hier schitterend! De witte, glinsterende stad, de zee in de verte, de zinderende schaduwboog van de Rondweg … Hier kon ik goed zien hoe de Visietunnel de stad bijna in tweeën sneed. En aan de andere kant het groene landschap van Lopweteka, waar de schaduwboog in doorliep.

Onderaan de toren klonk geroep, alsof het markt was. Nieuwsgierig keek ik naar beneden. Ik zag afdakjes zoals ik ze al eerder had gezien. De vrouwencellen op Kraeckten San, en de onderkomens van de zeehondenmeisjes op Wyda Moor.
"Dat is de warenmarkt van de Tweede Meisjes," zei Fegman. "Zij zorgen voor de aanvoer van grondstoffen en zijn als zodanig onmisbaar voor onze gemeenschap, Hemren zij dank."
"Hemren zij dank," echode de zoon.

Hij trok me mee – blijf van me af! wilde ik schreeuwen – naar de andere kant van de toren. Daar keek je neer op onze weef. Ik kon mijn kinderen niet onderscheiden in het gewriemel op de binnenplaats, maar ik zag wel dat we dus altijd in de gaten werden gehouden. Wat ik in DunKitaba altijd een veilig gevoel had gevonden, kwam me nu als een bedreiging voor. En toch schikte ik me. Om de kinderen een veilige omgeving te bieden, om zelf eindelijk weer veilig te zijn, en mijn vak te kunnen uitoefenen. Yimama de rietvlechter zijn, in deze prachtige stad, en voorlopig niet denken aan … niet denken, punt.

Als ik naar links keek, zag ik heel in de verte een schitterend lint van water. Ik bracht me de lessen van de dogman voor de geest, de kaart met de rivieren. Dat moest de Wispelerflu zijn. "Komt daar mijn riet vandaan?" vroeg ik.
"Nee," zei Fegman. "En die grens wordt zeer streng bewaakt. Waag je nooit die kant op." En vervolgens, vriendelijker: "Riet wordt geoogst bij het Dzikomeer. Maar dat kun je hier vandaan niet zien."
Hij wees me op een groot plein, iets voorbij de Visietunnel tegen de zuidmuur aan. Daar was de markt voor etenswaren, en het was de plek waar het stadsfeest gehouden zou worden.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 4 Reacties

118 – naar de Opperman (2)

Storeman zat achter precies zo'n mooie tafel, er lagen ook van die kleurige tapijten op de vloer. Zijn bontkraag was zo hoog dat zijn mond er haast in verdween.
Fegman deed gelukkig het woord.
"Dit is Yifam, vluchtelinge uit Registana, moeder van twee kinderen, bij mij in dienst als rietvlechter."
Oh?

Storeman bekeek me. "Waarom draag je geen wapenrusting?"
"Die is ze kwijtgeraakt op de vlucht," zei Fegman. Zouden die leugendruppels ook achteraf werken? vroeg ik me af.
"Zodra ze aan het werk kan, komt daar verandering in. Daar zorg ik wel voor."
"En wat maak je zoal?" vroeg Storeman.
"Draagmanden, voorraadmanden … "
"Van alles," vulde Fegman aan.
"Ik bestel drie wijde schalen voor het stadsfeest," zei Storeman. "Voor vruchten en voor wapenrusting. Als die naar genoegen zijn, kun je blijven."
"Dankuwel," zei ik zacht en eerbiedig. Maar mijn hoofd liep vol met vragen, wanneer was dat stadsfeest? Waar haalde ik mijn materiaal vandaan?

Op de terugweg stelde Fegman me gerust. Het stadsfeest was pas over 3 manen. Morfam zou met me meegaan om riet of gras of wat ik maar nodig had in te slaan.
In de tunnel gebeurde er niets. Was het een loos dreigement geweest? Of had je leugens in soorten, net als vragen? Toen we bij onze weef waren aangekomen, sloegen we linksaf. We liepen om de muur heen die het terrein omgaf, tot we uitkwamen bij de stadsmuur waar hij op aansloot.

Via een smalle trap kwamen we op de stadsmuur, die aan beide kanten van kantelen was voorzien. Ademloos keek ik uit over de witte stad, en aan de andere kant over een weids, heuvelachtig landschap. Maar we gingen nog hoger. Fegman floot op zijn vingers – een geluid waarvan ik me afvroeg of het wel netjes was, gezien de boze blik van Morfam toen ik naar Mia had geroepen. Maar iemand bovenop de toren floot terug. Ik volgde Fegmans zwaaiende mantel de toren in.
Bovenop werden we door een jonge man verwelkomd.
"Mijn zoon," zei Fegman trots.

Geplaatst in feuilleton | Getagged | 2 Reacties